FILMJAAROVERZICHT 2004

The Year Hollywood Stood Still

fotomontage Erwin Taets (Foto: resp. owners) Foto: resp. owners
2004 bleek vooral het jaar waarin Hollywood stil bleef staan. Met de afwezigheid van een Lord of the Rings-film om de gapende wonde die in het eindejaarsaanbod werd geslagen op te vullen zagen we hoe studio's wanhopige pogingen ondernamen om een eigen franchise aan de filmliefhebbers op te dringen. Dat resulteerde in een heleboel plannen en ideeën, die pas tot uiting zullen komen in 2005 en 2006, waardoor we in 2004 vooral opgezadeld bleven met pseudo-epische producties die, sterk geïnspireerd door de commerciële triomf van Gladiator uit 2000, het succes van Ridley Scotts gladiatorenepos wilden herhalen.

Het begon al met The Last Samurai van Edward Zwick, waarin Tom Cruise fout gecast verloren liep als een gedesillusioneerde, dronken soldaat die zichzelf terugvindt als gevangene bij de samoeraikrijgers die hij moest bevechten en verslaan. Alle promotiefilmpjes waarin ons werd duidelijk gemaakt dat dit geen Dances With Samurai was ten spijt, is dat precies wat we met deze film onder ogen kregen. Anthony Minghella's Amerikaanse Burgeroorlog-drama Cold Mountain was een lang niet slechte maar toch teleurstellende, te uitgesproken voor de oscars gefabriceerde prent waarin de erg middelmatige, gruwelijk overschatte Renée Zellweger de aandacht van de wel goede acteerprestaties van Jude Law, Philip Seymour Hoffman, Brendan Gleeson en Natalie Portman wegtrok. Met Troy slaagde Wolfgang Petersen er niet in om een aanvaardbare adaptatie van de Ilias op het witte doek te toveren maar terwijl de film op momenten een weinig subtiele aaneenschakeling van mannentorso's leek, de nagenoeg volledige afwezigheid van de goden voor controverse zorgde en de prachtige filmmuziek van Gabriel Yared vervangen werd door haastig in elkaar geflanste composities van James Horner, schuilt er gelukkig toch een vaak aangename, met alle middelen die Hollywood kan oproepen gerealiseerde actieprent in Troy waarin de meubelen gered worden door Eric Bana als Hector, Sean Bean als Odysseus en Brian Cox die als Agamemnon schaamteloos de term "chewing the scenery" alle eer aandoet. Brad Pitt als Achilles leidt aanvankelijk af maar hij weet zich nog staande te houden in deze erg simplistische maar onschadelijke "historische" film. Antoine Fuqua's King Arthur kan op minder sympathie rekenen en hoewel de oorlogskreten van Ray Winstone en de schaarse outfits van Keira Knightley ons even konden bekoren, deden de emotieloze vertolking van Clive Owen, het mislukte "realisme" van het verhaal, de zwalpende plotwendingen, minderwaardige actiescènes, bloedloze knokpartijen en idiote schurken ons huiveren.

Een vaste waarde binnen het bioscoopaanbod is en blijft de "comic book movie". Het ziet er niet naar uit dat films gebaseerd op stripverhalen zullen verdwijnen en slechts een door de critici én het publiek verguisde draak zoals Batman & Robin uit '97 kan een einde maken aan de vloedgolf van superheldproducties. De grootste commerciële triomf in dat subgenre was Sam Raimi's Spider-Man 2, een in bijna alle opzichten geslaagde sequel waarin Raimi's kinetische regie hoogtij vierde. De ster van die film was de overigens veel te weinig op het scherm aanwezige Alfred Molina als Dock Ock en Raimi's goede regie werd enkel onderuitgehaald door een langdradige tweede act waarin karakterontwikkeling verward werd met overdadige herhalingen en pompeuze dialogen. Met Hellboy voelden de liefhebbers van de alternatieve Amerikaanse strip zich aangesproken maar hoewel regisseur Guillermo Del Toro er een leuk werkstuk van maakte en in Ron Perlman de perfecte hoofdacteur vond, wisten velen niet wat ze in hemelsnaam aan het bekijken waren. Wij voorspellen een cult- reputatie in de huisbioscoop. In het alternatieve filmcircuit werden we met American Splendor, gebaseerd op het werk van Harvey Pekar, en het op een mangastrip geïnspireerde Oldboy verwend terwijl Jan Kounen met de los op de gelijknamige strip gebaseerde psychedelische western Blueberry volledig de mist inging.

