We maken een sprong in de tijd. In de achttiende en negentiende eeuw maakte de zogenaamde gothic novel school in de literatuur. Het was het vreemde boekje The Castle of Otranto (1764) dat een heel nieuw genre inluidde en in de jaren negentig van die eeuw zijn hoogtepunt zou bereiken met The Mysteries of Udolpho, Caleb Williams (beiden 1794), The Monk (1796) en The Italian (1797). De gotische roman vermengde kenmerken van de detective, het romantische verhaal en de horrorroman en kneedde het tot een eigenzinnig, donker en scherp geheel. Exact honderd jaar later kende het gotische genre een opmerkelijke revival - en die werken klinken ons, de moderne lezer, al een stuk bekender in de oren: The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde (1886) en Dracula (1897). Daarna, in de twintigste eeuw (en vooral na WO II) verspreidde de gothic zich als een lopend vuurtje. Schrijvers als Howard Phillips Lovecraft, Shirley Jackson, Ray Bradbury, Ira Levin en Stephen King tekenden en hertekenden het horrorlandschap. Op het witte doek kregen Dracula en Frankenstein talloze imitators en navolgers.
Gaston Leroux leefde in die magische tijd vol horrorverhalen en sprookjesachtige nachtmerries. De man werd geboren op 6 mei 1868 in Parijs en schreef zijn roman Le Fantôme de l'Opéra in 1910, nadat hij eerder in de advocatuur en journalistiek zijn brood had verdiend. Hij zou zichzelf profileren als een belangrijk vernieuwer van het detective- en horrorverhaal. Op zijn achttiende belandde Gaston Leroux in de binnenstad van Parijs, waar hij, als enige zoon van rijke handelaars, zijn rechtenstudie aanvatte. Hij bracht echter het grootste deel van zijn tijd door met het schrijven van sonnetten, vooral over Parijse actrices. Toen hij een grote erfenis kreeg na het overlijden van zijn vader, stortte hij zich in het nachtleven. Het kostte hem geen enkele moeite om in 's werelds hoofdstad van vertier ten tijde van La Belle Epoque één miljoen Francs in een mum van tijd op te doen. Zonder geld belandde hij bij L'Echo de Paris, waar hij aan de kost kwam als journalist. Leroux schreef rechtbankverslagen, theaterrecensies en reisverhalen. Maar vooral als onderzoekend journalist vestigde Leroux zijn naam. Hij verkocht zijn verslagen nog voordat het verdict in een rechtszaak gevallen was.
Leroux' nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen leverden hem een prestigieuze baan op als reizend verslaggever van het vooraanstaande Franse dagblad Le Matin (1892-1907). Overal ter wereld dook hij op, van Finland, Italië, Egypte en Marokko tot het zuidelijke gedeelte van de Kaspische Zee. Hij maakte vaak gebruik van een vermomming om als eerste het nieuws te kunnen melden, zoals tijdens de Russische Revolutie van 1905. Toen hij dat zwerversbestaan beu was, begon hij met het schrijven van boeken. Leroux bleek een spitsvondig verteller die van vaart en spanning hield.
In 1908 maakte hij zijn debuut met een detective: Le Mystère de la Chambre Jaune. In deze roman introduceerde Leroux de amateur-detective Joseph Rouletabille, die met zijn scherpe opmerkingsgave één van de eerste locked-room-mysteries oploste. Nog datzelfde jaar volgde bij Brentano's de Engelse vertaling en daarmee verwierf Leroux bekendheid als mysterieschrijver. In 1908 schreef Leroux al meteen een sequel, Le Parfum de la Dame en Noir, waarin hij opnieuw Rouletabille en zijn kompaan Sainclair ten tonele voerde. Dat boek (en de vele vervolgen) zouden echter nooit het succes van Le Mystère evenaren. Zestien jaar voor zijn dood schreef Leroux in slechts drie maanden tijd Le Fantôme de l'Opéra. Hij was gefascineerd geraakt door de legende over een mysterieus spook dat onder het Parijse operagebouw zou leven. Zijn roman werd echter nauwelijks gelezen en de verkoopcijfers vielen tegen. Dankzij de verschijning als feuilleton in Franse, Engelse en Amerikaanse kranten trok het toch enige publieke belangstelling. Het verhaal werd echter pas echt bekend na de verfilming van 1925, met Lon Chaney Sr. in de hoofdrol. Men vermoedt dat Leroux deze prent in 1926 nog heeft gezien, maar een jaar later stierf hij (op 16 april) op 59-jarige leeftijd aan bloedvergiftiging. Het echte succes van zijn geesteskind, met de vele verfilmingen en musicals, heeft hij dus niet meer meegemaakt.
