THE PHANTOM OF THE OPERA

Spook zonder ziel

Foto: Warner Bros. Foto: Warner Bros. Foto: Warner Bros.
Daar staat hij dan, het spook van de opera. Het mismaakte gezicht verborgen achter zijn eeuwig wit masker, de ziel gehuld in een gitzwarte cape. Na meer dan 65.000 voorstellingen in het theater mag hij eindelijk zijn muze Christine bezingen op het witte doek. Het is een mooi weerzien met een schitterende musical, maar toch is regisseur Joel Schumacher er niet in geslaagd het vuur en de gloed uit de musical naar film te vertalen. Het viel te vrezen.

Je hebt Cats, Les Miserables en Miss Saigon, maar voor ons blijft The Phantom of the Opera de moeder van alle musicals. Twintig, misschien wel dertig keer hebben we met open mond, tranen in de ogen en de haren recht overeind naar de musical gekeken, en nog wordt de voorstelling elke keer beter. Een gratis tip: John Owen-Jones, die momenteel in Londen op de planken staat, is misschien wel het beste spook dat we ooit hebben mogen zien. Zijn incarnatie is dramatisch, groots en meeslepend. Van de eerste tot de laatste noot bezorgt hij kippenvel. In de ontknoping van de musical, diep in de kerkers van het operahuis, sterft hij zeker honderd doden voor hij uiteindelijk in zijn grote zetel kruipt en verdwijnt. Wie het échte spook wil zien, moet dan ook dringend een kaartje voor de Eurostar in plaats van voor de bioscoop bestellen.

Zelfs wie niet veel naar musicals gaat kijken, moet enkele liedjes uit The Phantom of the Opera kennen. Of enkele cijfers: zo was het stuk de voorbije achttien jaar in twintig landen te zien, goed voor een publiek van 80 miljoen mensen of een ticketverkoop van 3.2 miljard dollar. Alleen al in het legendarische Her Majesty's Theatre in Londen werd The Phantom 7.000 keer opgevoerd. Op Cats na stond geen enkele musical daar langer op één plaats. Met uitverkochte zalen. Het leverde bezieler en componist Andrew Lloyd Webber meer dan vijftig onderscheidingen op, waaronder drie Olivier en zeven Tony Awards. Dat had Webber wellicht nooit durven dromen, die magische avond van 9 oktober 1986, toen in Londen Michael Crawford en Sarah Brightman voor het eerst de tonen van de nacht zongen.

Een verfilming van de musical (die Webber baseerde op het originele boek van de Fransman Gaston Leroux uit 1910 zat lange tijd in de pipeline, maar bleek in 1990 een uitgemaakte zaak. Michael Crawford en Sarah Brightman zouden hun rollen op het witte doek hernemen. Tot Webber en Brightman, intussen man en vrouw, ruzie kregen en scheidden. De breuk tussen Webber en zijn diva had erg grote gevolgen: het zou nog eens veertien jaar duren voor de film er uiteindelijk zou komen, maar wel zonder de originele vertolkers. Dat zette kwaad bloed bij de musicalliefhebbers van het eerste uur, die zich geen Phantom zonder Crawford (intussen wel al 61) konden voorstellen. Tot hun nog groter ongenoegen was een tijdlang John Travolta grote kanshebber voor de titelrol. Hij verdween op een zijspoor toen Antonio Banderas ter gelegenheid van Andrew Lloyd Webbers vijftigste verjaardag enkele liedjes als spook zong en daar veel indruk mee maakte. De laatste grote kanshebber bleek Hugh Jackman te zijn, die net furore had gemaakt als Wolverine in de X-Men films. Keira Knightley, Charlotte Church, Anne Hathaway en zowaar Katie Holmes deden ooit auditie voor de rol van Christine.

Geen van hen haalde het, net zomin als regisseur Shekhar Kapur (Elizabeth, Four Feathers), die door Warner Bros. als regisseur naar voren werd geschoven. Webber had van in de jaren negentig nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij speciaal regisseur Joel Schumacher voor de verfilming wilde aantrekken. Webber mag veel van musicals afweten, van films heeft hij duidelijk geen kaas gegeten, of het moet zijn dat hij het gedrocht Batman & Robin nooit onder ogen heeft gekregen. Schumacher de Batman-sage in handen geven was destijds een slecht idee, hem tot orkestmeester van deze musical maken zo mogelijk nog slechter. Webber koos voor zijn twee leads uiteindelijk voor twee relatief onbekende acteurs: Gerard Butler (Tomb Raider II) en Emmy Rossum (The Day After Tomorrow).

