34TH INTERNATIONAL FILM FESTIVAL ROTTERDAM

Een oude vrouw op een vuilnisbelt

Vital (Bright Angel) Pusher II (Billy's People) Casshern (Bright Angel)

Het was tijdens de Late Show van Wilfried de Jong dat Sandra den Hamer een geïmproviseerd bezoekje bracht. Zij wilde voor eens en voor altijd duidelijk maken aan het publiek dat de beslissing voor het niet vertonen van Submission op het festival niet een beslissing was van het IFFR.

Deze keuze ligt volledig bij Gijs van de Westelaken en Den Hamer benadrukte ook nog eens dat "de politiek eens moet gaan kijken naar de inhoud van Submission en zich niet zo druk moeten maken over het vertonen van de film of niet." Deze onaangekondigde verschijning kwam in reactie op een uitzending van NOVA waarin gedebatteerd werd over het wel en wee rond het niet vertonen van Submission op het festival.

Hoewel ik tien minuten te laat aankwam bij de bioscoopzaal kon ik toch nog naar Vital, de nieuwe film van regisseur Shinya Tsukamoto. Tsukamoto maakte ooit de Tetsuo-films en vorig jaar kwam bij ons nog Rokugatsu no Hebi (A Snake of June) uit. Vital is geen gemakkelijke film om te doorgronden. Thema's als de dood, het hiernamaals, schuld en boete komen veelvuldig aan bod in deze film die in de catalogus van het IFFR wordt aangeduid als filosofische horror.

Tadanobu Asano speelt in Vital een jongeman die in een auto-ongeluk zowel zijn vriendin als zijn geheugen verliest. Hij is medicijnenstudent en begint na het ongeluk al vrij snel met zijn eerste autopsiecolleges. Na enkele colleges beseft hij dat de dame op zijn snijtafel eigenlijk zijn vriendin is. Hiroshi (Asano) begint aan een ingewikkelde reis waarin het ontleden van het lichaam van zijn vriendin therapeutisch werkt bij het verwerken van haar dood. Ster van Vital is natuurlijk Asano, maar tegelijkertijd moet er heel erg veel lof gaan naar Tsukamoto, die ook de cinematografie voor zijn rekening nam. Vooral de tegenstelling tussen onze wereld en de droomwereld (lees: het hiernamaals) is opmerkelijk. Onze wereld wordt voor een keertje afgeschilderd als een grimmige duistere wereld en de andere kant is dit keer heel idyllisch afgebeeld met heldere kleuren. Een afwijkende visie voor de Japanse cinema.

Een andere Aziatische film is Spying Cam, in de race voor een VPRO Tiger Award. Deze Zuid-Koreaanse film is het verhaal van twee mannen die schijnbaar doelloos in een bijna lege hotelkamer rondhangen en daar een beetje spelen met een videocamera terwijl ze samen Crime & Punishment van Dostojevski lezen. Maar er is meer aan de hand. De jongste van het stel is duidelijk een intellectueel en de oudere is een grove, ongemanierde bullebak. Het tweetal is een overduidelijke 'mismatch.' Daarentegen zijn de schoonmaaksters en de buren van het tweetal er heilig van overtuigd dat ze homo zijn.

Regisseur Whang Cheol-mean laat ons stukje bij beetje de relatie tussen de twee heren ontrafelen om uiteindelijk bij een schokkende en politiek zeer relevante conclusie te komen. Spying Cam is een uitstekende karakterstudie, een studie naar het gedrag van mensen in een situatie waar ze niet horen te zitten: in een kale hotelkamer zonder airconditioning. Een rollenspel gebaseerd op Dostojevski is dan niet het eerste dat je te binnen schiet, dit levert dan ook een aantal erg grappige scènes op. Het trage tempo en de videokwaliteit zijn niet altijd factoren die in het voordeel spreken voor Spying Cam, maar als geheel komt deze 'thriller' er behoorlijk goed vanaf.

Het Afrikaanse continent staat niet bekend om de grote hoeveelheid kwaliteitsfilms, maar eens in de zoveel tijd komt er toch stiekem een juweeltje bovendrijven. Ditmaal is dat La Nuit de la Verité (The Night of Truth), een Shakespeariaans drama met alle benodigde elementen precies op hun plaats. Twee koningen, de één een rebel, de ander een grootse en zelfverzekerde heerser. Twee koninginnen, de één zinnend op wraak en de ander driftig op zoek naar vrede en verzoening. Natuurlijk is daar ook de hofnar die de gebeurtenissen op gang moet houden. En dit alles in een fictief Afrikaans land dat zo model kan staan voor elk ander land dat door oorlog verscheurd is.

Regisseuse Fanta Régina Narco maakt met La Nuit de la Verité haar speelfilmdebuut na het maken van vooral korte films en een enkele documentaire. Zij zet een intrigerend portret neer van mensen die afschuwelijke dingen begaan of ondergaan hebben. De angst is in boekdelen af te lezen van de - bij tijd en wijlen onervaren - acteurs en actrices. De angst om opnieuw te beginnen met hun leven; de angst om elkaar te vergeven en de angst om voor jezelf toe te geven dat je fout bent geweest. Toch maakt Narco geen sombere bedoening van La Nuit de la Verité, in tegendeel zelfs. De humor claimt vaak de voorgrond van het drama en dat maakt de film enorm toegankelijk. Het is pas in het laatste half uur dat de spanning echt voelbaar wordt en dat is het moment van de waarheid. Dan wordt de vraag beantwoord of de twee volkeren elkaar zonder ruzie kunnen vertrouwen en de tragische ontknoping kunnen overstijgen om een nieuw begin te maken. La Nuit de la Verité is een indrukwekkend speelfilmdebuut geworden en zeker een van de hoogtepunten op het IFFR van 2005.

