Hij maakte meer pulp dan iemand in zijn hele leven gezien krijgt, maar The Masque of the Red Death uit 1964 wordt zowat door iedereen als de beste film beschouwd die Roger Corman ooit maakte. Voor iemand die ongeveer vierhonderd titels op zijn naam heeft staan - en, naar eigen zeggen, never lost a dime - wil dat wel iets zeggen. Corman werd in 1926 geboren in Beverly Hills en maakte met het illustere Highway Dragnet in 1954 zijn eerste film. Zijn aanpak was uniek. Elke dollar die er te besparen viel, werd ook daadwerkelijk bespaard. Op de set stonden de acteurs soms mee achter de camera of moest de scenarist in de weer met licht of geluid. Waarom immers twee mensen betalen als één het ook kon? Een opnameschema van vijf dagen was nog doenbaar; tien dagen waren volgens de koning van de B-film pure tijd- en geldverspilling. Naar verluidt draaide Corman de culthit Little Shop of Horrors (1960) in twee dagen en één nacht. Corman regisseerde in die tijd tot acht films per jaar. Dan moet het inderdaad snel gaan.
Begin jaren zestig nam veelvraat Corman wat gas terug. Dat kwam omdat hij in de ban was geraakt van de verhalen van Edgar Allan Poe. Voor de verfilming ervan trok hij meer geld en tijd uit. Tussen 1960 en 1964 maakte hij er acht, hoewel The Haunted Palace uit 1963 alleen de titel bij Poe ontleende en eigenlijk op een verhaal van H.P. Lovecraft gebaseerd was. Fall of the House of Usher opende in 1960 de reeks, gevolgd door The Pit and the Pendulum (1961), Tales of Terror (1962), The Premature Burial (1962), The Raven (1963) en The Tomb of Ligeia (1965). De Masque of the Red Death (1964) blijft tot op de dag van vandaag de meest memorabele Poe-verfilming en Cormans chef d'oeuvre. Ondanks zijn zorg en bekommernis voor de prent, verloochende Corman zijn oude principes niet helemaal. Hij gebruikte voor de verfilming de sets die nog over waren van Peter Glenvilles film Becket met Peter O'Toole en John Gielgud. Corman trok voor de opnames in Engeland vijf weken uit - voor zijn doen een eeuwigheid. Maar om van nog meer locaties dubbel gebruik te kunnen maken, blikte hij ondertussen ook Tomb of Ligeia in, zijn finale Poe-verfilming. Vele critici vroegen en vragen zich na het bekijken van The Masque of the Red Death af tot wat Corman in staat zou zijn geweest als kunst voor commercie was gekomen.
Na zijn Poe-anthologie uit de jaren zestig nam Corman enkele filmopdrachten aan van grote maatschappijen. De voortdurende bemoeienissen van de producenten en studiobazen zinden hem echter niet. In 1970 richtte hij de onafhankelijke productiemaatschappij New World op. Corman liet het vermoeiende regisseren voor wat het was (hij regisseerde in 1990 alleen nog Frankenstein Unbound - voor het geld) en werd de grootste onafhankelijke producer ooit. Met de meer dan 250 films die hij sindsdien onder zijn naam op de markt bracht, werd vaak gelachen. De monsters waren van papier-maché, de borsten van silicone en de ruimteschepen van karton, maar de Corman-fabriek bleek ook een broeiplaats voor talent. Het was dankzij Corman dat onder meer Ron Howard, Francis Ford Coppola, Jack Nicholson, Martin Scorsese, Jonathan Demme, John Sayles, Joe Dante en James Cameron hun eerste stappen op een filmset zetten. Als de financiële druk te groot werd, zwaaide Corman met de pet. Zo verkocht hij New World begin jaren tachtig om weer helemaal opnieuw te beginnen met Concorde en New Horizons. Corman, 75 intussen, is nog steeds alive and kicking. Zijn laatste film, The Arena, een spotgoedkope Gladiator rip-off, ligt intussen al in de videotheken, klaar om winst te maken en zijn volgend lowbudgetproject te realiseren.