Een opvallende en door ons toegejuichte evolutie was de heropbloei van het zombiegenre. In 2003 had Danny Boyle zijn kans gewaagd met het apocalyptische, harde 28 Days Later (strikt genomen geen zombiefilm) maar in 2004 kregen we enkele zeer leuke producties te zien. In de videoschappen verscheen het Australische Undead en in de bioscoop waren we aangenaam verrast door de opvallend geslaagde Dawn of the Dead remake die na de sfeervolle proloog en de toonaangevende begingeneriek (bijgestaan door Johnny Cash's fantastische The Man Comes Around) een spannende, ongegeneerd gore horrorthriller bleef. Dat de zombies hardlopers waren vergaven we dan ook graag. Nog veel beter en tot onze grote spijt amper in de zalen te zien was de Britse romantische zombiekomedie Shaun of the Dead. De jonge Edgar Wright regisseerde met verbazingwekkend zelfvertrouwen dé ultieme ode aan de zombietrilogie van George A. Romero en kon daarbij rekenen op subliem komisch talent van Simon Pegg, Nick Frost (beiden uit o.a. Spaced), Lucy Davis (The Office) en Dylan Moran (Black Books) om er maar een paar te noemen. Het resultaat is een intelligente, door de internetgemeenschap liefdevol in de armen gesloten hommage waarin vele filmverwijzingen verborgen liggen in een goed uitgedacht, grappig en niet van drama verstoken plot.

Ook de western leek even aan een revival toe met het eerdergenoemde Blueberry, het door Ron Howard verdienstelijk gerealiseerde The Missing en de comeback van ene Kevin Costner, wiens Open Range een opvallend rustige - ongetwijfeld vaak als saai geïnterpreteerde - archetypische "cowboyfilm" was en waarin de onuitgesproken strijd tussen goed en kwaad tegen de achtergrond van een symbolisch benutte storm culmineert in een realistisch vuurgevecht.

Controverse was ook niet uit de bioscopen weg te denken en als er twee films zijn die het huidige wereldbeeld bepaalden dan zijn het Mel Gibsons The Passion of the Christ en Michael Moore's Fahrenheit 9/11 wel. De eerste, een bloeddorstig verslag van de laatste levensuren van Jezus Christus, mocht dan wel interessant zijn, het gebrek aan duiding en de inhoudelijk weinig gedurfde aanpak maakte van de Passion eerder een curiosum waarin een knap acterende Jim Caviezel de meubels niet kon redden. De heisa die ontstond rond de portrettering van het joodse volk en de gewelddadige scènes in de film deden afbreuk aan de kern van de zaak; dat de Passion een erg middelmatige interpretatie was van Gibsons obsessie. In Amerika werd de film een gigantische hit toen verschillende katholieke groeperingen steeds weer opnieuw naar de film gingen kijken en het was ongetwijfeld dezelfde bevolkingsgroep die George Bush terug het Witte Huis instemde. Dat brengt ons uiteraard bij Fahrenheit 9/11, Moore's zelfverklaarde aanval op Bush. Met zijn documentaire wist de linkse tegen de schenen van rechts Amerika schoppende documentairemaker film met politiek te verenigen maar de propagandistische, weinig subtiele wijze waarmee hij zijn punt onderbouwde nam net datgene weg wat de film een triomf had kunnen maken. Moore beweerde dat hij in de preekstoel zat voor de rechtse, Bush-steunende bevolking maar feit is dat die hun mening over Moore al lang gevormd hadden. Wij, in het overwegend linkse en gematigde Europa waren overwegend akkoord met wat de man te vertellen had, maar het goedkope natrappen en de herbevestiging van Bush's stupide gedrag miste, hoe grappig ook, het beoogde effect. Beide films zonken dan ook een beetje weg in de hype maar ze zijn beiden verplichte kost voor elke zichzelf respecterende filmliefhebber en waardevolle addities voor elke huisbioscoop.

