'We hebben een beetje geluk gehad,' herhaalt Ben Stassen een aantal maal, wanneer hij enthousiast vertelt hoe hij met zijn Brusselse productiemaatschappij nWave Pictures eerst de ridefilm- en daarna de Imax- markt wist te veroveren. 'Een beetje als een guerrilla,' had Eric Dillens, de chairman van nWave Studios ons eerder toevertrouwd. Stassen heeft die week redenen genoeg om enthousiast te zijn. Zijn drie jaar oude Imax-regiedebuut Thrill Ride prijkt dat weekend immers bovenaan de Amerikaanse boxoffice lijsten met het hoogste inkomstengemiddelde per scherm. Als het even meezit is de kans zelfs groot dat Stassen zich tegen de zomer met drie van zijn CGI-intensieve grootbeeldfilms in de top50 kan nestelen, iets wat volgens een journalist van het vaktijdschrift Variety zelf Steven Spielberg hem niet heeft voorgedaan. Om dat geluk naar zijn hand te zetten, doet Stassen een beroep op CGI-pioniers Anthony Huerta en Jos Claesen die enkele jaren geleden hun zusterbedrijven Movida en Trix onder eenzelfde dak brachten. Beide animatiefirma's specialiseerden zich in de loop der jaren in computeranimatie voor grootbeeld filmformaten, een nichemarkt waarin ze nu heer en meester zijn. Maar zoals dat wel vaker gebeurt met een Belgisch succes zijn ze bij het grote publiek vrijwel onbekend, niettegenstaande ze met hun CGI voor reclamefilms en de occasionele speciale effecten voor langspeelfilms langs zowat elke Belgisch netvlies moeten gepasseerd zijn. Een beetje geluk noemt Stassen het, maar wel met grote gevolgen. Wanneer we eind maart het prachtig ingerichte en achter een naamloze façade verborgen animatiehuis bezoeken, is hun derde volledig computergegenereerde Imax3D film, Haunted Castle, met de nodige controverse in roulatie gebracht en is de BBC op bezoek om verder overleg te plegen in verband met hun The Human Body project dat inmiddels ook in ons land het immense imax-scherm vult. Want voor de mensen van Movida-Trix en nWave Pictures is groot niet groot genoeg.
Niettegenstaande hij tegenwoordig omringd wordt met huizenhoge CGI-beelden begon de Belg Ben Stassen zijn filmcarrière op een meer traditionele manier. Nadat hij afstudeerde aan USC's School of Cinema and Television produceerde hij een aantal langspeelfilms in Kroatië en kon zo in 1990 voor de eerste maal proeven van internationaal succes toen zijn My Uncle's Legacy bekroond werd met een Golden Globe nominatie voor Best Foreign Language Film. Het echte digitale succesverhaal begon echter toen hij een baan aangeboden kreeg bij Little Big One. 'Toen ik naar LBO ben gegaan, had ik eigenlijk nog nooit met computer graphics gewerkt, alhoewel ik onmiddellijk zag dat een computerwerkstation eigenlijk een soort mini Hollywoodstudio op een bureau was en dat we met behulp van die technologie misschien echt een studioconcept zouden kunnen opbouwen. Niet alleen voor het produceren, maar ook voor het financieren, de ontwikkeling, en dan uiteindelijk de distributie van de films.' Om een voet tussen de deur te krijgen besloot hij zich toe te leggen op de markt van de ridefilms. Die korte films waarin een klein aantal toeschouwers door elkaar geschud worden terwijl ze zelf het gevoel hebben om heel even in een andere wereld gezogen te worden, werden reeds in het begin van de vorige eeuw door een brandweerman uitgevonden. Het formaat werd echter pas een succes dankzij het op Star Wars gebaseerde Star Tours en Journey To Jupiter van special effects pionier Douglas Trumbull. 'Ik heb nooit interesse gehad om producten te creëren die door andere mensen zouden gedistribueerd worden. Ik wist dat als ik langspeelfilms begon te produceren, dat het bijna onmogelijk zou zijn om die zelf te distribueren. Maar met dit soort alternatieve producten was dat wel mogelijk. Het was eigenlijk een ideaal product om heel high-end beelden te creëren, heel gesofistikeerde projecten te maken die toch haalbaar waren vanuit een financieel en economisch standpunt. En aangezien we eigenlijk nog geen internationale geloofwaardigheid hadden in die tijd, dacht ik dat we een 4 minuten durende film wel verkocht zouden kunnen krijgen. En dat hebben we gedaan ook.'