Het verhaal van The Phantom of the Opera is wellicht wel bekend en op een paar kleinigheden na volgt deze filmadaptatie de theaterversie. In het operahuis van Parijs is het een drukte van jewelste. Terwijl de dansers en zangers het nieuwe stuk Hannibal inoefenen, komt monsieur Lefèvre, de directeur, met de mededeling dat hij op pensioen gaat. De nieuwe leiders van de opera, Firmin en André, zullen vanaf nu de touwtjes in handen houden. Al van bij de eerste repetitie krijgen zij niet alleen af te rekenen met de grillen van de prima donna Carlotta, maar ook met die van het spook van de opera. Een decordoek verplettert ei-zo-na Carlotta, die wegloopt en weigert te zingen.

Dat is de kans voor het jonge balletdansertje Christine Daaé om in het voetlicht te treden. In het geheim krijgt zij lessen van een mysterieuze leraar. Na de première van het stuk, waarin ze glansrijk de lead heeft vertolkt, ontmoet Christine haar oude jeugdliefde Raoul, de burggraaf van Chagny. Hij stelt voor om samen de avond door te brengen, maar dat is buiten het spook van de opera gerekend. Hij vordert zijn leerlinge op en neemt haar mee naar de kerkers van het operahuis, waar hij zich, wegens zijn mismaakt gezicht, sinds zijn jeugd schuilhoudt. Vanaf dat moment wordt Christine heen en weer gesleurd tussen haar liefde voor Raoul en haar bewondering voor het spook. Hij heeft immers een nieuwe opera geschreven en wil dat zij de hoofdrol zingt. De nieuwe bazen van het operahuis hebben intussen hun eigen problemen: het spook zaait dood en verderf.

Het adapteren van een boek of een toneelstuk is een onderneming die bij voorbaat tot mislukken gedoemd is. Hoe goed Peter Jackson bijvoorbeeld de wereld uit The Lord of the Rings naar het witte scherm wist te brengen, altijd zullen diehard-fans overal ter wereld kritiek spuien op de kleinste details. Met deze verfilming van The Phantom of the Opera is het niet anders. Het is wellicht daarom dat regisseur Joel Schumacher zich zo halsstarrig heeft vastgehouden aan het originele concept. Elk detail uit zijn film lijkt zo overgenomen uit de musicalproductie. Op zich is daar niets mis mee; er zijn de voorbije jaren al genoeg vrije en vage Phantom-adaptaties geweest, maar het getuigt toch wel van weinig durf. Joel Schumacher is een regisseur zonder ballen en dat zullen we geweten hebben. Net zoals Chris Columbus geen greintje eigen inbreng had in de wereld van Harry Potter, zo heeft Schumacher blijkbaar geen eigen ideeën over The Phantom of the Opera. Hij regisseert zonder ziel, zonder karakter, zonder passie. Schumacher had gerust The Prizoner of Azkaban eens in zijn DVD-speler mogen schuiven: Alfonso Cuaron bewees met die film dat het ook anders kan.

Een van de weinige vrijheden die Schumacher zich permitteert, is het uitbreiden van de proloog die het hele verhaal inleidt. Hij brengt die beelden, die zich afspelen in 1919, in zwart-wit (het waarom hiervan ontgaat ons compleet). Net zoals in de musical zien we hierin hoe de inmiddels oude Raoul aanwezig is op de openbare verkoop van oude stukken uit het operahuis. Hij koopt onder meer de poster en de muziekbox. Anders dan in de musical, keren we in de film een aantal keren naar deze verhaallijn terug. We zien hoe Raoul met de wagen wegrijdt en herinneringen aan zijn verloving met Christine ophaalt. Deze kadervertelling schraagt het soms fragmentarische verhaal, maar zorgt er ook voor dat de prent een ander einde krijgt. Na de finale verdwijning van het spook, gaat het verhaal nog even verder. Wat er nog juist gebeurt laten we hier in het midden, maar de laatste beelden suggereren alvast hoe het met het spook afgelopen is. Ook nieuw is een redelijk grote flashback waarin Madame Giry vertelt over het trieste verleden van het spook als attractie in het circus en hoe ze hem hielp ontsnappen. Deze scène (die heel wat herinneringen oproept aan John Merricks lot in The Elephant Man) diept hun bizarre relatie wat uit. Fans zullen er lang zoet mee zijn.