Het was een bezoekje aan het Parijse Operahuis dat Leroux ertoe had aangezet om het boek te schrijven. Hij was gefascineerd door het mysterieuze gangenpad dat zich in de kelders bevond en begon al meteen te fantaseren over een mysterieus persoon dat zich in dat labyrint zou kunnen verschuilen. Dat idee combineerde hij met een echt gebeurd feit: het neerstorten van de kroonluchter in de operazaal medio 1896. Wie het boek leest valt het in elk geval op dat Leroux heel zijn boek als waar gebeurd presenteert, een typisch kenmerk van de gothic novel trouwens. Zijn proloog opent hij resoluut: "Le fantôme de l'Opéra a existé." waarna hij de lezer verzekert dat het spook bestaan heeft als een mens van vlees en bloed, hoewel hij het volledige voorkomen van een echte geestverschijning aannam. Even verder schrijft hij nogmaals: "Le fantôme n'était pas un mythe!" Gedurende het verhaal wijst hij er meermaals op dat het tot zijn taak behoort om te bewijzen dat wat hij vertelt met de waarheid strookt. Om de echtheid van zijn verhaal te staven, zegt Leroux gebruik te maken van de memoires van één van de toenmalige directeuren van de Opéra (de Mémoires d'un Directeur van André Firmin). Doorheen het verhaal verwijst hij dikwijls naar Firmins verklaringen. Hij doet ook een beroep op vele andere bronnen, zoals dagbladen (b.v. l'Epoque), onderzoeksdossiers van het openbaar ministerie, documenten van de Pers, de briefwisseling van Christine Daaé, de verklaringen van de vroegere medewerkers van Richard en Moncharmin, van de kleine Meg Giry en van de zangeres Sorelli. Typerend is ook hoe hij de authenticiteit van zijn vertelling probeert te ondersteunen door gebruik te maken van voetnoten.
Om zijn verhaal als echt gebeurd bij de lezer te laten overkomen, probeert Leroux de vreemde gebeurtenissen die zich in de Opéra afspelen, te rationaliseren (een procédé dat al bij Ann Radclif te zien was). Leroux blijft volhouden aan het feit dat de geheimzinnige gebeurtenissen in de Opéra een verklaring hebben. Zo bezit het spook helemaal niet de kracht om iemand door een spiegel te trekken, maar wordt de spiegel door middel van een tegengewicht en een veer als een soort draaideur gebruikt. De Pers legt dit vernuftig mechanisme (wat Eriks hoge begaafdheid bewijst) in het boek uit aan Raoul. Het doodshoofd van Erik blijkt maar een masker te zijn en de ogen die Raoul op het balkon waarneemt, die van een kat (al blijft deze verklaring vaag). De lijken die de Pers en Raoul op de derde verdieping onder het toneel ontdekken, zijn niet echt dood, maar alleen maar door een middel in slaap gebracht. Nog tijdens hun onderaardse tocht op zoek naar het spook, worden de Pers en Raoul geconfronteerd met een vlammend gezicht, dat geen lichaam lijkt te hebben . Later blijkt dat het alleen maar een rattenvanger was, die zijn eigen gezicht met twee lantaren had verlicht om de voor hem uitlopende ratten niet aan het schrikken te maken. De reusachtige nachtvogel die zich verborgen houdt aan de snaren van Apollo's lier (op het dak van de Opéra) is Erik zelf. De duivels die Christine op haar tocht tijdens haar eerste gevangenschap ziet, zijn de vlammen van het vuur van de verwarmingsketels, in een soort van onderaardse smidse. De verlokkende sirene in het ondergrondse meer, is de stem van Erik, die zich met behulp van een lange rietstengel (waardoor hij ademt) onder water verborgen houdt. De muren in de kamer van Christine zijn van holle, geluid dragende bakstenen, zodat Erik zijn stem kan laten horen alsof hij vlak naast haar staat. Enkele van deze verklaringen - die niet in de musical zitten - worden ook door Joel Schumacher in de verfilming gestoken, of er wordt op zijn minst toch naar gehint. Tegenstanders van de film beweren alleszins dat zo een deel van de mysterieuze aantrekkingskracht van de musical verdwenen is.