Stassen was juist op tijd om op de digitale sneltrein te springen. Het Amerikaanse effectenhuis Industrial Light and Magic had pas met films als Terminator 2 en The Abyss bewezen dat Computer Generated Images (CGI) na een lange incubatieperiode eindelijk klaar was voor de grote doorbraak. Jos Claesen was in die tijd bij LBO één van de weinige computeranimatiepioniers die ons landje rijk was. Als stagestudent was hij rond 1984 eerder toevallig achter achter een 3D-animatiesysteem gekropen en sindsdien is hij er niet meer van achter gekomen. 'Ik had een filmpje gemaakt over LBO,' herinnert Claesen zich nog uit die beginperiode, 'het was een soort van vliegende Duitse helm, die de piramide van LBO bezocht. Daarmee is Ben dan eigenlijk naar verschillende firma's gegaan en zijn we bij Showscan uitgekomen.' Showscan was het bedrijf van fx-pionier en 2001-legende Douglas Trumbull die met zijn nieuw projectiesysteem (70 mm; 60 beelden per seconde) een doorbraak in de filmwereld hoopte te forceren. Of het dan niet moeilijk was om zich bij die firma binnen te bluffen? 'Helemaal niet,' antwoordt Stassen verrassend, 'In die tijd had Showscan drie films met ILM gemaakt en zat het in financiële problemen, al wist ik dat toen niet. De firma kon zich dus niet meer veroorloven om drie, vier miljoen dollar te betalen voor een vier minuten durende film. Ze moesten een goedkopere oplossing vinden en daardoor zijn we eigenlijk als eerste met het idee afgekomen om een computergeanimeerde ride-film te maken. Showscan heeft direct gereageerd, niet omdat we de beste waren of omdat we een ongelooflijk track record hadden maar omdat ze de kans zagen om een film op een goedkopere manier te produceren. Niemand had dat ooit geprobeerd. Voor hen was dat interessant, want showscan was een alternatief filmformaat en ze dachten dat het misschien een goed idee was om een technologische doorbraak te brengen, niet alleen in de projectiesystemen, maar ook in de productiemiddelen. Daardoor zijn we beginnen samen te werken.' 'We hebben daar toen bij LBO zeer veel tegenstand voor gekregen,' herinnert Claesen zich nog. 'Laat ons zeggen dat er drie believers waren en de rest van de firma was tegen. Want dat zou technisch niet haalbaar zijn en zo. Het was een gok voor iedereen die daar niks van kende, maar voor mij was het helemaal geen gok. Voor mij was het een productie zoals een ander. Voor reclamespotjes hebben we ook ingewikkelde dingen moeten doen. Die duurden dan maar een paar seconden natuurlijk, maar dat was dikwijls even moeilijk of zelfs moeilijker. De kosten voor LBO, een man en een computer, dat was het eigenlijk ook niet veel (lacht). Na verloop van tijd zijn er wel wat meer mensen die daar hebben mogen aan meewerken (zoals Anton Roeben), maar het was toch zeer beperkt, hoor. Het was echt zo een productie on-the-side, zo van laat Jos en Ben maar doen.' Devil's Mine Ride oversteeg ieders verwachting en bleek een publiekstrekker én een prijzenmagneet. 'We hebben daar een zeer groot succes mee gehad,' gaat Claesen trots verder. 'Imagina heeft ooit zo'n tienjarig overzicht gedaan waar je dan ook weer prijzen voor kon krijgen. De eerste prijs was Luxo Jr. van John Lasseter, de tweede prijs was Devil's Mine, en de derde was Jurassic Park. Dus ik was eigenlijk nogal vrij trots dat ik bij de eerste drie was.'
