REEKS: DE OSCAR VOOR DE BESTE BUITENLANDSE FILM

Deel II: de jaren vijftig

La Strada (Foto: Ponti) Mon Oncle (Foto: Gaumont) Rashomon (Foto: Daiei Studios)
De Academy bekroonde in de jaren vijftig belangrijke, eigenzinnige films van grote cineasten. Films van Ingmar Bergman, René Clément en Federico Fellini kregen een beeldje en maar liefst drie Japanse films werden gelauwerd.

De Maagdenbron is de eerste film van Ingmar Bergman die een Oscar won. De film won ook de Golden Globe voor beste niet-Engelstalige film en kreeg een oscarnominatie voor de kostuums. Met Het Zevende Zegel vormt De Maagdenbron het zogenaamde middeleeuwse tweeluik in de filmografie van de Zweed. Voor een filmmaker die geassocieerd wordt met zwaarmoedigheid, mystiek en duistere symboliek is De Maagdenbron een behoorlijk gewelddadige film. Hij grijpt terug op een Middeleeuwse legende waarin een boerendochter op weg naar de kerk wordt verkracht en vermoordt. De daders, twee schaapsherders, vragen vervolgens onderdak bij een boer. Ze weten niet dat hij de vader is van het vermoorde meisje. De boer neemt wraak. Aan het eind van de film richt hij zich tot God. Hij begrijpt niet hoe Hij heeft kunnen laten gebeuren dat zijn maagdelijke dochter werd verkracht en vermoord. Hij begrijpt nog minder hoe hij eigenhandig de daders heeft kunnen dode. Hij vraagt om vergiffenis en krijgt die ook. Op de plek waar zijn dochter is vermoord, ontspringt spontaan een bron.

De film is een belangrijke bron geweest voor Wes Cravens cultfilm Last House on the Left uit 1972. Wes Craven maakte drugdealers van de herders en de meisjes gaan niet naar de kerk maar naar een popconcert. Aan De Maagdenbron werkte een aantal mensen mee de het gezicht van de Scandinavische film zouden bepalen. Max Von Sydow speelt de hoofdrol. Hij deed dat ook in de latere oscarwinnaars Through a Glass Darkly (Ingmar Bergman) en Pelle de Veroveraar (Bille August). Hij werkte in totaal dertien keer met Ingmar Bergman en bouwde een succesrijke Hollywoodcarrière op. Von Sydow speelde rollen in The Exorcist, Three Days of the Condor, Never Say Never Again, Dune, Hannah and Her Sisters en Minority Report. Sven Nykvist is een andere trouwe medewerker van Bergman. De director of photography maakte 23 films met Bergman. Nykvist won in zijn loopbaan twee Oscars, allebei voor zijn werk in Bergmanfilms: Fanny och Alexander en Cries and Whispers. In de jaren tachtig en negentig werkte Nykvist regelmatig samen met Woody Allen, de grote Bergmanliefhebber. Woody Allen inspireerde zich voor zijn A Midsummer Night's Sex Comedy op Bergmans Glimlach van een zomernacht uit 1955. Ingmar Bergman is zelf een grote fan van La Dolce Vita, de klassieker uit 1960 van Federico Fellini. Gek genoeg won die geen oscar. Vier andere films van Fellini deden dat wel. La Strada was daarvan de eerste.

Giulietta Masina
Gelsomina wordt door haar moeder voor 10 000 lire verkocht aan Zampano, een rondreizende artiest. De krachtpatser verdient zijn geld door met zijn borstkast ijzeren kettingen te breken. Gelsomina is zijn assistente. Ze kondigt hem aan en zorgt voor het tromgeroffel. Ondanks de brute behandeling van het wat achterlijke meisje raakt ze gehecht aan haar baas en gaat ze misschien wel een beetje van hem houden. Wanneer ze op een dorpsplein waar ze De Gek ziet optreden, een arrogant-intelligente evenwichtsartiest. Zampano en Gelsomina reizen vanaf dan mee met het circus van De Gek. De confrontatie tussen De Gek, Zampano en Gelsomina zal leiden tot een tragische ontknoping.

