DREAMCATCHER

Angst op het witte doek

Foto: Warner Bros.
Vanaf woensdag is het voor Stephen King-fans weer likkebaarden. Met Dreamcatcher brengt regisseur Lawrence Kasdan nog eens een big budget verfilming van de horrorauteur op het witte doek. King en film: het is een verhaal apart.

Ironisch genoeg heeft Stephen King zijn succes te danken aan het medium film. Zijn carrière werd immers pas goed gelanceerd toen Brian De Palma de roman Carrie naar het witte doek bracht. Goed vijfentwintig jaar later is zowat elke King-roman al verfilmd. De kwaliteit varieert van wanhopig slecht tot magistraal goed. Ook King heeft zijn favorieten (Stand By Me, Carrie, The Stand) en de films waar hij absoluut niet van houdt, zoals Children of the Corn en The Tommyknockers. Daarover zegt hij: "There is no movie that can ruin a book. They can embarras a writer - sort of like showing up at a party with your fly open - but these things pass, while the books remain." (The Films of Stephen King). Het is een feit dat de meeste verfilmingen niet het niveau van het boek halen. Eén van de meest geciteerde King-quotes is dan ook: "The book was scarier."

Toen van King eerste roman Carrie een respectabele 13.000 exemplaren verkocht werden, was één van de kopers filmregisseur Brian De Palma. Het enorme succes van de verfilming werd dan ook aan hem toegeschreven; Kings naam had niet eens op de cover van het boek gestaan. Dat veranderde na de release van de film (1976), die (met twee oscarnominaties voor Piper Lauri en Sissy Spacek) een grandioos succes was. Er werden op korte tijd twee miljoen paperbacks verkocht. Stephen King kon dan ook niet anders, dan De Palma, wiens grote voorbeeld Alfred Hitchcock is, toejuichen: "Carrie was terrific. He De Palma handled the material deftly and artistically, and got a fine performance out of Sissy Spacek. In many ways the film is far more stylish than my book. (The Films of Stephen King). In 1999 kreeg Carrie een (ondermaats) vervolg: Rage, waarin het nichtje van Carrie White de hoofdrol speelt.

Carrie werd gevolg door de vier uur durende televisiefilm 'Salem's Lot (a.k.a. Blood Thirst) uit 1979, geregisseerd door genrespecialist Tobe Hooper, die eerder een cultstatus had verworven met The Texas Chainsaw Massacre (1974) en later met Steven Spielberg samenwerkte voor de klassieker Poltergeist (1982). Ondanks het scenario van Paul Monash, dat op een getrouwe manier de sfeer van Kings roman opriep, bleek de film geen succes.

De verfilming van The Shining (1980) werd de meest controversiële. Hoewel King steeds zijn bewondering voor Stanley Kubrick heeft uitgesproken (de man maakte in 1968 de definitieve sf-film met 2001: A Space Odyssey), vindt hij de film alles behalve geslaagd. Kubrick maakte een technisch knappe film (zo gebruikte hij voor het eerst een steadicam, die Danny volgde op zijn fietstochtjes door het hotel), maar hij had geen feeling voor het horrorgenre. "I'd admired Kubrick for a long time and had great expectations for the project, but I was deeply disappointed in the end result. Parts of the film are chilling, charged with a relentessly claustrophobic terror, but others fall flat. (...) The real problem is that Kubrick set out to make a horror movie with no apparent understanding of the genre." (The Stephen King Companion). King schreef dan ook zelf het scenario voor de remake, die in 1996 als mini-serie door ABC werd uitgezonden en veel getrouwer de verhaallijn van de oorspronkelijke roman volgde.

In 1982 zag Creepshow het licht, een unieke samenwerking tussen drie horrorlegenden: King (scenario), George A. Romero (regie) en Tom Savini (effects). Creepshow werd een ode aan de horrorcomics uit de jaren vijftig, zoals Vault of Horror, Vault of Fear en Tales From the Crypt. Het was tevens het eerste originele screenplay van Stephen King dat verfilmd werd. Creepshow bestond uit vijf segmenten: Father's Day, The Lonesome Death of Jordy Verrill, The Crate, Something to Tide You Over en They're Creeping Up On You. Zowel King (als Jordy Verrill) als Kings zoon Joe (als Billy) speelden een rol. De volgende verfilming was die van Cujo, een jaar later, door Lewis Teague. Hoewel de film met een mini-budget werd opgenomen, vindt King het één van de meest angstaanjagende films die hij ooit heeft gezien. Don Carlos Dunaway en Lauren Currier herwerkten Kings eigen screenplay.