The Masque of the Red Death werd oorspronkelijk geschreven door Edgar Allan Poe (1808-1849), de getormenteerde grootmeester van het korte verhaal die de gruwelen van de zwarte dood uit de Middeleeuwen en de cholera-epidemies uit de 18e eeuw als inspiratiebron voor zijn gruwelijke vertelling gebruikte. Corman was op de verhalen van Poe gestoten en wilde ze graag zelf verfilmen. Het klimaat daarvoor was ideaal. De Hammer-films van de late jaren vijftig (met Peter Cushing en Christopher Lee) hadden de gotische revival ingeluid en het publiek zat te wachten op nog meer groteske, unheimliche verhalen. Corman schreef zijn films zelden zelf (in zijn hele carrière maar vijf), dat nam veel te veel tijd in beslag. Voor The Masque of the Red Death deed hij een beroep op Charles Beaumont, die eerder al voor The Twilight Zone had geschreven en ook voor andere Poe-verfilmingen met Corman had samengewerkt, en R. Wright Campbell, een sf-schrijver die ooit nog voor Maverick had gepend. Omdat het verhaal van Poe maar een vijftal bladzijden lang is, werd het merendeel van de film door de schrijvers zelf verzonnen. Ze weefden als subplot nog een tweede Poe-verhaal doorheen de film, dat van Hop-Frog (de dwerg die gruwelijke wraak neemt op Alfredo en hem tijdens het bal masqué als aap verkleed levend verbrand).
We zijn in de twaalde eeuw, als de Rode Dood doorheen het Italiaanse platteland van Cartania raast en alleen maar lijken achter zich laat. Tot overmaat van ramp wordt de arme boerenbevolking uitgebuit door de sadistische en machtige Prins Prospero (Vincent Price), zijn Satan-aanbiddende zus Juliana (Hazel Court) en de hielenlikkende Alfredo (Patrick Magee). Op een van zijn rooftochten neemt Prospero de mooie Francesca (Jane Asher) gevangen. Ze moet kiezen tussen de dood van haar vader of die van haar geliefde, Gino. Maar tijdens het gemaskerde bal dat Prospero om middernacht op zijn kasteel voorzien heeft, duikt ook een ongenode gast op: De Rode Dood zelf, die iedereen vermoordt, Prospero incluis. In een epiloog zien we de Rode Dood, slechts een van de vele boodschappers van het hiernamaals, verbroederen met zijn collega's. Hij vertelt de kijker dat hij slechts zes mensen heeft laten ontsnappen - de zes onschuldigen die zich altijd tegen Prospero verzet hadden.
The Masque of the Red Death was een van de eerste films over satanisme - Rosemary's Baby en The Exorcist zouden nog tot eind jaren zestig en begin jaren zeventig op zich laten wachten - maar het thema werd toch maar zijdelings aangeraakt. Verder dan een scène waarin Hazel Court zichzelf een satanisch brandmerk toedient en een verwarrende droomsequentie gaat de film niet. Meer dan op Satan, werd gefocust op de gruweldaden van Prospero zelf. In het begin van de film brandt hij zonder medelijden de huizen van de boeren af en zijn idee van entertainment grenst aan het sadistische. Zo onderwerpt hij de vader en geliefde van Francesca op een bepaald moment aan de test van de zwaarden. Ze moeten zich om beurten met vijf zwaarden snijden, wetende dat een van de zwaarden in een dodelijk gif gedrenkt is. Zijn zus Juliana laat hij doodleuk oppeuzelen door zijn zwarte raaf. Vincent Price (die in 1993 aan longkanker overleed) speelt de rol van Prospero vol grandeur en grootsheid. Hij zou een fetisjacteur van Corman worden en speelde in zeven van de acht Poe-verfilmingen mee.
Meer dan in welke andere film ook liet Roger Corman in The Masque of the Red Death de wereld een glimp van het talent opvangen dat hij volgens velen zeker bezit. De prent begint uiterst sfeervol, met de Rode Dood die een bloem aan een oude vrouw geeft als symbool voor zijn nakende komst. Het decadente kasteel van Prospero ademt eerst een unheimliche sfeer uit en verandert tijdens het gemaskerd bal in een schitterend kleurenpalet van kleding, personages en decors. Maar vooral het einde, wanneer de Dood met zijn rode sluier door het kasteel raast, maakt indruk. Van Corman werd vaak gezegd dat hij geen acteursregisseur was en wegens tijdgebrek het eerste het beste shot als definitief beschouwde. Als dat in The Masque of the Red Death ook zo was, dan pleit dat alleen maar voor het talent van zijn cast en crew. Zo niet, dan is de vraag van velen terecht: wat als Corman voor elke film zoveel tijd en ruimte had uitgetrokken als voor deze The Masque of the Red Death?