Na die ene film besloten de makers, net voor het faillissement van LBO, het zinkend schip te verlaten. Ben Stassen vertrok naar de D&D groep waar hij ondergebracht werd in de Talent Factory, een soort executive production company en Jos Claesen en Co besloten een eigen CGI-huis op te richten, Trix, ook al onder de vleugels van de D&D groep. Na amper twee dagen stilgezeten te hebben ('op onze meubels moeten wachten') konden ze meteen aan de slag in de reclame- en tv-wereld met onder meer VTM als vaste klant. En toen ging de bal pas echt aan het rollen. 'Devil's Mine Ride was eigenlijk een mijlpaal in de ridefilm, het is de meeste succesvolle ridefilm geweest,' vertelt Stassen. 'En toen hebben we de kans gehad om vier, vijf films achter elkaar te maken, nooit als dienstmaatschappij, maar altijd als co-eigenaar van de film. Zo is het dus begonnen. Gedurende vier, vijf jaar hebben we enkel maar ride-films gedaan.' Intussen was ook Movida, de derde pijler van de huidige firma, uit de grond gestampt. Anthony Huerta: 'Ik werkte voor het grafische departement van de RTBF, maar na vijf jaar wilde ik op mezelf beginnen. Carolien van Iseghem, die toen hoofd van het grafische departement van LBO was en ik wilden samenwerken, en dus vroegen we aan D&D of ze ook in onze firma wilden investeren. In feite was dat heel slim gezien van D&D want het was mooi verdeeld: Trix was een Vlaams bedrijf en Movida een Franstalig dus alles was ok.' Voor producent Ben Stassen was het een ideale situatie: met de twee zustermaatschappijen die enkel nu en dan elkaars concurrent waren in de reclamewereld had hij twee animatie-eenheden waarover hij het werkintensieve ride-werk kon verdelen. Het idee om volledig voor de computer te kiezen wierp trouwens al heel snel z'n vruchten af. Niet alleen was het nu mogelijk om minutenlange ononderbroken camerashots te ontwerpen, maar veel belangrijker in die wereld vol verschillende beeldformaten was de flexibiliteit die door de computers geboden werd. Huerta verduidelijkt: 'Het achterliggende idee was dat als het werk op de computers erop zat, je de film in alle mogelijke formaten kon leveren. Je kon gewoon de opdracht geven aan de computer om die scène in 24 beelden per seconde te renderen, met die of die beeldverhouding. Ben startte dus met de eerste onafhankelijke bibliotheek in alle mogelijke formaten, voor allerhande simulatoren. In het begin was de markt een monopolie waarin de bedrijven voor hun films konden vragen wat ze wilden. De films waren zo duur dat de exploitanten ze twee jaar moesten draaien vooraleer een nieuwe te kopen. Ben startte met een licentiesysteem voor zes maanden, voor één jaar, wat voor de eigenaars van simulatoren heel interessant was.' Intusssen is die bibliotheek uitgegroeid tot 23 films, terwijl er jaarlijks nog ongeveer één film bijkomt, telkens genoeg om vijf man een half jaar werk te bezorgen. De bibliotheek is een blijvende bron van inkomsten, want uiteindelijk komt meer dan 50 procent van alle ride- films uit de Brusselse computers gerold. En in tegenstelling tot gewone bioscoopfilms blijven grootbeeldfilms ook lang na hun initiële release geld opbrengen. Twee Belgische zusterbedrijven die onder elkaar de wereldmarkt verdeelden, en toch halvelings concurrenten waren. Een vreemde situatie. 