2004 bracht ook het fel geanticipeerde Kill Bill Volume 2. In scherp contrast met Volume 1 uit 2003 stond dit tweede deel in Quentin Tarantino's saga bol van dialogen en scènes die de plot nergens verrijkten. Dat de film werkt is op zich een wonder te noemen. Weg is de adrenaline voortstuwende actiewaanzin van The House of Blue Leaves uit deel een en blikvangers zijn het hondsbrutale amazonegevecht tussen Uma Thurman en Daryl Hannah, de flashback naar de opleiding bij de hilarische Pai Mei en de scène in het graf. De uiteindelijke confrontatie met Bill (David Carradine) is op zijn minst verrassend te noemen en de acteerprestaties van Thurman, Hannah en vooral Michael Madsen als Bill's broer Bud zijn prima.

De zomer werd als vanouds gedomineerd door bombastische actiespektakels zoals het groteske Van Helsing, een film die zelfs de innerlijke negenjarige monsterliefhebber in ons een stuiptrekkende dood liet sterven, het door clichés gefundeerde The Day After Tomorrow (toegegeven, voor vloedgolven in grote steden zijn wij altijd te vinden), het tot onze grote verbazing best plezante I, Robot (de plot mag dan enkel gesuggereerd zijn door schrijver Isaac Asimovs verhaal, we herkennen een pretentieloze actiefilm als we er een zien) en de wel heel erg middelmatige Pitch Black spin-off The Chronicles of Riddick; een bedroevende, ondoordachte sciencefictionfilm die het eerste deel van een drieluik moet vormen.

De Spaanssprekende regisseurs sloegen keihard toe en terwijl we genoten van Walter Salles' The Motorcycle Diaries, amper konden geloven hoe Alfonso Cuaróns Harry Potter and the Prisoner of Azkaban een van onze favorieten van het jaar werd, grinnikten bij de spectaculaire nonsens die Guillermo Del Toro met Hellboy op het publiek afvuurde en ons lieten meevoeren met Alejandro González Iñárritu's 21 Grams, bleven we op onze honger zitten bij het werk van de zogeheten meester Pedro Almodóvar. Zijn La Mala Educación was een oninteressant, vals controversieel drama waarin Almodóvars zo vaak benutte en anders wel geslaagde travestietenfetisj niets meer dan een gimmick werd.

De Vlaamse film mag dan wel niet zo op de voorgrond getreden zijn als in 2003, toen De Zaak Alzheimer door de nationale pers (te) hoog opgehemeld werd, met Steve + Sky hebben we er een, overwegend Gents, leuk werkstuk bij, dat alleen al om Johan Heldenberghs hilarische vertolking meer dan de moeite waard is. Ellektra van Rudolf Mestdagh werd kritisch verguisd en Lieven Debrauwers Confituur werd door de op de première uitgenodigde politici die slechts een film per jaar zien omdat ze er toch niet voor hoeven te betalen unaniem gewaardeerd, kritische eerlijkheid gebiedt ons, misschien weinig respectvol, te melden dat Confituur een film van en voor oude wijven is.