La Strada is een road movie met een ontroerend eenvoudige plot. Fellini gebruikt drie symbolische personages om een aantal filosofische en psychologische thema's aan te pakken. De Gek is de verpersoonlijking van het verstand, Zampano van de kracht, Gelsomina van de ziel. Ze botsen onophoudelijk en lijken onverzoenbaar. Daarnaast is La Strada een film over de universele angst voor de vrijheid: Gelsomina kan Zampano verlaten, De Gek biedt haar de mogelijkheid een nieuw leven te beginnen maar ze blijft waar ze is, in haar bekende wereld, als een laboratoriumrat in zijn kooi.

De Amerikaan Anthony Quinn was al een ster toen hij de rol in La Strada aanvaardde. Hij had net een Oscar gewonnen voor zijn bij rol in Viva Zapata! van Elia Kazan. Quinn is indrukwekkend als de schrikbarende, slechtgemanierde, agressieve, mishandelende simpele straatartiest. Een man die te laat beseft dat hij misschien wel houdt van de vrouw die hij slaat en mishandelt, een slachtoffer van zichzelf en zijn omgeving.

Een andere Amerikaan speelde de Gek. Richard Basehart was na La Strada nog te zien in Moby Dick, The Brothers Karamazov en Hitler uit 1962. Hoe goed Quinn en Basehart ook zijn, de ster van de film is Giulietta Masina. Zampano's kracht, onvoorspelbaar borrelende woede, zijn onvermogen menselijke warmte te geven en te voelen, de schrik zich één enkel moment zwak op te stellen zijn indrukwekkend. Basehart is perfect als de superieure kunstenaar die Gelsomina's ogen opent en het tegelijkertijd niet kan laten haar en Zampano te sarren. Het is sterker dan hemzelf. De Gek en Zampano draaien rond Gelsomina met haar grote zielig grappige ogen, haar naïeve ideeën, pure gevoelens en groeiend zelfbewustzijn. Gelsomina is een clown die de pijn verbergt achter schmink en grappen. Masina, de echtgenote van Fellini, was het alter ego van het frêle, kwetsbare, kinderlijke deel van de regisseur.

Eén jaar na La Strada bekroonde de Academy een andere film van Fellini. In Notte di Cabiria speelt Giulietta Masina opnieuw de hoofdrol. Fellini toont zich volledig bevrijd van de invloeden van het neorealisme. Cabiria is een hoertje in een arme wijk in Rome, op zoek naar de liefde en respect. Ze is een beetje sentimenteel en eeuwig positief. Fellini liet zich inspireren door The Little Tramp uit Charlie Chaplins City Lights. Bij Chaplin is het om te lachen, bij Fellini soms, niet altijd. Het is vooral het verhaal van een overlever die zich niet laat ontmoedigen, doorgaat, diep in de miserie geraakt, maar blijft lachen. Fellini laat geen plaats voor zelfmedelijden; Cabiria zet haar masker nooit af. Ze valt niet uit haar rol. Fellini laat het lot van Cabiria open. De regisseur bleef nog jaren piekeren over het personage. Masina had hetzelfde personage al eens gespeeld in Lo Sceicco bianco (De Witte Sjeik), ook van Fellini. De muziek van La Strada en Le Notti di Cabiria is geschreven door Nino Rota. Hij deed dat voor zowat alle films van Fellini. Vijftien jaar na La Strada zou Rota's muziek van The Godfather hem onsterfelijk maken.

Na zijn twee oscarwinnende films was Fellini een fenomeen. Hij was het genie, Giulietta Masina was de ster. "Gelsomina is het van wie ze houden en zij probeert hun liefde en hun verwachtingen te beantwoorden. Ze is een grote ster en ze weet hoe ze zich als zodanig moet gedragen. Het is een feit dat ik in die zin niet populair ben. Mijn films zijn geen populaire films. Ik heb het niet over La Strada of La Dolce Vita. Sinds Otto e Mezzo zijn de films die ik maak niet meer populair, al ben ik wel een populair regisseur geworden. Ik heb nu de reputatie verworven van een regisseur wiens films niemand begrijpt, en dáárom houden ze van me." Federico Fellini overleed op 31 oktober 2003, vijf maanden later overleed ook Masina. Ze had kanker maar het is zoveel romantischer te geloven dat ze snel bij haar Federico wilde zijn.