'Dat vonden wij ook,' lacht Claesen. 'Ik kan dat eigenlijk gewoon terugbrengen tot een gebrek aan communicatie. Wij vermoedden dat Anthony niet met ons wilde werken, en Anthony vermoedde dat wij nooit met hem wilden werken, en we hebben daar eigenlijk nooit over gepraat.' Waarom ze dan uiteindelijk zo'n twee jaar geleden wel versmolten zijn? 'Omdat we dan toch eens met elkaar gepraat hebben. (lacht) Plus (aarzelt), de laatste expo die we gedaan hebben heeft ons toch wat meer geld gekost en het gebouw waar wij inzaten in Zaventem was verschrikkelijk duur, dat kostte ons bijna een miljoen per maand. Plus het feit dat we meer en meer gezamelijk aan producties van Ben begonnen te werken. Toen hebben we gezegd, kom gooit iedereen maar bijeen, we werken eigenlijk toch allemaal aan hetzelfde. Dat is eigenlijk van de eerste dag voor een groot aantal mensen goed gegaan, en ook helemaal fout voor een groot aantal mensen, die dat op een heel verkeerde manier hebben aangevoeld. Die vonden dat Trix altijd op zich had moeten blijven. De stichters van de firma's houden blijkbaar meer van wat ze doen, dan van zomaar de naam van de firma. Wij maken graag beeldjes, en of we dat nu met iemand anders doen maakt niets uit.' 'Maar we hebben nooit gewild dat er een winnaar of verliezer zou zijn,' voegt Huerta daaraan toe, 'en daarom houden we beide namen, Movida-Trix, en voegden we de teams bij elkaar. En Ben is nog steeds een onafhankelijke producent.'We hebben dus een soort geïntegreerde mini-Hollywoodstudio gecreëerd,' vat Eric Dillens de fusie samen, 'met enerzijds nWave Pictures, waarin nWave Pictures executive production werk doet, ideeën vindt, de fondsen verzamelt, en anderzijds Trix en Movida om de zaak te maken. En als het product eenmaal af is, gaat het naar onze derde poot, dat is dan nWave Distribution, en dan distribueren wij die verschillende producten over heel de wereld in de twee markten waarin we bezig zijn, met name de simulatiefilms en anderzijds de Imax films.'
In de loop der jaren begonnen de grootbeeldspecialisten ook naam te maken met hun films voor wereldtentoonstellingen. Zoals voor het Portugees paviljoen in Lissabon, en het Nederlandse en Luxemburgse paviljoen in Hannover. 'Maar niet voor België,' benadrukt Dillens. 'Ze zijn hier geweest, maar hun benadering is niet creatief, maar eerder een van gebouwen, beton, bakstenen. Wie kan het iets schelen dat we met al die talen zitten? Vlaanderen, Brussel, Wallonië, het Duitse gedeelte en tenslotte federaal. Je hebt dus vijf partijen, en iedereen brengt iets aan tafel, maar er is geen eenduidige visie.' 'Ze delen het budget in vijf,' vult Huerta verbaasd aan. 'Ze hebben geen budget om ook maar iets te maken, buiten een maquette van de haven van Antwerpen in karton zoals in het Vlaams paviljoen in Lisabon. Heel kitscherig. Ongelooflijk.' Door hun zichtbare aanwezigheid rijfden ze een Braziliaans project binnen, maar 'dat is eigenlijk een uitzonderlijk gegeven,' relativeert Dillens. 'Door de reputatie die je daar dan opbouwt gaat er natuurlijk al eens iemand gemakkelijk naar u komen, maar toch niet in verhouding tot het prestige van het project.'
