FILMJAAROVERZICHT 2000

De gladiatoren van het jaar

Foto: UIP
Wie kan ze nog opsommen, de gladiatoren die in de arena van het filmjaar 2000 tegenover elkaar stonden? Er was geen Titanic die zonk, geen Star Wars die het leven lam legde. Dit jaar moesten we het doen met heel veel films die nauwelijks het bekijken waard waren, wat vele critici deed besluiten dat de twintigste eeuw een flauw orgelpunt kreeg. Maar ach, waarom niet eens optimistisch zijn? Voor pakweg American Beauty, Gladiator, The Sixth Sense, Magnolia, Titus en Chicken Run hielden we graag onze duim omhoog. Laat de trompetten schallen en aanschouw ze nog eenmaal: de helden van het filmjaar, opgepoetst en opgeblonken, strijdend om de grootste eer.

Commercieel gezien was die weggelegd voor de film die de zomer beheerste: Mission: Impossible 2. De film van de Aziatische balletmeester John Woo speelde her en der leentjebuur bij James Bond (geen nieuwe prent in 2000), bracht wereldwijd iets meer dan 24 miljard Belgische frank op en was dus de best lopende film van het jaar. Tom Cruise mocht achter zijn coole, zelfvernietigende zonnebril breed glimlachen. Met Eyes Wide Shut en Magnolia pas achter hem en Spielbergs Minority Report in het verschiet, blijft hij als geen ander de commercie aan kunst kleven. De tweede grootste geldverdiener van het jaar was Gladiator, niet alleen de fabelachtige comeback van Ridley Scott (Alien) maar ook van het doodgewaande zwaard- en sandalenepos. De Ben Hur with balls bracht 20 miljard Belgische frank op en betekende de definitieve doorbraak van de Australiër Russell Crowe, die eerder dit jaar al schitterde in The Insider, Michael Manns meesterwerk over de tabaksindustrie. The Insider werd de grote verliezer op de oscaruitreiking, maar werd door de Belgische filmcritici wel verkozen tot het beste wat 2000 te bieden had. Crowe zag zijn salaris prompt vanuit het niets naar 15 miljoen dollar stijgen.

Voor de betere film moet je al aardig dalen in de lijst van kassuccessen, zo zou je denken, maar American Beauty bewees dit jaar het tegendeel. De vlijmscherpe prent van Sam Mendes bleek zowel een commerciële als artistieke parel te zijn: 15 miljard Belgische frank in de pocket en vijf oscars op de schoorsteen. Wie doet dat na? De Britse theaterregisseur Sam Mendes pelde op een onnavolgbare manier de schel van de Amerikaanse droom. Kevin Spacey werd meer dan terecht bekroond met een oscar voor zijn rol als loser Lester Burnham. Verder gaf de doorgaans zo conservatieve Academy dit jaar (in de langste ceremonie uit de geschiedenis) American Beauty ook een oscar voor beste film, beste regie, beste origineel scenario en beste fotografie. Die durf werd overigens bevestigd door Hilary Swank tot beste actrice uit te roepen voor haar controversiële prestatie in Boys Don't Cry. Maar eind januari hadden we de beste film van het jaar dus al gezien. Ironisch als de film zelf: American Beauty.

In deze postmoderne tijden, waarin steeds meer videoclipfilmers de taal van het beeld martelen, kwam dit jaar als uit het niets een Indiër opduiken met een naam die eerst niemand over de lippen kon krijgen: Night M. Shyamalan. Hij opende het filmjaar met het ongemeen spannende The Sixth Sense en sloot het af met het al even intrigerende Unbreakable. De kracht van Shyamalan zit 'm in zijn oerdegelijke regie en behoedzaam en langzaam opgebouwde spanningsboog. Hij toonde met zijn moderne Twilight Zones aan dat je met subtiliteit en details het grootste kippenveleffect kan bereiken. The Sixth Sense was in België met 216 miljoen Belgische frank de meest succesvolle film. Werd Russel Crowe de acteur van het jaar, dan mag Shyamalan zeker en vast prat gaan op de titel van regisseur van het jaar. Helemaal aan de andere kant van het spectrum stonden ook dit jaar weer de beeldvernieuwers. De gekke broertjes Wachowski kenden in voorbereiding van hun Matrix 2 en 3 een sabbatjaar, maar Tarsem Singh trok met het visueel overdonderende The Cell alle registers open. Hij creëerde met zijn film een macabere nachtmerrie waar Dali, Bosch of Bacon nooit ver weg waren. Toeval of niet: net als Shyamalan is Singh afkomstg uit Indië. Andere films holden The Matrix en co. schaamteloos achterna, maar Romeo Must Die en trawanten vielen door de mand bij gebrek aan verhaal.

