GUILTY PLEASURES

Who says bad can't be fun?!

Eight Legged Freaks (Foto: Warner Bros.) Big Trouble in Little China (Foto: Fox) Hard Rain (Foto: Paramount)
Het overkomt iedereen vroeg of laat wel eens: op de een of andere manier krijg je een film onder ogen waar je absoluut geen enkele waarde aan hecht. Een prent die nog voor een beeld het netvlies heeft bereikt de lotsbestemming meedraagt pure en onvervalste crap te zijn. En toch, terwijl je onderworpen wordt aan de omstandigheden die het bekijken van een dergelijke film verantwoorden, bekruipt het onmiskenbare gevoel je dat - sidder en beef - je het leuk vindt. Aanvankelijk willen we allemaal deze vreemde sensatie verdringen, het ergens ver weg in het achterste gedeelte van onze grijze massadatabase opbergen, maar tevergeefs. Alle logica en al dan niet uitgebreide filmkennis verdwijnen als spreekwoordelijke sneeuw voor de zon. Verbazingwekkend maar waar: de film verrast, amuseert en laat een goede indruk na. Dat is een guilty pleasure, een "Schuldig Pleziertje".

In tegenstelling tot wat sommige criticasters wel eens durven beweren hoeft niemand zich te verontschuldigen voor de appreciatie van welke film dan ook. Smaak is immers subjectief en uiterst relatief en maar al te vaak worden films met een inferieur label, een soort door de buitenwereld opgelegd minderwaardigheidscomplex opgezadeld nog voor ze goed en wel de kans krijgen zich op de drukke audiovisuele markt te bewijzen. Het wordt dan ook soms moeilijk om als ruimdenkend individu een eigenheid te behouden en een mening naar voor te brengen die of ingaat tegen de commerciële mainstream gedachtegang of die het eerder opneemt tegen het elitaire vaak pseudo-intellectualisme dat maar al te vaak de culturele wereld verstoort. De lijst die volgt is een selectie van enkele van onze favorieten binnen de subjectieve wereld van de guilty pleasures. Het zijn stuk voor stuk films die in hun genre best te genieten zijn en sommige titels zijn het (her)bekijken meer dan waard.

De eerste titel is al meteen een van de betere. Het in 1986 uitgebrachte Big Trouble in Little China betekende een stijlverandering voor horrorregisseur John Carpenter, die eerder furore maakte met genreklassiekers zoals Halloween, The Thing, The Fog en knappe apocalyptische thrillers afleverde met Escape From New York en de Night of the Living Dead- achtige bendefilm Assault on Precinct 13 (binnenkort is er een remake in de zalen). Met Trouble richtte hij zijn pijlen echter op iets anders en kwam uit op een bijzonder inventieve maar jammer genoeg weinig succesvolle actieparodie die elementen als fantasy, martial arts, komedie, mystiek en avontuur kneedde tot een typische jaren '80 speciale effectenfilm. Carpenters - bij gebrek aan beter woord - muze, Escape's held Snake Plissken himself, Kurt Russell kreeg de hoofdrol als de arrogante, zelfverklaarde macho truckchauffeur Jack Burton, die door omstandigheden in een spirituele strijd terechtkomt en nooit precies weet waar het allemaal om gaat. En dat is net de grootste triomf van de film. Burton is een ongelooflijke antiheld, die zich steeds heer en meester waant in de meest gevaarlijke situaties terwijl hij altijd op de hulp van anderen moet rekenen. Hij is het hoofdpersonage maar de kijker is steeds twintig stappen voor op hem en de ongegeneerde doodsverachting van deze blaaskaak is niet alleen erg grappig maar ook bijzonder origineel. Want hoe vaak zien we een held die eigenlijk zwakker en dommer is dan iedereen rondom hem? De speciale effecten zien er, op enkele uitzonderingen na, vandaag nog steeds erg vermakelijk uit met een homp zwevend vlees boordevol oogbollen als wachter en een ondergrond viscreatuur dat slechts een seconde in beeld komt als onverwachtse uitschieters. De cast amuseert zich rot en het scenario zit boordevol absurde oneliners zoals "Like I told my last wife, I said, "Honey, I never drive faster than I can see, and besides... it's all in the reflexes." Voor de liefhebbers van jaren '80 pulp is dit niet te missen!