Wie echt groot wil gaan, kan natuurlijk niet om Imax heen, het gigantische formaat dat tijdens de expo van 1970 in Osaka aan de wereld werd voorgesteld. Volgens Ben Stassen was het een heel logische overstap 'maar het is veel snller gebeurd dan ik had verwacht, en een beetje per toeval. In maart '96 produceerde Ben Burtt (viermalig oscarwinnaar voor geluid) de film Special Effects: Anything Can Happen in Imax. De film was gedeeltelijk gefinancierd door musea over heel de wereld en moest absoluut educatieve inhoud hebben. Hij had beloofd dat hij drie sequenties zou produceren met een meer educatieve inhoud, maar hij wou dat eigenlijk niet doen (lacht). Op het einde van de productie waren de musea nogal kwaad dat hij dat niet had gedaan, maar hij had heel weinig geld over. Hij heeft mij toen gevraagd of ik geïnteresseerd was om die sequenties te produceren. Nu, ik had nog nooit in Imax, dus 15 perforaties 70 mm gewerkt, maar wel in andere grootbeeldformaten zoals 8 perforaties 70 mm. Ik zag dat niet echt als een grote uitdaging. Maar we hadden heel weinig tijd, dus ik heb zelf het concept van die sequenties ontwikkeld omdat hij op het einde van de productie zat en heel druk bezig was. Hij vond ze goed, en we hebben dat gedaan.' De film was eigenlijk één groot reclameblok voor ILM, maar die konden volgens Anthony Huerta al een stuk minder lachen met de Belgische bijdrage. 'Er was een heel didactische sequentie voorzien om belichting uit te leggen, en daarvoor hadden we een heel mooie CGI-olifant gemaakt. ILM had echter inzagerecht, en toen ze die sequentie zagen, zeiden ze dat we die sequentie opnieuw moesten maken, maar dan slechter. Ze vonden de olifant te goed en ze wilden niet dat men zag dat andere mensen buiten ILM die dingen ook konden maken. En dus moesten we de olifant herdoen, maar dan zonder texturen. We moesten dus slecht werk afleveren (lacht).' Voor Stassen was het een begin van een nieuwe passie. 'Ik dacht: ja, hij maakt een film over de behind the scenes van special effecten, misschien zou ik hetzelfde moeten doen over het behind the scenes van het creëren van ridefilms. Dus zo is het idee gekomen. En ik heb geluk gehad met de timing, want Sony Pictures had een heel grote nood aan nieuwe producten omdat ze niks klaar hadden. Ik heb toen voorgesteld om Thrill Ride te maken en op vier weken tijd hebben we het contract getekend. En elf maanden later was de film er. We hebben een beetje geluk gehad. Voor Thrill Ride zitten we nu met een omzet van 1.4 miljard. Tot nu toe was Le Huitième Jour het grootste Belgische succes, en nu is qua omzet en qua toeschouwers Thrill Ride veruit het grootste succes in de geschiedenis van de Belgische film.'
Na het succes van Thrill Ride besloot Stassen om ook de nog relatief jonge Imax3D-markt te verkennen. 3-D Mania: Encounter In The Third Dimension (reeds 20 miljoen dollar omzet) was hun 3D-eersteling, en werd minder dan een jaar later gevolgd door Alien Adventure (10 miljoen dollar). Begin dit jaar werd dan Haunted Castle op het Imax-publiek losgelaten. In de jaren vijftig heeft de traditionele filmindustrie ook een tijdje geflirt met 3D, maar toen werd de verloving al heel snel afgebroken. Stassen heeft er alle vertrouwen in dat het nu wel zal lukken. '3D is er al een hele tijd, van het begin van deze eeuw, maar het probleem van 3D was dat de technische kwaliteit van de projectiesystemen niet goed was. Na een paar minuten of een uur hadden de mensen hoofdpijn, het was geen leuke ervaring. In de jaren '80 en '90 zijn dan de 3D-projectiesystemen voor pretparken ontwikkeld van heel hoge kwaliteit. Nu zijn attracties zoals Captain EO met Michael Jackson in Disney, of Honey I Shrunk The Theatre, Terminator of Spiderman fantastische ervaringen. En toen heeft Imax zelf een gelijkaardig systeem