Orfeu Negro is een verfilming van het mythologische verhaal van Orpheus en Eurydice. De oscarwinnaar is gebaseerd op een stuk van de Braziliaanse toneelauteur, poëet, zanger en diplomaat Vinicius de Moraes. De actie is van de Griekse Olympus verplaatst naar Rio de Janeiro tijdens het carnaval. Het Negro uit de titel slaat op de huidskleur van de acteurs. In de Griekse mythe is Orpheus een verrukkelijke zanger die alle mensen in vervoering bracht. Apollo schenkt hem een lier en niemand kan zijn goddelijke zang weerstaan. Hij trouwt met de mooie nimf Eurydice. Wanneer zijn vrouw in een grasveld danst, bijt een adder haar dood. Omdat hij zich geen leven zonder Eurydice kan voorstellen daalt hij af naar de onderwereld om er met Hades - de koning die heerste over de doden - te onderhandelen. Hades laat haar terugkeren naar de wereld van de levenden, op één belangrijke voorwaarde: Orpheus mag niet naar zijn geliefde omkijken, voor ze het zonlicht bereiken. Orpheus is ongeduldig en keert zich toch om. Hij ziet hoe zijn geliefde naar beneden wordt gezogen om voor eeuwig en altijd onder de grond als schim te leven. Doodongelukkig keert Orpheus terug naar zijn vaderland. Hij zondert zich af en toont geen enkele belangstelling meer voor andere nimfen of vrouwen. Gefrustreerd door zijn afkeer van vrouwen scheurt een groep manaeden Orpheus levend in stukken. Orpheus' ziel zweeft omlaag naar het schimmenrijk, waar hij Eurydice terugvindt. Eind goed, al goed.

In Rio de Janeiro is Orpheus een gitaarspelende buschauffeur die verliefd wordt op Eurydice. Zij heeft net haar vriendje gedumpt en is op de vlucht voor zijn wraak. Dat mislukt, haar ex krijgt haar te maken en doodt haar. Orpheus trekt naar het dodenhuisje waar hij probeert zijn lief tot leven te wekken. De opzwepende samba en bossa nova stuwen het verhaal onweerstaanbaar voort. In Brazilië wordt Orfeu Negro beschouwd als een Franse film, in Frankrijk wordt hij gezien als Braziliaans. De regisseur was een Fransman, maar het scenario is gebaseerd op een Braziliaans stuk. De acteurs, de muziek, de sambadansers en technici waren allen Brazilianen. Camus vond zijn acteurs in de wereld van het zwarte experimentele theater in Rio. Orfeu werd gespeeld door een voetballer en Eurydice door een Amerikaanse professionele danseres. Orfeu Negro won ook de Gouden Palm in Cannes en kreeg een Golden Glove. Het is zowat de enige film van Marcel Camus die een vermelding waard is. De oscarwinnaar is niet vrij van kritiek. Camus stelt de Braziliaanse sloppenwijken wel erg positief voor. Hij gaat voorbij aan de armoede, sociale ongelijkheid en de misdaad.