In de kleurrijke wereld van de animatie zagen we hoe Shrek 2 een internationaal geprezen megasucces werd en onze mening is dat, hoewel de grappen niet meer zo fris waren als in het eerste deel, de toevoeging van het door Antonio Banderas stem en persoonlijkheid gegeven Puss 'n Boots personage erg veel goed maakte. Het eveneens door Dreamworks geproduceerde Shark Tale was minder geslaagd, door het te breed uitgesmeerde stemmenwerk van beroemdheden zoals Will Smith, Robert De Niro en Angelina Jolie, en de nadruk op periodegebonden popdeuntjes waardoor deze maffiaparodie wat ons betreft, bij de vissen mag slapen (see what we did here?). De animatiestudio Pixar oversteeg dit alles met The Incredibles, de beste film die we van hen gezien hebben sinds de originele Toy Story en een ongeëvenaarde triomf die de humor van The Simpsons en het hart van The Iron Giant (regisseur Brad Bird werkte aan The Simpsons en realiseerde eerder Giant) vermengt met spectaculaire actie, sublieme visuals, een stemmencast die de aandacht nooit van de personages afleidt (vooral Holly Hunter en Craig T. Nelson als het echtpaar Parr zijn fenomenaal) en een verhaal dat uitmondt in de beste superheldenfilm die wij ooit zagen (zelfs het door fans aller landen als goddelijke entiteit vereerde Superman uit 1978 - voor velen de ultieme stripverfilming - met de jammerlijk overleden Christopher Reeve moet hierin zijn meerdere herkennen). Minder aangenaam was de stille dood die de klassieke animatie stierf. Met Brother Bear en Home on the Range maakten de bonzen bij Disney een einde aan de ingrediënten die hen groot hebben gemaakt. Hopelijk blijkt er waarheid in reïncarnatie te schuilen!

Meesters van het witte doek verdwenen op de achtergrond. Zo zagen we hoe Jean-Jacques Annauds Two Brothers, hoewel mooi, niets meer was dan een thematische herhaling van zijn eerdere L'Ours, gingen Joel en Ethan Coen op het door Intolerable Cruelty ingeslagen pad verder met het grappige, maar ietwat onbegrepen The Ladykillers, kon Jean-Pierre Jeunet het succes van zijn Le Fabuleux Destin d'Amélie Poulain niet evenaren met het aangename maar nodeloos in diverse plots verstrengelde Un Long Dimanche de Fiançailles en flopte Steven Spielbergs The Terminal, een bijzonder zeemzoete maar best te genieten tragikomedie die meer onder de oppervlakte borrelen had dan de overbodige romance en de in de promotiefilmpjes te benadrukte slapstickmomenten lieten vermoeden.

Gelukkig deed Michael Mann onze filmadorerende harten sneller slaan met zijn op het eerste gezicht eenvoudige maar psychologisch en cinematografisch knap uitgewerkte Collateral (het was tevens ook de film waarmee Tom Cruise de vieze nasmaak van The Last Samurai deed vergeten) en wiste Jonathan Demme de blaam in zijn oeuvre die The Truth About Charlie heet en gaf ons het nergens opzienbarende maar eenvoudigweg goede The Manchurian Candidate.

Op het alternatieve front (bij gebrek aan een betere beschrijving) genoten we van American Splendor (elke film waarin personages discussiëren over Revenge of the Nerds is een winnaar!), vonden we het fantastisch om Bill Murray terug in goede doen te zien in Lost in Translation, waren we onder de indruk van Birol Ünels vertolking in Gegen die Wand (een favoriet van alle elitaire critici maar hoe goed we die film ook vonden, in het tweede uur verslapte onze aandacht), prezen we Michel Gondry's Eternal Sunshine of the Spotless Mind de stratosfeer in en verbaasden we ons over de hoge kwaliteit van Nobody Knows en de onweerlegbaar indrukwekkende acteerprestatie van de jonge Yûya Yagira.

Gelachen hebben we met Richard Linklaters School of Rock (een bijzonder doeltreffende en leuke, door Jack Blacks capriolen voortgestuwde komedie die ten onrechte als een Death Poets Society met en voor kinderen werd bekeken), de ridicule serial killer onzin van Taking Lives, de zwartkomische humor van Duplex (het mag dan wel niet kritisch of zelfs humaan zijn, Danny De Vito's komedie is een van de weinige films die de gemene trekjes van sommige bejaarden aankaart) en de door Billy Bob Thornton gespuwde beledigingen in Bad Santa.