Een tendens die dit jaar werd verdergezet, was die van de scatologische humor, waarin makers alle schaamte lijken voorbij te hollen. Herinner de scheten, boeren, borsten en achterwerken uit fijnzinnige films als Me, Myself and Irene, Gun Shy, Big Momma's House, The Klumps: Nutty Professor II (smakeloze comeback van Janet Jackson) en zowaar Scary Movie. Dan moesten we nog meer lachen met het bevreemdende Man on the Moon, waarin Jim Carrey perfect gestalte gaf aan anti-komiek Andy Kaufman. Of met de komkommercontroverse rond Baise-Moi, de zogenaamde schandaalfilm van Virginie Despentes, die in Frankrijk uit de bioscopen verbannen werd wegens pornografisch. In Vlaanderen draaide de film gewoon wel (met als advies: plus 18), maar veel nieuwsgierigen kwamen er niet op af. Dat was pas een komedie. Minder lachen was het voor de Antwerpse en Brusselse Kladaradatsch, die de boeken en deuren moesten sluiten. Uitgerekend in een jaar waarin de ticketverkoop met veertig procent steeg. Dat hadden we vooral aan een natte zomer te danken, waarin het publiek en masse naar zomerfilms als Roland Emmerichs opgeblazen en navelstarend The Patriot (met Mel Gibson), Wolfgang Petersens onevenwichtig The Perfect Storm (met George Clooney), Dominic Sena's lege Gone in 60 Seconds (met babe van het jaar Angelina Jolie), en Paul Verhoevens effectencirus Hollow Man kwam kijken. Dan was de comic-verfilming X-Men van Bryan Singer nog het beste wat de zomer aan pure commercie te bieden had. Battlefield Earth, met een (gelukkig voor hem) schier onherkenbare John Travolta, was zowat het slechtste.

Die film stond symbool voor heelwat andere grote blockbusters: veel van verwacht, maar totaal ontgoochelend. Zoals de twee Mars-films van dit jaar: Mission to Mars van Brian De Palma en Red Planet van Antony Hoffman. Ook films als The Beach (nota bene de Titanic-opvolger van Leonardo DiCaprio), Reindeer Games, American Psycho, U-571, Charlies Angels en What Lies Beneath bleven (volgens de meeste volgers) onder de verwachtingen. Andere 'grote' films ontgoochelden niet: The Cider House Rules, Snow Falling on Cedars, The Talented Mr. Ripley of The Hurricane bijvoorbeeld. Of die kleine pareltjes die ons filmisch genot schonken. In de ongezien knappe puzzelfilm Magnolia van Paul Thomas Anderson regende het zowaar kikkers (dat was goed voor de Gouden Beer op de vijftigste Berlinale); theaterregisseuse Julie Taymor liet Anthony Hoplins zichzelf overtreffen in de anachronistische Shakespeare-verfilming Titus; Lars von Trier kleurde met de veelbesproken Bjork-musical Dancer in the Dark toch maar het festival van Cannes en de Coen-broers kwamen met O Brother Where Art Thou op de proppen. Of iemand deze gezien: In the Mood for Love, The Virgin Suicides, Not One Less, Crouching Tiger, The End of the Affair, The Limey, Bringing Out the Dead? Niet alle knappe stukjes cinema spelen in megacomplexen. Filmkijken zónder popcorn en surroundsound: het kon ook in 2000 en wie dat deed, bekloeg het zich vaak allerminst.

Wes Craven, de horrorfilosoof met universitair diploma, hing dit jaar het hakmes aan de haak. Met Scream 3 rondde hij zijn horrortrilogie vakkundig af om zich vervolgens in het softer genre te storten: met het supermelige Music of the Heart wilde dat vooralsnog niet lukken. Scream kreeg dit jaar overigens al meteen zijn parodie: Scary Movie. Niets grappigs aan die film, maar op maat van het popcornvretende tienerpubliek gesneden en dus wel een echte geldmagneet. De allerbeste horrorfilm van het jaar was er eigenlijk geen: The Green Mile van Frank Darabont (naar de onvermijdelijke Stephen King) vertelde het tedere verhaal van de zwarte reus John Coffey op de groene mijl. Vier kansen op een oscar, maar nul keer gescoord - Darabont kent het klappen van de zweep al sinds The Shawshank Redemption. Voor de rest was het huilen met de pet op in het genre. The Blair Witch Project (hét fenomeen van 1999) kreeg met Book of Shadows een miserabele sequel en The House on Haunted Hill en Lake Placid bleken maar magertjes uit te vallen. Visualist Tim Burton verslikte zich in de wondere weelde van Sleepy Hollow. Geef ons dan maar twee films die écht spannend waren: Pitch Black en Final Destination.