ontwikkeld voor de opbouw van een wereldwijd netwerk van 3D-zalen. Als je nu naar een Imax3D-zaal gaat is de ervaring zo goed, en technisch gezien bijna perfect, dat het nu wel een succes gaat worden. Het is ook voor het eerst dat permanente 3D-zalen worden gebouwd. Gezien de investering denk ik dat de 3D-zalen gaan blijven. De grote uitdaging is dat het maken van 3D-films ontzettend moeilijk is omdat er geen productietechnologie voor bestaat. Er zijn wereldwijd maar twee Imax3D camera's beschikbaar en die 3D-camera's zijn niet handelbaar omdat ze veel te zwaar zijn. Het is maar één body. Je hebt dus helemaal geen flexibiliteit, je kan de afstand tussen de twee ogen niet veranderen enzovoort. Het maakt ook meer lawaai dan een Black& Decker boor. Ongelooflijk... Je kan dus ook geen synchroon geluid opnemen. De technologie werkt dus niet. Tenzij je je films produceert zoals wij dat momenteel doen, met een mengsel van live-action en computertechnologie. In 1995 werd de eerste Imax3D film geproduceerd voor de Vancouver Expo en sindsdien zijn er maar 19 films geproduceerd, wat heel weinig is. Dit jaar is onze film Haunted Castle de enige 3D film die uitkomt. Dat is eigenlijk het grootste probleem op dit moment: er zijn geen films genoeg. Voor ons is dat goed op korte termijn, want we zijn de grootste leverancier geworden van Imax3D-films, en dus voor onze business is dat heel goed. Maar op lange termijn kan dat zo niet blijven, de zalen kunnen dat niet volhouden. We hebben veel geluk. Er zijn meer dan honderd 3D-zalen in de wereld, en we zijn de enige maatschappij in de wereld die in de laatste drie jaar één film per jaar heeft gemaakt. Als de film een beetje fatsoenlijk is, je dus een goede 3D ervaring levert, dan wordt het een succes.'
Maar als regisseur van de film gaat Stassen nog een stapje verder. 'Imax is niet alleen technisch anders, maar zelfs creatief. Het is een andere taal dan de cinema. Er is evenveel verschil tussen 35 mm en Imax als er is tussen 35 mm en een toneelstuk of een musical. Evenveel. Het is een totaal andere ervaring. Als je naar een film gaat, reageer je op de film op een intellectueel en emotioneel niveau. Bij Imax heb je ook het fysisch gegeven. Dat heeft een heel sterke invloed op de manier waarop de film wordt gemaakt. Technisch zijn er een aantal dingen, zoals cutten, framing enzovoort waar je op moet letten, maar het belangrijkst is dat fysische gegeven dat zo dominerend is in de productie van de film. Daar moet je echt goed rekening mee houden om een succesvolle film te maken. Er is ook een heel groot verschil tussen Imax 2D en Imax3D. Niet alleen maar technisch, maar ook creatief. Imax 2D is zo bigger then life, de beelden zijn zo groot, en Imax 3D is eigenlijk zeer intiem. In Haunted Castle zijn veel van die sequenties bigger then life in 2D, maar als je naar de 3D-film kijkt, ben je eigenlijk volledig in de ruimte zelf. Wat eigenlijk niet het geval is in 2D. Dus zelf daar heb je een heel groot verschil. Het regisseren is ook heel anders. Het probleem is dat het te technisch is. 90 procent van uw tijd en energie gaat in techniek. Voor mij was dat eigenlijk een voordeel omdat ik van een technische filmachtergrond heb. Ik ben één van de meest competente regisseurs in de wereld wat de technische zaken betreft. Dat heeft nog niks te maken met creativiteit of het vertellen van een verhaal. Als je zo een film moet maken, dan is dat is zo beperkend dat het echt frustrerend kan worden. Als je daar niet aan gewoon bent, en als je daar niet goed mee speelt, dan wordt het volledig onmogelijk om nog een beetje creatief te zijn op de set. En omdat ik dat heel goed beheers, heb ik daar minder moeite mee. Ik hoop dat er nog 10 procent creativiteit overblijft eenmaal we met al die techniek rekening hebben gehouden.'
