DRACULA (1931)

Vampier in zwart-wit

Foto: Universal
Hij is al meer dan een eeuw oud, Bram Stokers Dracula, maar z'n tanden zijn nog scherp. Dit jaar brengt Wes Craven bijvoorbeeld met Dracula 2000 nog maar eens een variatie op het vampierthema. Voor dé Dracula-klassieker aller tijden moeten we - gewapend met crucifix, bijbel en wijwater - terug naar 1931. In trillende zwart-wit-beelden en zonder soundtrack, joeg horrorlegende Bela Lugosi toen het publiek de stuipen op het lijf met zijn ijzingwekkende stem en zijn hypnotiserende ogen. 'I never drink - wine,' zei hij toen in de film die deze maand onze klassieker is.

Vampiers zijn onlosmakelijk met schrijver Bram Stoker verbonden, maar bestaan eigenlijk al veel langer in de literatuur. Het eerste vampiergedicht was Der Vampir van Heinrich August Ossenfelder uit 1748. In 1797 publiceerde ene Johann Wolfgang von Goethe Die Braut von Korinth, een ballade in 28 strofen die over een vampier handelt. Het eerste vampiergedicht in het Engels was Christabel van Samuel Taylor Coleridge, dat in 1800 verscheen. Zelfs toen werd het thema van de ondode een klassieker: Lord Byron schreef The Giaour (1813), zijn vriend John Polidori The Vampyre (1819) en zelfs grootmeester Alexey Tolstoj waagde zich aan een Russische versie: The Upyr (1841). In 1847 maakte een van de beroemdste vampiers aller tijden, Sir Francis Varney, voor het eerst zijn opwachting in James Malcolm Rymers Varney the Vampire, een verhaal dat in 109 wekelijkse afleveringen zou verschijnen. En dan had je ook nog Sheridan Le Fanu, die met Carmilla (1872) heel veel invloed op moderne vampierverhalen zou uitoefenen.

Om maar te zeggen dat Bram Stoker het warme water niet heeft uitgevonden. Zijn Dracula-versie rolde pas in 1897 van de persen. Dracula was zeker en vast niet Stokers eerste horrorverhaal (in 1875 schreef hij al The Chain of Destiny), maar werd zonder twijfel wel zijn beroemdste, meest gelezen en bekommentarieerde verhaal aller tijden. Stoker deed voor zijn Dracula grondige research en baseerde zijn vampier op het leven van een vijftiende-eeuwse nobelman uit Wallachije, Vlad the Impaler (1431-1476). Het verhaal is iedereen wel bekend: Jonathan Harker, makelaar in onroerend goed, reist van Londen naar Transsylvanië om een Londense grond aan de graaf te verkopen. In het laatste stadje voor de Karpaten waarschuwen de inwoners hem voor slot Dracula, omdat daar een vampier zou wonen. Harker slaat alle waarschuwingen in de wind en zet, in een koets zonder ruiters, koers richting Dracula. Op het slot ontmoet hij naast Dracula onder meer ook de drie vrouwelijke slaven. Dracula maakt de oversteek naar Londen in de boot Demeter. Alle manschappen, op Renfield na, blijken bij aankomst dood te zijn. Renfield wordt, compleet gek, ophgesloten in een gesticht dat geleid wordt door dokter Seward. Op die manier maken we ook kennis met diens dochter Mina en haar vriendin Lucy. Als Dracula ten slotte zijn slag wil slaan, verschijnt vampire hunter Dr. Van Helsing ten tonele... en wordt Dracula gedood.

Onmiddellijk na de publicatie van het boek, probeerden regisseurs - in de ban van het nieuwe medium film - Dracula op het witte doek te krijgen. Dat lukte voor het eerst in 1920 met een onbekende Russische adaptatie. De tweede Dracula was een Hongaarse variant. Echt bekend werd pas Nosferatu uit 1922. De producers van Prana-film veranderden voor hun versie van het Stoker-verhaal de originele titel, de namen van de hoofdrolspelers, de setting (Bremen) en de verhaallijn. Nosferatu werd een klassieker op zich. Max Schreck was verbazingwekkend als Graf Orlock. Maar omdat Prana-films geen rechten op Stokers boek had betaald, liet Florence Stoker, de weduwe van Bram, de film uit omloop halen. Dat gebeurde in 1925, toen alle Duitse kopies vernietigd werden.

Universal Pictures wist wel beter en nodigde Florence Stoker begin jaren dertig uit om over de filmrechten van het boek te onderhandelen. Eén man speelde daarin een cruciale rol: de Hongaarse acteur Bela Lugosi, die in 1927 met veel lof de rol van Dracula had gespeeld in de beroemde New Yorkse toneelversie. Universal betaalde Stokers' weduwe 40.000 dollar en de zaak was beklonken. Tod Browning, die in 1927 al de weinig bekende (en verloren gegane) vampierfilm Londen After Midnight met Lon Chaney had gedraaid, werd aangetrokken als regisseur. Dat was meteen goed voor een rel, want de eigenzinnige Browning wilde koste wat het kost horroracteur John Wray in de hoofdrol. Bela Lugosi, de bezieler van het project, moest letterlijk om de rol smeken. Toen Wray uit beeld was, hengelde namelijk ook the man of 1.000 faces Lon Chaney (The Phantom of the Opera, The Hunchback of Notre Dame) naar de rol, maar die stierf in 1930 aan kanker. Uiteindelijk kreeg de toen 49-jarige Lugosi dan toch de rol en het legde de Hongaar geen windeieren. Hij was later nog te zien in klassiekers als Murders in the Rue Morgue (1932), The Black Cat (1934) en The Raven (1935) voor hij aan lager wal (en drugs) geraakte en, ironisch genoeg, aan een hartaanval stief tijdens de opnames van wat algemeen wordt beschouwd als de slechtste film aller tijden, Edward D. Wood's Plan 9 From Outer Space. Lugosi werd begraven in zijn zo geliefde Dracula-cape. Tijdens zijn begrafenis vroeg Peter Lorre aan Vincent Price of ze niet een staak door zijn hart moesten spiezen. Voor alle zekerheid.