De Fransen
Mon Oncle uit 1958 is het tweede deel uit de Monsieur Hulot-serie van Jacques Tati. Het legendarische typetje verscheen voor het eerst op het witte scherm in Les Vacances de Monsieur Hulot in 1953. Na Mon Oncle was hij het hoofdpersonage in Playtime (1967) en Trafic (1971). Monsieur Hulot, de droge olijkerd met de lange regenjas, wordt in Mon Oncle geconfronteerd met de moderne tijden. Monsieur Hulot zelf verandert nooit. Hij draagt te korte broeken, gestreepte sokken, hij rookt zijn pijp en zegt alleen het strikt noodzakelijke. Mon Oncle speelt zich af in een grote stad. Hulot woont in leuke kleurrijke volkswijk waar de groetenboer goede zaken doet en de mensen elkaar groeten op straat. Hij is de favoriete oom van de kleine Gerard die met zijn ouders woont in een hypermoderne, hyperfunctionele woning in de binnenstad. Hulot is erg onhandig met alle moderne toestellen in het huis en raakt hopeloos gefrustreerd door de volautomatische gadgets die het leven gemakkelijk zouden moeten maken. Om weirdo Hulot weg te houden van hun zoon - voorbestemd een geregeld modern leven te leiden - regelen de ouders voor Hulot een baantje in een fabriek. Mon Oncle is een satire over de modernisering van de maatschappij. Stilistisch leunt de film dicht aan bij de stille film met zijn visuele grappen en absurde gags. In Cannes kreeg de film de speciale prijs van de jury.

Twee Oscars gingen naar films van René Clément die zijn Au-delà des Grilles en Les Jeux Interdits in de prijzen zag vallen. De eerste raakte in de vergetelheid, de tweede is een absolute klassieker.Les Jeux Interdits is een ongemeen rauwe antioorlogsfilm van René Clement. Helemaal in het begin van de film verliest een meisje, Paulette, haar ouders bij de inval van de nazi's in Parijs. Paulette wordt opgevangen door een boerenfamilie waar ze snel vriendschap sluit met Michel, het zoontje. Om de dood en de vernieling om zich heen te verwerken spelen de twee kinderen een geheim spel. Ze maken een kerkhof waar ze dieren begraven. De kruisen op de graven, stelen ze uit kerken in de buurt. René Clement stelt de onschuld van de kinderen tegenover de gruwel van de oorlog en de manier waarop volwassenen daarmee omgaan. Paulette is een eenzaam bang kind weggerukt uit haar bourgeois omgeving. Georges is de gevoelige boerenzoon die haar beschermt. Beelden van de oorlog zijn niet te zien, wel de impact die het gewapend conflict heeft op het leven op het platteland. De kinderen geloven in hun spel en de film laat hen dat toe. Les Jeux Interdits confronteert de onschuldige kinderziel met het egoïsme van de ouders en heeft het ook over het klassenverschil tussen Paulette en Georges en over liefde. De fijngevoeligheid van Georges is niet terug te vinden bij zijn emotioneel geblokkeerde ouders. De wrange wetenschap dat de kinderen ooit deel zullen uitmaken van de volwassenenwereld waar ze nu nog aan ontsnappen, maakt de film pijnlijk goed. Brigitte Fossey was zes toen de film opnam werd opgenomen. Ze liet het acteren een tijdje voor het was om zoals ieder kind naar school te gaan. Ze pakte de draad weer op in de jaren zestig en speelde in een aantal erg goede films van François Truffaut, Claude Sautet en Robert Altman zou spelen. Eén van de grootste hits van haar carrière is La Boum uit 1980 waarin ze de moeder speelt van Sophie Marceau. Les Jeux Interdits kreeg ook een oscarnominaties voor het beste originele scenario en won de Gouden Leeuw in Venetië in 1952.

Eén jaar eerder kreeg Au-delà des grilles de oscar. Jean Gabin speelt Pierre, een Franse moordenaar met tandpijn die met de boot naar Genua is gevlucht. Een klein meisje wijst hem de weg naar de tandarts. Onderweg weg wordt hij een pizzeria binnengelokt door een mooie Italiaanse. De twee worden verliefd op elkaar. Terwijl de kelnerin met haar echtgenoot strijdt om het voogdijschap over hun kind, zit de Franse politie Pierre op de hielen. Clément schetst heel mooi de naoorlogse maatschappij in Italië. Isa Mirando, in die tijd één van de populairste filmsterren van Europa, en Jean Gabin spelen mooie rollen in een film die sterk neorealistische trekken vertoont. Van alle bekroonde films uit de jaren vijftig heeft Au-delà des grilles de tand des tijds het minst goed doorstaan. Clément won voor zijn regie een Palm in Cannes. Isa Miranda werd in Cannes gelauwerd als beste actrice.