'Het stereogedeelte zelf is eigenlijk maar een fluitje van een cent,' relativeert Claesen de in het oog springende beeldenstroom. 'Daar experimenteerden we al jaren mee. Zelf Devil's Mine hebben we een stuk in 3D gedaan, in stereovision. Gewoon omdat dat plezant is om te doen, en dat is eigenlijk heel gemakkelijk. Het is veel moeilijker voor een cameraman die dat fysiek met twee camera's moet gaan doen. Met een computer zeg je gewoon dat er een tweede camera staat juist aan de andere kant. Het enige waar je voortdurend op moet toezien is dat je in staat bent om het beeld te convergeren, dus dat je het kunt bekijken. Een voordeel van CGI is dat we dus in lagen kunnen werken, waarin je dat beter kunt gaan beheersen. Het probleem dat je altijd hebt, is bijvoorbeeld de scherpte. Het verschil tussen het punt waarop uw camera's convergeren en de scherpte die daar ook of niet is. In CGI zet je gewoon de scherptediepte aan en uit. Dus je hebt een volledig scherp beeld, wat het veel aangenamer maakt om er in stereovision naar te kijken. Dus het is eigenlijk veel gemakkelijker om het met CGI te doen dan om het live te doen.' Op het animatiefilmfestival van Brussel presenteerden Anthony Huerta en Jos Claesen Haunted Castle in de Imax-zaal van Kinepolis Brussel. Met een werkcopy weliswaar, en jammer genoeg niet in 3D. Voor Huerta ons op één van de grote computerschermen in de animatiestudio een unieke presentatie geeft van de 3D film (door middel van twee gesynchroniseerde videobanden en een speciale bril) komt nog even de Belgische Kinepolis Imax-ervaring ter sprake, een gevoelig punt bij meerdere sleutelmensen van de firma. 'Er is bij ons geen Imax-cultuur. Vraag aan de meeste mensen wat Imax is en ze weten het niet. En als ze al eens geweest zijn, dan was het hoogstens éénmaal, Rolling Stones 10 jaar geleden, of Blue Planet 15 jaar geleden. In België is er totaal geen promotie voor dat soort films. Het wordt stilaan beter, maar ik denk niet dat ze er geld mee verdienen. Het groot probleem is de kostprijs. Om 3D te projecteren heb je twee projectoren nodig. En één projector kost 40 miljoen frank, dus heb je al 80 miljoen frank nodig enkel en alleen voor de projectie. Het is ook een gebrek aan prestige. In heel wat landen is het Imax theater gehuisvest in een speciale architectuur. Je gaat daar voor een ervaring. Hier is het: neem de gang tussen zaal 7 en 8. Er is niks, een lege gang met niks.' 'Er zijn heel wat factoren', vult Dillens aan.'Met de vaste vertoonuren in Kinepolis is die Imax iets dat ertussen valt, ze focussen er niet op. Een lange tijd zijn de films slecht geprogrammeerd geweest, werd er geen aandacht aan besteed. Nu is het al wat beter, maar ja, je moet daar aan werken. Het heeft nooit echt gepast in hun geheel.' Blijkbaar is Kinepolis ook één van de slechts draaiende Imax-zalen ter wereld. En dat voor het thuisland van Movida-Trix. 'Kijk, als er nu eens in België twee goed draaiende zalen zouden zijn', vult Claesen aan, 'dan zou er hier ook veel over gesproken worden. Met de ride-film juist hetzelfde. Er is hier ooit één ride-zaal geweest in België, in Redu. En dan moet je al echt zin hebben om daarnaar toe te gaan. Dat ligt in het midden van nergens. Aan de ene kant van de autosnelweg is het voor mensen die interesse hebben in boeken, en aan de andere kant is het Space Centrum. Ik heb de combinatie van de twee nooit echt gezien. Maar mocht er nu in België bij wijze van spreken in Bokrijk een ride-zaal geweest zijn, en had daar Devil's Mine gedraaid, dan had iedereen dat gekend. Daar zou heel veel volk naar gaan kijken. Maar ja, als je het nergens kunt zien...'