Toen Jim Carrey in 1996 met het door Ben Stiller geregisseerde The Cable Guy even de duistere kant van zijn komische vaardigheden wou laten zien werd hij door critici verguisd en door het publiek genegeerd. Hij kreeg later de kans om zich te bewijzen met The Truman Show, Man on the Moon en nu Eternal Sunshine of the Spotless Mind maar met deze zwarte komedie sloeg hij voor velen de bal volledig mis. Het is niet toevallig dat hij met zijn volgende film, het vaak erg brave Liar Liar, op veilig speelde. In The Cable Guy zijn er geen beperkingen. De film volgt de hier lang niet zo hatelijke Matthew Broderick als Steven, een eenvoudige jongen die net door zijn vriendin werd gedumpt. Als hij op een dag bezoek krijgt van de man van de kabelmaatschappij (Carrey dus) kan hij niet vermoeden welk onheil hij zich op de hals haalt. De technicus is wanhopig op zoek naar een beste vriend en ziet in Steven de juiste man. Een bijzonder duistere maar, mits het juiste gevoel voor humor, grappige thriller volgt. Wat mensen afschrikte is meteen ook de reden om deze prent in de lijst op te nemen: Jim Carrey's manische vertolking. Je houdt ervan of je verafschuwt het en hier trekt de komiek alle registers open. Scènes zoals een onverwacht gevecht bij een Middeleeuwse spektakelshow, een groteske karaoke-avond, een pijnlijk spelletje basketbal en een "seksueel getint" woordspelletje bij Stevens ouders dragen alleen maar bij tot het bizarre verloop van deze prent die soms een Cape Fear parodie lijkt met horrorelementen en dan weer als een aanklacht tegen het nutteloze van de fast-food televisiecultuur kan bekeken worden. Stiller hint naar een verwrongen jeugd in Carrey's personage en treedt zelf aan als de hoofdverdachte in een O.J. Simpson-achtig proces dat tijdens de film op bepaalde momenten belicht wordt. De cast is prima en naast Carrey en Broderick zien we ook Jack Black, die werkelijk staat te springen om de sterrenstatus die hij nu bijna bereikt heeft te verwezenlijken en Owen Wilson, in een kleine bijrol als een van Carrey's slachtoffers. The Cable Guy is geen grote film, zelfs geen goede (vooral de finale mist de wreedaardigheid van wat voorafging), maar het is bijzonder aangenaam vertier voor wie houdt van zwarte komedies.

In het kielzog van de ontelbare rampenfilms die ons, vergeef ons deze kwinkslag, overspoelden in de tweede helft van de jaren '90 kwam ook Hard Rain op de proppen. De film, geregisseerd door Mikael Salomon (de man die cinematograaf was voor onder andere The Abyss), combineerde het genre van de rampenfilm met dat van de "heist"-prent, de misdaadfilm waarin een overval of een grote kraak door een groep dieven centraal staat. Als Tom (Christian Slater) op de vlucht slaat voor een dievenbende die hem ervan verdenken een deel van hun buit gestolen te hebben, beseffen ze niet welke problemen de jacht met zich mee zal brengen. Door de hevige regenval breekt een dam waardoor het kleine dorp waarin de gebeurtenissen zich afspelen volledig overspoelt wordt. De leider van de misdadigers (Morgan Freeman die hier zijn imago van de mentorfiguur, net als in Nurse Betty, persifleert) beveelt zijn gewetenloze mannen het verdwenen geld te bemachtigen. Dat resulteert in races met speedboten, schietpartijen, aanvaringen met corrupte agenten, amoureuze ontwikkelingen, koppige oudjes die weigeren te evacueren en vooral heel veel water. Vanaf het openingsbeeld (een letterlijke vogelvlucht over het door de onophoudelijke regen geteisterde land) dat uiteindelijk uitmondt in het dorp waar de laatste inwoners vertrekken naar drogere oorden beseffen de kijkers wat er hen te wachten staat. De luide muziek van Christopher Young (met mondharmonicasolo's van onze eigen Toots Thielemans) zet meteen de juiste toon en Randy Quaid's grijnzende kop verraadt de weinig nobele bedoelingen van zijn personage. Dit is zo'n prent waarin nagenoeg iedereen egoïstisch, vals en laf is. Ze willen het geld bemachtigen en levend het rampgebied verlaten, wie ze er ook voor moeten doden. Het is precies die attitude die van Hard Rain pretentieloze zaterdagavond nonsens maakt.