Sinds er een hele boel geld in de reus van Disney blijkt te gaan, komen er meer en meer tekenfilms op de markt. Dit jaar maar liefst tien. Disney kwam, via Pixar, in maart al met Toy Story II (digitaal geprojecteerd in Brussel) en wist de magie van het origineel zonder problemen te herhalen. Het digitale Dinosaur kon op heel wat minder bijval van critici en publiek rekenen: terwijl je je ogen uitkeek bij zoveel verbluffende techniek, kon het simpele verhaal weinig of geen emoties bij het publiek losweken. Vreemd dat juist Disney die fout beging. Dat hadden ze dan bij Dreamworks veel beter uitgeknobbeld. Zij gaven Nick Park en Peter Lord van de Aardman Studio's (Wallace and Grommit) carte blanche voor hun kleispektakel Chicken Run. De kippen veroverden - in Engelse of Vlaamse versie - de harten van zowel volwassenen als kinderen. Chicken Run en Toy Story II bewezen dat de echte magie van animatie niet in de computer of klei steekt, maar in de kracht om levenloze voorwerpen of dieren méér emotie en karakter te geven dan sommige échte acteurs. Don Bluth mocht van Fox Disney proberen af te troeven met de sf-tekenfilm Titan A.E. maar slaagde daar jammer genoeg niet in. Warner Bros liet de wereld kennis maken met hun Pokémons. Dreamworks bracht met The Road to El Dorado ook nog een degelijke en amusante langspeler. En dan had je ook nog The Tigger Movie. En South Park.

Het Festival van Gent was een topper. De Mexicaanse film Amores Perros won er de Plateau-prijs. Maar de Vlaamse film kloeg weer steen en been bij gebrek aan geld om films te maken en kijkt smekend naar Dirk Van Mechelen, de minister van Media om meer mogelijkheden. Verder dan drie filmsubsidies per jaar gaat die nog altijd niet. Toch trokken er dit jaar bijna een miljoen Vlamingen naar een film van eigen makelij. In het begin van het jaar was het nog opwarmen met de bedroevende Kiekeboe-film Mistoestanden en de zogezegde boycot van Rob Van Eycks Dutroux-film Blue Belgium. Maar Dominique Deruddere leverde met het pijnlijk grappige Iedereen Beroemd! de beste film van eigen bodem af en mag weer eens naar Hollywood lonken. Robbe De Hert kreeg eindelijk zijn Willem Ellschot-vehikel Lijmen in de zalen en haalde daarmee zijn gelijk. Op commercieel vlak legde de gladde Jan Verheyen het meeste Team Spirit aan de dag. Zijn op en top afgelikte film bracht ondertussen bijna een half miljoen mensen naar de zalen. Traditiegetrouw ook twee films voor de ukkies: Studio 100 stuurde met veel tromgeroffel en effecten Kabouter Plop de wolken in en Blinker mocht dit jaar op zoek naar het BagBag-Juweel. Volgend jaar wordt het weer mooi: met Olivetti 81 van Rudy Vanden Boscche, Vallen van Hans Herbots, Pauline en Paulette van Lieven Debrauwer en Villa des Roses van Frank Van Passel. Je kan de Vlaamse filmmaker moeilijk verwijten dat ze snel opgeven.

Al bij al was het filmjaar 2000 een jaar vol grijsheid en middelmaat, met links en rechts van het spectrum de klassieke extremen. In Dollarwood bleek geld vaak belangrijker dan inspiratie en blijft men met dollars beplakte kalkoenen slachten. Terwijl de échte helden van de filmarena toch weer aan de andere kant stonden: zij met het talent, het hart, het geduld en de ideeën om 24 beelden per seconde aan echte filmmagie te produceren. Of dat nu met computer, klei, potlood of megafoon gebeurde, doet er niet toe. Aan hen de eer. Aan hen de roem. Gegroet, gladiatoren van 2000.