Datzelfde jaar kwamen er nog twee King-verfilmingen uit: The Dead Zone van de Canadese regisseur David Cronenberg (die Kings scenario weigerde en zelf aan het schrijven ging) en Christine van John Carpenter, de man achter de meest beroemde mad slasher-film aller tijden: Halloween (1978). De verfilming van Christine was uniek: de rechten voor de prent werden al verkocht, nog voor King het boek voltooid had; de opnames begonnen vier dagen voordat het boek in de winkels lag. Children of the Corn uit 1984 was het eerste korte verhaal van Stephen King dat verfilmd werd (door Fritz Kiersch), die Kings scenario liet herschrijven. Met het verfilmen van korte verhalen raakte men overigens aan een omgekeerd probleem: waar normaal Kings werk moest ingekort worden, moest men nu het verhaal uitbreiden om er een langspeelfilm van te maken. Dat mislukte iedere keer weer: met Children of the Corn (en zijn oneindige sequels), Graveyard Shift (Ralph Singleton, 1990), Sometimes They Come Back (Tom McLoughlin, 1991 en zijn sequels: Sometimes They Come Back... Again, Adam Grossman, 1996 en Sometimes They Come Back. For More, Dan Burke, 1999) en The Mangler (Tobe Hooper, 1995). Ook Mark Lesters adaptatie van Firestarter uit 1984 bleef ondermaats.

In 1985 werden vier korte verhalen omgewerkt voor het televisiescherm. Frank Darabont en Jeff Shiro knutselden met een klein budget het elk een half uur durende The Woman in the Room en The Boogeyman (waarop een sequel kwam: The Boogeyman II) in elkaar. The Word Processor of the Gods van Michael Gornick verscheen als een episode van de t.v.-serie Tales From the Darkside. Bradford Mays adaptatie van Gramma werd door Richard Matheson opgenomen in een nieuwe reeks van Rod Serlings The Twilight Zone. 1985 was ook een productief jaar op het grote doek. Daniel Attias leverde de weerwolf-film Silver Bullet (naar Kings eigen scenario) af, Michael Gornick breidde een vervolg aan Creepshow (met de segmenten Old Chief Wood'n Head, The Raft en The Hitchhiker), Rob Reiner regisseerde het alom geprezen en semi-autobiografische Stand By Me (naar de novelle The Body) en King waagde zich ook aan zijn regiedebuut met Maximum Overdrive, een uitgesponnen verfilming van zijn kort verhaal Trucks. De film was zo gewelddadig dat pas na een hermontage een X-rating vermeden kon worden. "I didn't do a very good job of directing it. What some guys take six years to learn, I learned in about ten weeks. The result was a picture that was just terrible," vertelde King aan Gary Wood in Cinefantastique. Toch sluit King het niet uit dat hij ooit opnieuw in de regiestoel kruipt. Vreemd genoeg werd het verhaal Trucks in 1998 weer eens verfilmd, dit keer door Chris Thompson. Ook die film bleek geen succes.

Een jaar later (1987) werd de eerste Richard Bachman-novelle op pelicule vastgelegd: The Running Man, een prent die door de critici werd afgekraakt. De film had normaal geregisseerd moeten worden door George Pan Cosmatos (Rambo II), met Christopher Reeve in de hoofdrol. Cosmatos werd vervangen door Paul Michael Glaser, die niet veel ervaring had en in het verleden slechts enkele afleveringen van Starsky and Hutch had geregisseerd en Arnold Schwarzenegger kwam in Reeves plaats. "The Running Man is barely a Stephen King film," besluit Ann Lloyd. Daar sluit King zich bij aan: "It was totally out of my hands. I didn't have anything to do with it. (The Films of Stephen King)" Datzelfde jaar reeg Larry Cohen de eerste King-sequel aan zijn c.v.: A Return to 'Salem's Lot. Er verschenen ook twee nooit uitgegeven kortfilms van universiteitsstudenten: The Last Rung on the Ladder (James Cole en Dan Thron) en The Lawnmower Man (Jim Gonis). Sorry, Right Number was Kings tweede bijdrage tot de Tales From The Darkside-reeks.

De adaptatie van Pet Sematary in 1989 was speciaal voor King. Het was de eerste verfilming van een roman waarvoor hij zelf het scenario schreef. Enkele flops indachtig, stelde hij twee eisen: ten eerste moest men het scenario intact laten en ten tweede moesten de opnames gebeuren in Maine. George Romero was Kings eerste keuze als regisseur, maar omdat die druk bezig was met het monteren van Monkey Shines (1988) werd Mary Lambert aangetrokken, een beloftevolle vrouw die op het televisie- vlak bewezen had wat ze in haar mars had (ze regisseerde o.a. de clips van Madonna's Material Girl, Like a Virgin en Like a Prayer). De film werd een grandioos succes en steeg naar de derde plaats aller-tijden van de bestbezochte horrorfilms, na Aliens (1986) en Poltergeist (1982). Mary Lambert zou vier jaar later een vervolg draaien: Pet Sematary II, die kwalitatief niet aan het origineel kon tippen, maar wel een jong acteertalent ontdekte: Edward Furlong.