Vooraleer Stephen Sommers een Faustiaans pact sloot en een succesvolle regisseur in Hollywood werd realiseerde hij wat, niet zonder sarcasme, als zijn beste werk in de filmgeschiedenisboeken opgenomen kan worden. In Deep Rising staat een groep moderne piraten centraal die met behulp van de door hen ingehuurde held van het verhaal, een plezante, zelfbewuste Treat Williams, een luxueus cruiseschip willen plunderen. Als ze het schip bereiken ontdekken ze echter dat iemand of iets hen voor is geweest. Samen met een handvol overlevenden (waaronder Famke Janssen) ontdekken ze met bloed besmeurde muren, misvormde lijken en een resem grijpgrage, slangachtige monsters, die in wezen de tentakels zijn van de gigantische, pulserende en vooral hongerige massa die zich in het schip bevindt. Een oeroud zeemonster heeft het schip gekaapt! De zelfrelativerende humor, de gore effecten en de amusante vertolkingen tillen deze film boven het straight to video circuit uit en hoewel de finale allesbehalve origineel is (recent zagen we een gelijkaardige scène in Hellboy) zorgt het allerlaatste shot ervoor dat de beweegredenen van Sommers duidelijk worden. Let ook op de "explosieve" muziek van de recent overleden componist Jerry Goldsmith, die de film ongetwijfeld een dienst verleent met zijn auditieve adrenaline opstoot.

Er was een tijd in de jaren '80 dat actiesterren zoals Sylvester Stallone en Arnold Schwarzenegger ongenaakbaar maken. Ze traden op in de grootste pulp en twee voorbeelden in het oeuvre van gouverneur Ah'nuld zijn Walter Hills Red Heat uit 1988 en het volledig foute Raw Deal van John Irvin uit 1986. In Red Heat vertolkt Arnold een Russische agent die een ontsnapte, roekeloze misdadiger op de hielen zit. Hij belandt uiteindelijk in Amerika waar hij zij aan zij met Jim Belushi (?!) de straten van het gespuis moet vrijwaren. Red Heat is een van de meest idiote films die wij ooit aan onze ogen onderwierpen. De openingsscène (waarin Arnold met slechts een onderbroek aan Russische kleerkasten in de vrieskou in elkaar slaat) laat geen twijfel bestaan over het doel van de prent en de structuur van de film, die de gevechten met "fish out of water" humor vermengt, laat geen ruimte voor iets anders dan idiote humor, afgewisseld met door overdreven geluidseffecten begeleidde knokpartijen. Peter Boyle, Laurence Fishburne en Gina Gershon dagen ook op maar zijn volledig overbodig. De scène waarin Arnold in een hotel in Amerika een pornofilm op de televisie ziet en met een overdreven Russisch accent het woord "kapitalisme" mompelt is hilarisch. Zo mogelijk nog dwazer is Raw Deal, waarin we moeten geloven dat onze favoriete Oostenrijkse kleerkast een Zuiderse sheriff is. Een ex-college vraagt om hulp nadat diens zoon door gewetenloze schurken vermoord werd. Arnold infiltreert bij de bende en besluit de vijand van binnen uit te verschalken. De openingsscène toont Arnold die, op de tonen van onvervalste redneck muziek, een overtreder achtervolgt en dé sequentie van deze film is een volstrekt belachelijke maar erg grappige schietpartij waarbij Arnold in zijn wagen, met Satisfaction van The Rolling Stones op de achtergrond, de naamloze slechteriken naar de andere wereld helpt, zonder daarbij ook maar een verwonding op te lopen.