Minder positief is de opmars van de tienermeisjesbrigade, aangevoerd door angstaanjagende, samengestelde poppetjes zoals Lindsay Lohan, Hilary Duff (is dat geen biermerk uit The Simpsons?) en hun wansmakelijke, hersenloze excuses voor filmverspilling. De tienerkomedies, die we middels een lobotomie uit het geheugen willen bannen, zijn talrijk maar met The Girl Next Door wisten we ons nog anderhalf uur lang te vermaken, hoewel dat, vergeef ons deze opmerking, natuurlijk ook aan de voluptueuze verschijning van Elisha Cuthbert kan gelegen hebben.

2004 was ook het jaar waarin iconen uit de filmwereld dit eindige bestaan voor de eeuwigheid en de groeiende legende rond hun persoon hebben ingeruild. Janeth Leigh schreeuwt in de douches in de hemel, Jerry Goldsmith componeert voor de goden, de acteur der acteurs Marlon Brando was meer dan een "contender" en Christopher Reeve zweeft als nooit tevoren tussen de wolken. Het zijn slechts enkele namen uit een veel te lange lijst maar we vinden troost in het werk dat ze achterlieten, voor altijd te bewonderen.

Het jaar samenvatten is niet eenvoudig: 2004 mag dan nog zo divers geweest zijn, met een veelheid aan genres en stijlen die aan bod kwamen, middelmatigheid overheerste en dat zagen we in talloze stripverfilmingen, sequels, remakes en adaptaties. De commerciële cinema viel in een kwalitatieve dip, waarin entertainment soms ver te zoeken was, en de onafhankelijke, of niet-Amerikaanse film, kon elitarisme en pretensie niet altijd vermijden. In de puriteinse kringen van Amerika (we willen uiteraard niet iedereen over dezelfde kam scheren) broeiden absurde controverses over vermeende pedofilie in het erg onderschatte Peter Pan en Birth, nieuwe technieken zoals motion capture (een term die in het lexicon van elke filmliefhebber werd toegevoegd door Gollum in The Lord of the Rings en dit jaar benut voor I, Robot en The Polar Express) staken de kop op, we zagen de geboorte van nieuwe sterren zoals Eva Green in The Dreamers, Gael García Bernal in The Motorcycle Diaries en La Mala Educación, Scarlett Johansson in Lost in Translation en Girl with a Pearl Earring en Bryce Dallas Howard in het sfeervolle The Village, gevestigde waarden zoals Denzel Washington, Meryl Streep en Johnny Depp bevestigden hun klasse, Tim Burton wist ons te ontroeren met het magische Big Fish en het genre van de horrorfilm keerde terug naar de hardere aanpak van de jaren '70.

En zo beseffen we dat nog lang niet alles verloren is. Een terugblik wijst erop dat we ons best hebben geamuseerd, dat met alle kritiek en opmerkingen in gedachten film nog steeds ons favoriete medium is, waarin alles mogelijk is. Er is ruimte voor alles en iedereen en grenzen zijn overbodig. We sluiten de boeken en schenken het jaar aan de geschiedenis. 2004 is dood, lang leve 2005! Het belooft een al even veelzijdig filmjaar te worden met gigantische producties zoals War of the Worlds, Batman Begins, Kingdom of Heaven en King Kong die als opvallende bakens in een zee van onopvallend lijkende producties drijven. Wie zich dicht genoeg waagt kan er juwelen vinden. Het wordt uitkijken naar dubbele porties Tim Burton en (hopelijk) Terry Gilliam, epische ridderverhalen, hongerige wezens, onmogelijke liefdes, diepgravende karakterportretten en tot de verbeelding sprekende vistas!

Wij van Moviegids wensen jullie allemaal fantastische eindejaarsfeesten en een prachtig 2005!