Tod Browning (van huis in Louisville weggelopen op zijn zestiende) werd wel eens de Edgar Allan Poe van de bioscoop genoemd. Dracula uit 1931 was niet zijn beste film ooit (het circus-epos Freaks uit 1932 met Lon Chaney was bijvoorbeeld veel aangrijpender én schokkender; het werd in vele landen gecensureerd), maar wel zijn bekendste film. Al zijn sterke kanten en zijn tekortkomingen als regisseur zitten er volgens de critici in. Leonard Maltin vat dat zo samen: 'The atmospheric opening scenes are still creepy and evocative, but once the action shifts to England, the film becomes a stilted exercise in canned theater, carried mainly by Lugosi's archetypal performance.' Hoewel het medium film vanzelfsprekend meer mogelijkheden creëerde dan het toneel, bleef Browning dus vaak in statisch theater hangen. Zijn regie was soms houterig en strak en bevatte, zelfs voor die tijd, erg weinig beweging (in tegenstelling tot het einde van bijvoorbeeld Freaks). Volgens vele critici was het eigenlijk de Duitse cinematograaf Karl Freund die het uitzicht van de film bepaalde. Freund had nog samengewerkt met F.M. Murnau voor The Last Laugh en herinnerde zich de gotische visuele stijl van diens expressionistische Nosferatu uit 1922.

Bela Lugosi zette met zijn Dracula meteen een standaard neer die alle latere interpretaties van de rol sterk zou beïnvloeden. Zijn mimiek, en vooral zijn gigantisch diepe ogen, werden wereldberoemd. De Dracula-film van Browning was ook de eerste met klank. Lugosi speelde zijn Hongaars accent en gebrekkig Engels opzettelijk ten volle uit. Filmcritici beschouwen zijn openingslijn 'I am... Dracula' als de meest memorabele en krachtige uit de geschiedenis van de horrorfilm. De originele Dracula had - op enkele geluidseffecten na - geen muzikale score. Daar bracht Universal twee jaar geleden verandering in: componist Philip Glass voorzag de film van muziek. Een beslissing die het filmische kamp in twee deelde. Want als het origineel zónder muziek was, waarom zou je daar dan iets aan veranderen?

Weinigen weten dat Universal, om de kosten van de dure sets te drukken, gelijktijdig met de Amerikaanse versie een Spaanse versie inblikte. Volgens sommige critici was deze versie, met onbekende acteurs, beter dan die met Lugosi. Hoe dan ook, Dracula betekende in 1931 het grootste kassucces voor Universal en leidde tot de productie van een hele resem andere horrorfilms. De eerste daarvan was James Whales Frankenstein uit 1931, waarvoor Lugosi de hoofdrol weigerde en de rol van het monster naar een andere legende ging: Boris Karloff. In de voetsporen van Dracula volgden in de jaren dertig nog The Mummy (1932), The Invisible Man (1933), The Black Cat (1934) en The Bride of Frankenstein (1935). Het was wel opmerkelijk dat men tot 1936 moest wachten op een tweede vampierfilm, het sombere en sfeervolle Dracula's Daughter (met Gloria Holden als vampier), en tot 1943 voor de vierde, Son of Dracula, waarin Lon Chaney Jr. (zoon van) Count Alucard speelde. In die jaren veertig kwam ook de beroemde Universal-pastische Abbott and Costello Meet Frankenstein (1949) in roulatie, waarin Dracula de hersenen van Costello steelt om ze in Frankensteins hoofd te plaatsen. In die film passeerden alle Universal sterren van die memorabele jaren dertig nog een keer de revue: Bud Abbott, Lou Costello, Lon Chaney Jr., Vincent Price... en ook Bela Lugosi. Wat later sloot Universal een deal met de Hammer-studio's en brak de periode van onder meer Christopher Lee en Peter Cushing aan. Maar da's voer voor een andere klassieker van de maand.

Wat blijft er na zeventig jaar nog van Tod Brownings Dracula hangen? Jaagt de film ons bijvoorbeeld nog de stuipen op het lijf? Is hij spannend? Griezelig? Het antwoord is: neen. Niet op de manier waarop bijvoorbeeld Freaks ons nog kippenvel bezorgt. Maar dat is ook niet nodig. Tijden veranderen, films en mensen ook. Dracula is een relict uit het verleden, een fossiel waar we met verwondering naar kijken en dat we koesteren. Een erg invloedrijke film bovendien en alleen daarom al zijn plaats meer dan waard in het rijtje van onsterfelijke filmklassiekers. Maar wie wil rillen van angst, bekijkt beter een andere film.