Very Bad Things is een film die bij ons in de vergetelheid raakte en die vooral in Amerika op erg negatieve reacties onthaald werd. De prent werd verweten gemeen en overdreven brutaal te zijn. Wij zullen hier het tegendeel niet bewijzen. Very Bad Things, waarin een vrijgezellenfuif uitmondt in de toevallige dood van een prostituee, is bijzonder duister en vals. De personages gaan door een hel waarin ze gemanipuleerd worden door Christian Slaters Robert Boyd, de nietsontziende zelfbenoemde leider die alles op alles zet om buiten schot te blijven. De cast, waarin we verder Daniel Stern, Jon Favreau, Leland Orser, Jeanne Tripplehorn, Jeremy Piven en Cameron Diaz als een geobsedeerde bruid herkennen, gooien zich zonder nadenken in de strijd in deze zwarte komedie waarin er voor niemand een happy end wacht, zelfs niet voor de hond. Het is een film die zeker niet voor gevoelige zielen is, maar wie een sadistisch anderhalf uurtje kan smaken zal zich best amuseren.

Rob Reiners cult- succes This Is Spinal Tap was het startsein voor een genre dat bekend staat als "mockumentaries", "spottende, valse documentaires". Tap-acteur Christopher Guest regisseerde enkele juweeltjes, zoals het hilarische Waiting For Guffman dat amateurtoneel onder de loep neemt en recent nog A Mighty Wind, over folkzangers. Drop Dead Gorgeous van Michael Patrick Jann hoort eveneens in die categorie thuis en ridiculiseert Miss- verkiezingen. De film speelt als een negentig minuten durende Miss België Achter de Schermen aflevering in het kwadraat. Jaloezie, moord, aanslagen, het is er allemaal. De jury bestaat onder andere uit een pedofiel en een man wiens achterlijke zoon voor problemen zorgt. Kirstie Alley vertolkt de rol van een megalomane ex-Miss die alles op alles zet om haar dochter (Denise Richards) naar de overwinning te helpen. De underdog (Kirsten Dunst) woont samen met haar zuipende moeder (Ellen Barkin) in een woonwagenpark. De personages, die als in een documentaire, tegen de camera praten, zijn vreemd en de acteurs slagen erin om dit gegeven bijzonder leuk uit te werken. De uiteindelijke verkiezingsshow verzamelt alle hilariteit en levert scènes af die het puriteinse Amerika op de korrel nemen (zo danst Richards met "de enige man in haar leven": een aan het kruis genagelde beeltenis van Jezus!).

Regisseur Russell Mulcahy is een man voor wie guilty pleasures niets vreemd zijn. Hij is verantwoordelijk voor hersenloze maar op de een of andere manier leuke filmische misbaksels zoals Ricochet waarin John Lithgow het als gewetenloze moordenaar opneemt tegen Denzel Washington en tekende voor de regie van The Shadow en Highlander II: The Quickening. In Resurrection, een nogal wanhopige poging om het succes van Seven te evenaren, zien we Christopher Lambert als John Prudhomme (what's in a name?), een politie-inspecteur die enkele gruwelijke moorden moet zien op te lossen en tot de wansmakelijke, volstrekt stupide realisatie komt dat iemand het lichaam van Jezus "samenstelt". De film ontpopt zich dan tot een religieuze Frankenstein die Prudhomme tot de rand van zijn geestelijke vermogen brengt als hij twijfelt aan zijn geloof en denkt aan de dood van zijn zoon. Resurrection onderscheidt zich van de ontelbare hoeveelheid serial killer films door het expliciete geweld in de scènes. Bloed wordt niet geweerd en het uiteindelijke aanblik van wat de psychopaat aan zijn muur hangen heeft is kokhalzend gruwelijk. Het is een prent die onbedoeld op de lachspieren werkt maar cast en crew geven zich volledig over aan Mulcahy's waanzinnige mise-en-scène en toveren de film om tot een draaglijke hybride.