George Romero kreeg een nieuwe kans met Cat From Hell, dat een episode zou vormen van Tales From the Darkside - The Movie. Hij liep echter weer de regie mis van een andere King-film, de drie uur durende mini-serie van de monsterroman It. Tommy Lee Wallace verving hem, leverde een uitstekend eerste deel af, maar ging toen totaal in de fout. Misery, de tweede King-verfilming van Rob Reiner, werd een klassieker. Kathy Bates kreeg voor haar rol als psychopate Annie Wilkis een oscar. Romero maakte zijn come-back in 1991 toen hij zijn eigen scenario van The Dark Half verfilmde, maar zag de regie voor de zes uur durende mini-serie The Stand (1993) aan zijn neus voorbijgaan.

Golden Years (1991) moest een uniek project worden. King schreef acht afleveringen van een uur met een cliffhanger-einde voor een nieuwe reeks afleveringen het volgende jaar. Het was voor de eerste keer dat hij rechtstreeks voor televisie schreef. Het verhaal van Gina en Harlan Williams, die steeds jonger worden na een mysterieuze gebeurtenis op een kerncentrale, kon echter niet bevredigen en na zeven afleveringen besloot men de reeks, waarvoor vier regisseurs in de weer waren, stop te zetten. Nog in 1991 kwam The Tommyknockers uit, in een regie van John Power (die Lewis Teague verving), naar een scenario van Lawrence Cohen, die eerder al Carrie en It had geschreven en de 'Salem's Lot- sequel had geregisseerd.

Het volgende project van King, was er één rechtstreeks voor film, Sleepwalkers. Mick Garris, een Steven Spielberg-protégé, regisseerde de prent, die echter qua succes moest onderdoen voor The Lawnmower Man, de cyberpunk-film van Brett Leonard, die in feite maar weinig te zien had met Kings origineel (Leonard vermengde het verhaal met een bestaand ander script, Cybergod). In 1993 kwam er The Stand, de langverwachte adaptatie van Kings magnum opus. Rospo Pallenberg had al in 1978 een scenario geschreven; King zelf zou zijn scenario tot vijf keer toe herschrijven. Het werd, met 120 sprekende rollen, de meest slopende verfilming tot nu toe. Nog in 1993 werd Needful Things bewerkt voor het grote doek door regisseur Fraser Heston, die Peter Yates verving. Frank Darabonts adaptatie van The Shawshank Redemption werd legendarisch: de alom geprezen film kreeg zeven oscarnominaties, maar verliet toch met lege handen de oscarnacht.

Midden jaren negentig werden twee zaken duidelijk in het filmische Stephen King-universum: het format van de mini-serie bleek zich het beste te lenen voor het verfilmen van zijn omvangrijke romans. Zo kregen we (in navolging van The Stand en It) in 1995 The Langoliers, in 1997 The Shining, in 1999 Storm of the Century, een origineel verhaal dat later - voor het eerst - ook in scenariovorm gepubliceerd zou worden en vorig jaar nog Rose Red en The Dead Zone. Verder bleek de oprichting van Castle Rock als een soort kwaliteitslabel te gaan gelden. De productiemaatschappij met de vuurtoren als symbool had al ingestaan voor Misery en Needful Things (beiden 1993) en ging op zijn elan verder met The Shawshank Redemption (1994), Dolores Claiborne (1994) en The Green Mile (1999). Die laatste film, met Tom Hanks in de hoofdrol, kreeg vier oscarnominaties, maar wist geen enkel gouden beeldje in de wacht te slepen. Castle Rockl stond ook in voor de verfilming van Hearts in Atlantis (2001) en Dreamcatcher, twee films waarvoor de legendarische William Goldman het scenario schreef.

Daarbuiten brachten de jaren negentig maar weinig goeds: er waren de obligate sequels; een nieuwe Bachman-verfilming (Thinner, 1996) en het vampierverhaal The Night Flier van Mark Pavia. Opmerkerlijk, maar gauw weer vergeten, was het scenario dat Stephen King schreef voor het door fx-goeroe Stan Winston geregisseerde Ghosts van Michael Jackson. Een aardigheidje, net als Kings bijdrage Chinga voor het X-Files seizoen van 1998, waarin hij een niet erg geslaagde kruising bracht tussen The Monkey en Child's Play. De langverwachte verfilming van Apt Pupil (1997) door Brian Singer (die hoge ogen had gescoord met The Usual Suspects) bleef in het verdomhoekje steken en kreeg niet de aandacht die de film eigenlijk verdiende. Het steeds weer kerende adagio blijkt ook nu nog te gelden: voor elke goeie Stephen King-verfilming, zijn er negen slechte. Jammer, maar helaas.

De recensie van Dreamcatcher kan u in onze volgende editie lezen.