Net zoals vele jaren geleden de opkomst van Desktop Publishing (DTP) op relatief goedkope computers de grote ja-knikkers ons deden geloven dat we allemaal ons eigen tijdschrift zouden maken in de keuken, zo zijn de grote drijfveren achter de digitale visuele revolutie er van overtuigd dat we over afzienbare tijd allemaal onze eigen vakantiefilms gaan zitten monteren op dezelfde pc of mac waarmee we ook onze elektronische post lezen. Bewust heel naïef natuurlijk, want ook zij beseffen maar al te goed dat de montage-eenheid na een enkele goed bedoelde poging heel waarschijnlijk van de schijf zal gewist worden om plaats te maken voor één of ander spel. Een langdradige vakantie- of huis-, tuin- en keuken-film monteren waar enkel beleefde familieleden enkele uren voor willen uittrekken is natuurlijk wel iets anders dan een origineel, artistiek kleinnood bijeenmonteren waar je wél vrijwillig een tweede keer naar wilt kijken. Artistiek talent kan je immers niet downloaden van het net.
Alhoewel echte kunstenaars die iets willen zeggen wel altijd iets zullen vinden om hun ei kwijt te kunnen, zal de digitale revolutie voor hen wel degelijk interessante alternatieven bieden, en vooral daar wilde het Digiforum dieper op in gaan. Dat het grote publiek hiervan uiteindelijk niet echt wakker ligt en zelf gewoon liever met de benen uitgestrekt en de gigantische beker popcorn tussen de benen geklemd naar het werk van andere ligt te kijken, bleek uit de teleurstellende opkomst gedurende drie seminariedagen. De vier panelgesprekken konden enkel een handvol journalisten en enkele filmstudenten lokken. Misschien moet de organisatie de informatie rond het digiforum toch wat beter verspreiden, want even leek het wel het best bewaarde geheim van het festival.
Maar jammer genoeg bleek niet alleen de opkomst, maar ook de inhoud van de panelgesprekken tegen te vallen, want echt veel antwoorden op de door de organisator voorgestelde vragen kwamen er niet. De meesten kwamen hun voorbereide tekst aflezen, waarvan de inhoud je deed vermoeden dat je in het verkeerde seminarie was terechtgekomen.
Want hoe gaat de digitale opmars nu de manier van filmmaken veranderen? Digitaal filmen betekent over het algemeen immers goedkoper filmen, vermits videobanden in tegenstelling met pelicule spotgoedkoop zijn. Tegen een fractie van de prijs kan je dus urenlang blijven filmen om zo op die ene sprankelende take, dat ene inspirerende improvisatiemoment te wachten. Kan je dus massa's beeldmateriaal bijeenfilmen, om pas in de montagekamer het verhaal te kneden. En daarenboven hoef je heel wat minder materiaal mee te slepen, heb je minder belichting nodig, zodat het aantal mensen op de set beperkt blijft. Een kleinere crew dus, zodat de intimiteit tussen technici en de acteurs, en belangrijker nog, tussen de camera en de acteurs veel groter wordt.
Het opent ook de poort naar meer interactieve films, al is de vraag of het publiek daar op een luie zaterdagavond wel behoefte aan heeft. En als we nu al klagen over de kwaliteit van bepaalde films, wat gaat het dan worden als niet artistieke mensen op hun eigen tempo de film voor hun ogen en dat van anderen in real-time beginnen te monteren? Heeft het echt zin om de kijker tussen meerdere verhaalijnen, personages en sets te laten kiezen zoals filmmaakster Shu Lea Cheang voorstelde? Misschien moeten we hiervoor wachten op de echte interactieve film waarbij je niet om de zoveel minuten, maar continu moet beslissen hoe het nu verder gaat. Want tussen volledig interactief en zuiver lineair is er volgens de Belgische computeranimatiepioniers Jos Claesen en Rudy Verbeeck geen grijs mogelijk.
Eén van de grote nadelen van digitaal film maken is volgens Andy Martin ook het feit dat je zoveel kunt blijven veranderen dat je oorspronkelijk idee, de basis van elk kunstwerk, onderweg wel eens een stille dood zou kunnen sterven. De digitale wereld biedt een grotere keuze aan, wat het beslissingsproces alleen maar moeilijker maakt. Dan zat Frederic Du Chau, onze Belg in Hollywood die de tekenfilm Quest for Camelot regisseerde, het dichtst bij de waarheid door simpelweg te zeggen dat de nieuwe digitale revolutie enkel te gebruiken is als een tool, een hulpmiddel, net zoals een potlood het instrument is van een animator. Dat er nu heel wat meer artistieke en inventieve films naar voor zullen geschoven worden is ook wishfull thinking, want Du Chau beseft maar al te goed dat men in Hollywood aan filmbusiness doet, niet aan filmart.
Wat zonder twijfel zal veranderen is de manier van distributie. Nu breedband-internet meer en meer een weg naar de huiskamers vindt, kunnen films en kortfilms via streaming media naar willekeur opgevraagd worden. Filmmakers die vanuit hun garage zelf iets in elkaar boksen kunnen dus via het internet de dure distributiekanalen omzeilen om zo hun bloed zweet en tranen aan de wereld te laten zien. Meerdere animatoren en fx-mensen zijn zo in korte tijd via het net aan vette contracten geraakt. Denk maar aan Victor Navone die met zijn Alien Song bij Pixar binnengeraakte, aan Phil Captain 3D McNally die met zijn Pump Action (getoond op het festival) zich bij ILM binnenblufte, of de twee fx-mensen die met hun knappe 405 aan een agent kwamen. Het zijn drie kortfilms die in een mum van tijd door elke animtieliefhebber via mond op mond reclame gedownload werden. Maar ook nu kwam Frederic Du Chau, ongetwijfeld de nuchterste van de panelleden, de illusie van de independent die via de nieuwe media trouw blijft aan zijn visie doorprikken. Alle vernoemde namen, inclusief de makers van The Blair Witch Project, hebben met het binnenrijven van hun Hollywoodcontract ook meteen hun artistieke vrijheid opgegeven, en zullen nu ongetwijfeld meedraaien in de mallemolen waarbij de inkomsten belangrijker zijn dan het oorspronkelijk idee.