Waar John McTiernans Predator nog een erg knap gemaakte en overigens bloedspannende thriller was is Stephen Hopkins Predator 2 niets meer dan een doorslagje van het origineel. Schwarzenegger werd vervangen door Danny Glover en de setting in de jungle werd de grootstad Los Angeles, een ander soort oerwoud. De nooit aflatende actie, schreeuwende drugbazen, levend gevilde lichamen en lustig moordende Predator houden de aandacht vast en de cast, met naast Glover een jonge Bill Paxton, Ruben Blades, B-film icoon Garey Busey en Maria Conchita Alonso (die we nog kennen uit een andere plezant/slechte prent The Running Man) kwijten zich van hun taak. Vooral opvallend is de verbluffende, weinig subtiele muziek van Alan Silvestri die zijn thema's uit Predator verder uitwerkt en compleet met koor de juiste sfeer creëert. De liefhebbers van het recente Alien vs. Predator kunnen trouwens zien waar regisseur Paul W.S. Anderson de mosterd haalde want in deze prent hint Hopkins naar de connectie tussen de twee monsters.

Een film waar Tom Hanks liever niet aan herinnerd wordt - ten onrechte, volgens onze bescheiden mening - is Joe Dante's The 'Burbs. Het verhaal handelt over een kleinburgerlijke, typische Amerikaanse wijk waar de bewoners geconfronteerd worden met nieuwe buren, waarvan ze vermoeden dat het moordenaars, grafrovers en duivelsaanhangers zijn. Tenminste, dat zijn de ideeën van de aanvankelijk sceptische Hanks en zijn kompanen, erg leuk vertolkt door Bruce Dern die hier een legerfanaat neerzet en Rick Ducommun als de zwaarlijvige, fantasievolle Art. In dit overduidelijke product van de jaren '80 slaagt Dante erin om perfect de sfeer van het paranoïde Amerika weer te geven, waarin iedereen die buiten de lijnen kleurt als vreemd wordt beschouwd. Verder draagt de film een onmiskenbare charme met zich mee, als de drie buren hun vermoedens kracht bijzetten door bij de verdachten te spioneren en uiteindelijk zelfs in te breken. In een bijzonder doeltreffend moment gebiedt Hanks' vrouw (Carrie 'Star Wars' Fisher) hem om niet langer deel te nemen aan de kinderachtige praktijken van zijn vrienden. Als die hem komen vragen om mee op onderzoek te gaan en ze van vrouwlief te horen krijgen dat hij niet mee kan, druipen ze af als vijfjarigen wiens vriendje huisarrest heeft. Verder injecteert Dante de prent met verwijzingen naar gotische Hammer Horror en B-films en de luide orgelmuziek van Dante's huiscomponist Jerry Goldsmith laat geen twijfel bestaan over de bedoeling van The 'Burbs, een titel die trouwens slaat op de The Suburbs en geen verwijzing is naar het weinig aantrekkelijke geluid dat vanuit de maag kan voortgebracht worden.