Er zijn nog wel meer van die details: Buquet zonder baard is een vreemd gezicht, de spiegelkamer kregen we op toneel nooit te zien en tijdens de kerhofscène blijkt het spook plots heel handig met zwaard in plaats van vuurstok. De scène waarin het stuk Don Juan Triumphant geoefend wordt, blijkt dan weer plots verdwenen en het vallen van de kroonluchter (1.3 miljoen dollar aan Swarovski-kristal) zit op een ander moment in de film. Het is voer voor Phantom-puristen. Wat meer opvalt is dat Schumacher en Webber enkele extra dialogen hebben ingelast. Ze moeten het verhaal draaiende houden, maar desondanks heb je een aantal keren het gevoel dat de film helemaal stilvalt. Schumacher maakt enkele zeer slordige overgangen en schiet qua montage vaak tekort. Het is dan even pijnlijk wachten tot de begintonen van het volgende liedje weerklinken. Alsof je wacht op applaus van het publiek. Eén liedje is volledig nieuw: het door Minnie Driver gezongen Learn To Be Lonely hoor je tijdens de aftiteling van de film, maar enkele tonen van het liedje worden ook al eerder de film binnen gesmokkeld. Het werd net als de rest van de soundtrack door honderd muzikanten, zorgvuldig door Andrew Lloyd Webber zelf uitgezocht, opgenomen in de legendarische Abbey Road Studios in Londen.

Zoals gezegd speelt Joel Schumacher met The Phantom of the Opera teveel op veilig. De decors in het operahuis zijn mooi, maar niet adembenemend; de regie is degelijk, maar niet vernieuwend. Slechts af en toe vang je een origineel idee op. Zo heeft het spook een soort poppenhuisversie van het hele theater waarin hij de personages kan laten bewegen. Schumacher vangt met dit detail niks aan, terwijl er zoveel mogelijkheden in zitten. Scènes zoals het gemaskerd bal vallen, ondanks het budget van 50 miljoen dollar, tegen in enscenering en ogen zelfs op het toneel indrukwekkender. Te vaak heb je de indruk dat je toeschouwer bent: daar spelen acteurs een rol in een film en een opgenomen orkest speelt zijn liedjes. Je zit erbij en staart ernaar. En dat terwijl betrokkenheid een van de sterkste punten van de musical is.

Gerard Butler zet een spook van plastic neer. Met zijn nagelwitte tanden en glimmend zwart haar lijkt hij zo uit een reclamespotje voor tandpasta weggeplukt. Zelfs op het einde van de film blijft hij de afgeborstelde stijve hark, die elke vorm van gespletenheid of passie mist. In plaats van je bij je nekvel te grijpen en in volle horror niet meer los te laten, laat hij je redelijk koud. Butler is een spook zonder vuur. Hij had donkerder, duisterder en angstaanjagender mogen zijn. Operazangeres Emmy Rossum was amper zestien en had naar verluidt nog nooit de musical gezien toen ze de rol van Christine kreeg. Ze zingt als een engel, maar acteert soms wazig en afwezig. Gek dat zowel Raoul als het spook voor haar vallen. Ze mist de uitstraling die we ons bij Christine voorstellen. Maar er zijn ook lichtpunten: Patrick Wilson is meer dan behoorlijk als Raoul en vooral Minnie Driver maakt indruk als Maria Callas-achtige Carlotta. Overacting zoals het hoort. Ironisch dat zij de enige is die haar rol niet zelf zingt. Operazangeres Margaret Preece doet die zware klus voor haar.

Ondanks alle kritiek blijft The Phantom Of the Opera op zich een onverslijtbare musical met tijdloze muziek en een hartverscheurend verhaal. Alleen dat al rechtvaardigt de twee muizen die boven deze recensie staan. Als film valt het allemaal een beetje tegen. Het is jammer dat Webber na achttien jaar op de proppen komt met een prent die niet meer dan goed te noemen valt. Wie rekent op een hele doos Kleenex zal volstaan met een doekje. Wie drie uur lang rillingen in de buik verwacht, mag blij zijn met een occasionele vlinder. Tot overmaat van ramp is de Nederlandse vertaling van de Engelse lyrics vaak tenenkrommend slecht. Wat een paradox: The Phantom of the Opera is een film die je nog het best bekijkt met de ogen dicht.

Titel: The Phantom of the Opera
Genre: Musical
Speelduur: 2u23
Regie: Joel Schumacher
Acteurs: Gerard Butler, Emmy Rossum,Patrick Wilson, Miranda Richardson,Minnie Driver, Ciaran Hinds, SimonCallow, Victor McGuire, JenniferEllison