De traditionele en nieuwe media gaan stilaan in elkaar op, lijken steeds meer op elkaar. Convergence, heet zoiets in het wereldje. En dat gaat van extra niet gebruikte beelden die van één of andere site exclusief kan gedownload worden, tot karakters uit een reclamespot of langspeelfilm die voor bijvoorbeeld presentatiedoeleinden kunnen ingehuurd worden. Jammer goeg hadden de meeste panelleden van het convergence panel het blijkbaar niet zo goed begrepen. Aan tafel zaten nochtans ondermeer de digitale voortrekkers in ons belgenland: Jos Claesen van Trix/Movia en Rudy Verbeeck van Imagination in Motion. Enkel deze laatste zat in het panel op de juiste plaats vermits hij met zijn firma ondermeer virtuele presentatoren en web-karakters aanbiedt.
Interessanter, maar ook deprimerend, was dan weer het afsluitend panelgesprek met animatie-grootvader Raoul Servais en enkele van zijn oudleerlingen: Piet De Rycker, Frederic Du Chau en An Vrombaut. Volgens onze nationale trots Servais is de introductie van de computer na de uitvinding van celofanen de belangrijkste revolutie in de animatieindustrie. Maar nog volgens Servais zal de digitale animatie de traditionele kunst nooit vervangen. De computer is ideaal om in te kleuren of om een aantal speciale effecten als regen en mist te maken, maar uiteindelijk is het de persoon achter het toetsenbord of het potlood die zijn artistiek talent moet gebruiken. Daar kunnen geen technici tegenop.
Een tafel vol talent, maar niettegenstaande Servais de eerste in Europa was die een gespecialiseerde animatieopleiding opstartte, blijft de kunst in ons land een buitenbeentje waarvoor de regering onvoldoende inspanningen over heeft. Niet te verwonderen dus dat zowel De Rycker, Du Chau als Vrombaut, net als veel afgestudeerden van het KASK, in het buitenland aan hun passie zijn gaan werken. Volgens Servais wordt het tijd dat we ons minderwaardigheidscomplex opzij schuiven. Het hoeft niet noodzakelijk uit het buitenland te komen om goed te zijn. Volgens De Rycker moet het publiek wat meer opgevoed worden in het filmkijken, want uiteindelijk is een animatiefilm nog steeds in de eerste plaats een film. Misschien zullen ze dan hun weg vinden naar pareltjes als Prinses Mononoke, in plaats van enkel de Disneyfilms te gaan bekijken.
Maar terwijl er terecht een negatief beeld werd opgehangen van de animatiewereld in België boert onze jonge generatie goed in het buitenland. Zo is An Vrombaut in Londen bezig met een kinderserie, kwam Piet De Rycker zijn Tobia en de Leeuw (co-productie met Duitsland) in Gent voorstellen, en gaat Frederic Du Chau binnenkort aan de slag aan Hongkong Phooey, een live-action prent met heel wat computeranimatie. Want daar heeft volgends Du Chau de digitale revolutie wel invloed op gehad: heel wat films, zoals Episode I, zijn uiteindelijk grote animatiefilms geworden, en daardoor krijgen mensen uit de animatiewereld hun kans om zo de overstap te maken.
Waar we binnenkort allemaal mee te maken zullen krijgen is de digitale projectie, en veel vroeger dan verwacht. Vorig jaar nog werd volgens Barco-man Keith Morris voorspeld dat ten vroegste over 10 à 15 jaar de digitale projectie aanvaardbaar zou zijn, maar een jaar verder denkt men dat de eerste paar honderd systemen al over twee jaar tijd zullen geïnstalleerd zijn. En om zijn stelling te staven werd een éénmalige digitale projectie van de computergeanimeerde Disneyfilm Dinosaur georganiseerd voor de genodigden en de gelukkigen die een kaart konden bemachtigen. De film mocht dan nog middelmatig zijn, de projectie was dat helemaal niet. De projector, gemaakt in Barco Kuurne (België) en met een DLP-hart van Texas Instruments, zorgde voor een opmerkelijk stabiel en glashelder beeld. Enkel de aftiteling haalde de toeschouwers wegens heel wat blokvorming en een schokkerige scroll terug uit de digitale illusie. De kwaliteit is echter opmerkelijk als je beseft dat het geprojecteerd beeld uit slechts 1280 op 1024 pixels bestaat (ongeveer de resolutie waarmee je nog comfortabel kunt werken op een 17 inch computerscherm) en geprojecteerd wordt op een scherm van pakweg 15 meter breed. Het grootste voordeel voor het publiek is dat je ook na twee weken projecties nog steeds een perfect beeld zonder krassen en breuken zult te zien krijgen. Het voordeel van bioscoopuitbaters, en distributeurs en Hollywood is natuurlijk zuiver financieel, want met satelliet of snelle internetverbindingen is de kost voor het dupliceren en vervoeren van pelicule herleid tot marginale bedragen. Zodat je in theorie dus meer geld zou kunnen gaan besteden aan de uitwerking van gedurfde verhalen... al is de digitale revolutie natuurlijk ook wel heel goed bruikbaar om uit te pakken met allerhande spectaculaire kunstjes die het visueel veeleisender publiek terug de zalen in kan lokken. Een verscheurende keuze...