Een van de betere, zo niet dé beste film op deze lijst is Tremors van Ron Underwood uit 1990. Kevin Bacon en Fred Ward zijn twee manusjes-van-alles die in een dorpje in the middle of nowhere geconfronteerd worden met vreemde sterfgevallen. De daders blijken algauw gigantische ondergrondse wormen te zijn die in het schijnbaar grenzeloze woestijngebied door de ondergrond glijden zoals walvissen zwemmen in water. De film speelt als een archetypische monsterfilm en schets de weinige personages in ruwe, half uitgewerkte vormen. De speciale effecten zijn, in een tijdperk voor effectieve computeranimatie, ronduit verbluffend. De look van de monsters is realistisch en de slangachtige tongen die hun slachtoffers in de mensenverslindende muilen sleuren worden knap tot leven gebracht. De te softe, publieksvriendelijke epiloog kan de pret niet drukken want de finale die eraan voorafgaat, waarin alle overlevenden zich tijdens een helse ontsnapping verenigen, is uitstekend. Tremors kreeg drie inferieure vervolgen (én een televisiereeks) die meteen op de overvolle videomarkt gedropt werden. Enkel het tweede deel is min of meer vermakelijk en slaagt er op weliswaar beperkte wijze in om een beetje de sfeer en het enthousiasme van het origineel te benaderen.

Kitscherige B-films met uit hun voegen gebarsten spinnen en ander ongedierte beleefden hoogdagen in de jaren '50 maar vandaag zijn er nog steeds regisseurs die met de huidige technologie dergelijke producties realiseren. Jammer genoeg zijn de meeste van die werkstukken zo afschuwelijk slecht dat ze zelfs in de onderste schappen van de videotheken nog een vorstelijke behandeling krijgen. Een van die films is Spiders uit 2000: een wansmakelijke, overbodige en lachwekkende draak die er toch in slaagt om vooral in de tweede en derde act de juiste toon te treffen. Het hoofdpersonage, een door buitenaardse wezens geobsedeerde journaliste, evolueert in amper negentig minuten van een paranoïde nerd naar een paniekerige babe om uiteindelijk uit te monden in een met raketwerpers jonglerende oorlogsveterane. De plot handelt over astronauten die in de ruimte experimenten uitvoeren met een spin (Schoonmoeder gedoopt). Natuurlijk gaat alles fout, besluit de overheid het incident in de doofpot te stoppen en voor je "buitenaards DNA met vogelspin is geen goed idee" kan zeggen zit onze journaliste, met twee karikaturale collega's in een ondergrondse bunker, op de vlucht voor een flink uit de kluiten gewassen geleedpotige. Waar Spiders eerst een door erg knullige effecten scheefgetrokken freakshow blijkt ontpopt de prent zich toch tot een vermakelijke maar ongetwijfeld tijdens heftig druggebruik uitgedachte hommage/parodie op het genre. De derde act, waarin onze heldin samen met een bekeerde militaire spierbundel de strijd aangaat met de ondertussen Gargantueske spin is pure camp en het hoge nonsensgehalte werkt, vreemd genoeg, aanstekelijk.

Veel beter is Eight Legged Freaks van Ellory Elkayem. Hoewel ook die film het allesbehalve van karakterontwikkeling moet hebben zorgen de best wel geslaagde visuele effecten en de cartooneske sfeer van het geheel (compleet met piepende, kreunende en hoestende spinnen) dat het onmogelijk wordt om het geheel serieus te nemen. David Arquette neemt het er samen met softporno actrice Kari Wuhrer op tegen de spinneninvasie en de kijker zal ongetwijfeld Scarlett Johansson opmerken, in een rol die ze, vrezen we, wegens haar groeiende sterrenstatus misschien liever wil vergeten. Toch hoeft niemand zich om Freaks te schamen. De film werkt, is een waardig eerbetoon aan de monsterfilms van een halve eeuw geleden en gaat overigens gepaard met fantastische filmmuziek van John Ottman, die de hyperkinetische waanzin van de honderden hongerige achtpotige monsters benadrukt met onvervalste tekenfilmmuziek.

Het is belangrijk te onthouden dat guilty pleasures erg persoonlijk zijn. Het gaat vaak om films die het ene moment werken om daarna volledig de mist in te gaan. De producties die hier besproken werden zijn dan ook een erg beperkte selectie uit een steeds groeiende lijst. Geen van hen mag dan wel thuishoren in de "Betere Film" sectie in uw plaatselijke videotheek, ons hebben ze alvast erg geamuseerd.