Het verging Le Fantôme de l'Opéra net zoals pakweg de originele Dracula, Frankenstein, La Belle et la Bête, Notre Dame de Paris of Cyrano de Bergerac: het origineel kwam in de schaduw te staan van de talloze imitaties, verfilmingen en theateropvoeringen. Dat was niet zo heel erg moeilijk, aangezien Le Fantôme de l'Opéra bij zijn publicatie in 1991 maar bijzonder weinig impact had gekend. Hoewel er twee jaar later al een vertaling in het Duits verscheen (Das Geheimnis des Opernhauses) kwam er pas in 1993 (!) een volledige Nederlandstalige vertaling op de markt. Maar het waren uiteraard de vele verfilmingen die de legende bekend maakte bij het grote publiek. De enige versie die Gaston Leroux vermoedelijk zelf nog gezien heeft, is de legendarische verfilming van Universal Pictures uit 1925. Eén man was verantwoordelijk voor het grote succes: Lon Chaney. Chaney was de zoon van doofstomme ouders, en leerde zich uitdrukken door middel van pantomime en mimiek. Toen hij in 1919 opdook in horrormeester Tod Brownings The Wicked Darling, had "The Man of a Thousand Faces" al 38 films achter zijn naam staan. Universal Pictures had in 1923 een enorm succes gehad met The Hunchback of Notre Dame (met Chaney in de titelrol) en het was niet meer dan logisch dat Chaney ook de hoofdrol kreeg aangeboden voor The Phantom of the Opera uit 1925. Volgens de meeste critici zette Chaney meteen de definitieve "Phantom" neer. De ontmaskeringscène werd wereldberoemd, evenals de scène waarin hij als de Rode Dood (de enige sequentie in kleur) het bal masqué onveilig maakt. Deze eerste verfilming sloot heel nauw aan bij het origineel. Alleen de slotsequentie werd veranderd. Omdat de indrukwekkende decors van The Hunchback nog niet afgebroken waren, besloot men dat The Phantom dood gestenigd zou worden, vlak voor de kathedraal van de Notre Dame.
De twee volgende verfilmingen bleven relatief onbekend en zonder succes: Rupert Julians versie uit 1925 en John S. Robertsons versie uit 1931. Interessanter is de Universal-remake uit 1943 van Arthur Lubin, de eerste verfilming met spraak (de musical-sequenties en overdadige kostumering schroefden het budget op naar 1.750.000 dollar). Erich Taylor en Samuel Hoffenstein tekenden voor het script, waarin het spook luistert naar de naam Enrique Claudin. Hij is een vioolspeler, wiens carrière op de helling staat omdat hij aan artritis leidt. Om de zanglessen voor zijn geliefde Christine te kunnen betalen, begint hij zelf te componeren. Wanneer hij hoort dat anderen met zijn composities succes hebben, stormt hij vol razernij naar de directeuren. Daar krijgt hij een bijtend zuur in het gezicht. Ontgoocheld en voor het leven verminkt trekt hij zich terug in de catacomben van het operagebouw. Van daaruit blijft hij Christine vereren. Om haar carrière vooruit te helpen, vergiftigt hij de prima donna en daarna haalt hij Christine naar zijn onderwereld. Daar blijkt dat Enrique en Christine elkaar van vroeger kennen en ze blijft bij hem. De volgende Phantom-verfilming, was een bloedige Mexicaanse versie, El Fantasma de la Opereta.
Terwijl Dracula zonen, vrouwen, dochters en broers kreeg en ontmoetingen had met onder meer Frankenstein, ging men ook steeds meer rond de Phantom-mythe improviseren. Zo verlegde de goedkope Hammer-versie uit 1962 van genre-specialist Terence Fisher de actie van het Parijse naar het Londense operagebouw en maakte Brian De Palma in 1974 voor 20th Century Fox een rock-versie met Paul Williams in de hoofdrol. Een tv-productie uit datzelfde jaar, Phantom of Hollywood, situeerde het verhaal in een Hollywood-studio. In de verfilming van Robert Markowitz uit 1983 was het spook een Hongaarse zangleraar. In 1988 kwam er eveneens een vrije bewerking: Phantom of the Mall - Eric's Revenge, dat zich zoals de titel laat vermoeden afspeelt in een winkelcentrum. Dwight H. Littles versie uit 1989 kon rekenen op horrorfenomeen Robert Englund (Freddy Krueger uit de oneindige Nightmare on Elm Street- films). Hier draagt het spook geen masker, maar hecht het stukjes dood vlees aan zijn gezicht, om zijn mismaaktheid te verbergen. Het spook dook de jaren negentig in met een versie van Tony Richardson, waarin Charles Dance het spook speelt, maar eigenlijk de grootste credit moet laten aan Burt Lancaster, die Christines vader speelt. Weinig bekend is Ronnie Yu's Oosterse versie The Phantom Lover. Ook horrorkoning Dario Argento waagde zich nog niet zo lang geleden aan zijn interpretatie van het verhaal. Zijn dochter Asia speelde Christine, maar vooral Julian Sands ging totaal over the top als Phantom.