De Japanners
Dacht het Amerikaanse publiek in de jaren veertig nog dat cinema vooral een Amerikaanse aangelegenheid was, vanaf de jaren vijftig werden ze van het tegendeel bewezen. Als Akira Kurosawa's Rashômon dan nog eens meer succes bleek te hebben in Amerikaanse zalen dan in Japan, leek de doorbraak van de Aziatische cinema compleet. In 1951 mocht Kurosawa naar huis met de Honorary Best Foreign Language Film Award en tekende daarmee ook voor het begin van een nieuw tijdperk in de filmgeschiedenis.

In het kielzog van Kurosawa's meesterlijk vertelde sombere verhaal over broze waarheden en onbeantwoorde liefde, volgden de ene Japanse succesfilm na de andere. We spreken dan niet alleen over de monsterfilms van Ishiro Honda maar vooral over de doorbraakfilms van Yasujiro Ozu (Toky Monogatari uit 1953) en Kenji Mizogushi (Ugetsu Monogatari, ook uit 1953). Deze twee grootmeesters grepen in die cruciale jaren naast het beeldje dat Rashômon wel won, ze bouwden ver buiten de grenzen van het Japanse vasteland mee aan de weg die Kurosawa definitief voor hen had geëffend.

In de beginjaren van de Japanse cinema waren films vooral bewerkingen van de zogeheten kabuki theaterstukken - traditioneel Japans toneel waarin mannelijke spelers zang combineerden met tekst, dans en mime. De invloed van die films is nog te merken in hedendaags werk van onder meer Takeshi Kitano (Dolls) en Yimou Zhang (Hero). Maar de massa gendai-geki (films over het alledaagse leven) en jidai-geki (historische, kostuumfilms) raakten lange tijd niet buiten de grenzen van Japan. Het waren uiteindelijk jidai-geki als Gate of Hell (1953), Ugetsu en vooral Rashômon, die in het begin van de jaren vijftig de westerse critici overtuigden van het eigen karakter van de Japanse film en zowel in Europa als de VS werden de toekomstige meesters bedorven onder de filmprijzen.

Rashômon is op alle mogelijke manieren een opmerkelijke film. Het intelligente spel met licht en schaduw, de onzekere en ondoorzichtige vertelling over schuld, liefde en empathie, de interactie tussen de natuur en de mensen die er in rondlopen, de schitterende acteerprestaties, de filosofische diepgang, de perfect georchestreerde maar sobere gevechtsscènes, het doordacht gebruik van de flashbackstructuur... alles aan de film werkt. Oorspronkelijk dacht men dat Rashômon te complex was voor het grote publiek, maar het tegendeel bleek waar: de film werd uiteindelijk over de hele wereld een box office hit. Rashômon geldt voor velen nog steeds als de beste film die Kurosawa ooit maakte, of toch alleszins zijn beste jidai-geki. Maar dat is een ander verhaal.

Zoals vele films van Kurosawa is ook Rashômon herwerkt tot een Amerikaanse film, The Outrage (1964) met William Shatner in de rol van de priester en Paul Newman in de rol van de bandiet, oorspronkelijk gespeeld door respectievelijk de immer aimabele Minoru Chiaki en een hyperkinetische Toshiro Mifune. Dat de film een baanbrekende klassieker van het eerste uur is bevestigde ook Brian Singer door te beweren dat Rashômon zijn grootse invloed was bij het schrijven van het script van The Usual Suspects (1995). Benieuwd of Singer dat in de tijd ooit zelf is gaan vertellen aan Kurosawa.

In de aanloop naar de uitreiking van de Oscars blikken we per decennium terug opde winnaars van de categorie beste buitenlandse film. Een categorie die werdtoegevoegd kort na de Tweede Wereldoorlog.