Een verhaal dat zich afspeelt in een opera-gebouw, is natuurlijk ook ideaal voor een enscenering op toneel. In 1935 werd een versie van Leroux' verhaal gebracht in het Little Theatre in Londen. In 1975 speelde The Actors Compagny een toneelversie van het verhaal. De Engelsman Kenn Hill was de eerste die van het verhaal een musical maakte (1976). Yester en Kopit voltooiden hun versie in 1985. In 1990 kwam The Hirschfeld Phantom of the Opera, waarin het spook alleen maar bestaat in de verbeelding van Christine. Een licht-erotisch getinte versie kwam er in 1991 met Drury Lane's Phantom of the Opera. Hierin wordt Erik als het broer van Raoul voorgesteld. In de eindsequentie kust Christine niet alleen het spook, maar ze helpt hem ook zijn shirt uittrekken. John Kenley's Phantom of the Opera (1989) en The Pinchpenny Phantom of the Opera, bleven relatief onbekend.
De bekendste musical-versie werd die van Sir Andrew Lloyd Webber uit 1986 (met teksten van Charles Hart). Webber, meervoudig Tony Award en Grammy winnaar, had voor zijn Phantom of the Opera al wereldsuccessen gehaald met onder meer Jesus Christ Superstar (1971), Evita (1976) en Cats (1981). De première van The Phantom of the Opera vond plaats op 9 oktober 1986 in Londen. Het succes was overrompelend en er volgden producties in onder andere New York, Los Angeles, Wenen, Toronto, Stockholm, Hamburg, Melbourne, Sydney, Chicago, Washinghton DC, Atlanta, Boston, Detroit, Dallas, Tokyo, Osaka, Nagoya, Ohawa, Vancouver, Montreal en Calgary. Op 15 augustus 1993 ging in Scheveningen de Nederlandse versie (met Henk Poort in de rol van het spook) in première. De musicalversie leunt opvallend sterk aan bij het originele verhaal van Gaston Leroux. Het grote verschilpunt is het ontbreken van de figuur van de Pers en de toevoeging van een proloog, waarin Raoul dertig jaar later de neergestorte kroonluchter koopt. Opvallend zijn de vele technische hoogstandjes, die de toeschouwer van de ene verbazing in de andere laat vallen. Niet voor niets wordt Erik in het boek de Meester der illusie en goochelkunst genoemd. Gaston Leroux' spook is ook vandaag de dag nog een inspiratiebron voor schrijvers. Zo publiceerde Terry Pratchett onlangs zijn roman Maskerade. Zelfs Las Vegas knielt voor het spook, want dezer dagen bouwt men in de gokstad aan de productie van een 90 minuten durende versie van The Phantom of the Opera in het casinohotel Venetian. 25 miljoen dollar kost het theater. Het spook moet er vanaf de lente van 2006 de harten sneller doen slaan.
Dat de legende van het spook zich verder zet - ook na Joel Schumachers versie - bewijst een grappige anekdote. Toen in juli 1980 in het Metropolitan Opera House in New York een mooie violiste werd vermoord, vermeldden de krantenkoppen onmiddellijk dat er een nieuw spook van de Opéra rondsloop. De politie dacht dat de verdachte in nauwe verbinding stond met het theater, net als het oorspronkelijke spook met de Opéra in Parijs. Hun veronderstelling bleek juist. Twee dagen later werd een 22-jarige toneelknecht, Craig Crimmins, die dolverliefd was geworden op de jonge violiste, gearresteerd en beschuldigd van moord. Net als voor de oorspronkelijke Erik kende deze obsessie voor hem geen gelukkig einde.