Cerro Rico, Bolivia, een op zich niet zo spectaculaire bergtop in dit door armoede geteisterde land. Voor de lokale bevolking is deze berg echter een primaire levensbehoefte, want in het hart van de berg liggen mineralen en zilver verborgen. Met z'n duizenden tegelijk dalen de Bolivianen af in de gevaarlijke mijnschachten om daar voor een grijpstuiver hun leven in de waagschaal te leggen. De film The Devil's Miner wil onze aandacht vestigen op het feit dat deze mijnwerkers in essentie een dubbelleven leiden. Bovengronds aanbidden ze God en ondergronds regeert er een andere God; de Duivel om precies te zijn. Regisseurs Kief Davidson en Richard Ladkani laten ons zien hoe deze mensen in en om de mijnen leven en overleven met de focus op de veertienjarige Basilio en zijn twaalfjarige broertje; beiden werkzaam in de mijnen van Cerro Rico.

Het is van belang om op voorhand te zeggen dat wat we te zien krijgen in The Devil's Miner absoluut mensonterend is.Modder, grote hoeveelheden stof, gevaarlijke mijnkarretjes zonder remmen, instortende tunnels, koolmonoxide en onstabiele dynamiet zijn aan de orde van de dag. Honderden kinderen banen zich een weg tussen deze gevaren en dat zijn berichten die de wereld zeker moet aanhoren. Daar ligt het probleem dan ook niet in The Devil's Miner. Het is de aanpak van Davidson en Ladkani die de film zwak maken: zij vertrouwen erop dat de kinderen en hun verhaal boeiend zouden zijn om de kijker anderhalf uur bezig te houden. Niets is minder waar. De monotone voiceover van vooral Basilio werkt na een tijdje uitermate slaapverwekkend en dat kan niet de bedoeling zijn geweest.

Daarbij komt nog dat er een chronisch tekort is aan drama in The Devil's Miner, iets dat de kijker geïnteresseerd kan houden. Het vreemde is ook dat de kijker het gevoel bekruipt dat Davidson en Ladkani steeds weer dezelfde herhaling van zetten doet en dat terwijl de heren maar liefst vijf jaar bezig zijn geweest met de opnamen van The Devil's Miner. Het is ook de gelatenheid waarmee de mijnwerkers (inclusief de kinderen) hun lot accepteren dat bijvoorbeeld de drang van Basilio om weg te komen uit de mijn onderuit haalt. The Devil's Miner is door de mooie plaatjes zeker de moeite van het kijken waard, maar verwacht geen diepe maatschappelijke discussies over de invloed van de regering of de lokale overheden die deze misstanden oogluikend toestaan. Een tegenvaller.

Als we denken aan ensemblefilms, dan schieten direct titels als Short Cuts en Magnolia ons te binnen. Deze sterke staaltjes van scenarioschrijven en acteren zijn benchmarks geworden voor iedereen die de moed wil opbrengen om een film in deze categorie te gaan maken. De Noor Erik Poppe wilde deze uitdaging wel aangaan en brengt ons Hawaii, Oslo, een epos rond diverse personages die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken lijken te hebben.

Om hier alle personages uit de doeken te doen zou te veel tijd gaan kosten, maar de basis kan wel verteld worden: de jonge Leon is bijna jarig, hij wordt vijfentwintig. Ooit heeft hij met een meisje (Åsa) de afspraak gemaakt om op die verjaardag weer bijeen te komen en als ze dan beiden nog vrijgezel zijn gaan ze trouwen. Leon is mentaal echter niet helemaal stabiel. Hij woont in een inrichting (waarom wordt niet echt duidelijk) waaruit hij regelmatig ontsnapt om doelloos te gaan rennen door Oslo. Tijdens een van zijn ren-episodes wordt hij echter aangereden door een ambulance, althans... dat denkt zijn begeleider Vidar, die dit heeft zien gebeuren in een van zijn dromen.

Hieromheen draaien nog diverse verhaallijnen die aan het einde netjes vastgeknoopt worden. Een doodzieke pasgeborene voor Milla en Frode; een overleden vader en een terugkerende moeder voor de broertjes Magne en Mikkel; de ziekenbroeder die verliefde wordt op een patiënt en de broer van Leon die weinig goeds in de zin heeft.

Erik Poppe en scenarist Harald Rosenløw Eeg hebben een behoorlijk geslaagde poging gedaan om zich een eervolle vermelding naast Altman en Anderson te verwerven. Hawaii, Oslo is vermakelijk, heeft een grote hoeveelheid goede acteerprestaties in huis en is innemend genoeg om de kijker mee te sleuren in de verschillende tragedies van de personages. Een verrassende ontknoping maakt het verhaal compleet. Deze film is terecht genomineerd voor een VPRO Tiger Award.

Wat begint als een rechtgeaarde misdaadthriller over een pas vrijgelaten kruimeldief ontpopt zich in de loop der tijd tot een uitstekende karakterstudie. Pusher II (With Blood on My Hands) is een keiharde Deense film met een voor zover mogelijk nog harder hoofdpersonage. Mads Mikkelsen (King Arthur) is Tonny, een crimineel die na jaren in de gevangenis te hebben gezeten weer vrijkomt. In eerste instantie heeft hij helemaal niet de intentie om zijn leven te gaan beteren. Hij kan niet eens het woord 'rehabilitatie' goed uitspreken. Wanneer hij aanklopt bij zijn vader voor een baantje moet hij weer onderaan de voedselketen beginnen en zich op proberen te werken in het uitermate criminele milieu. Hij is echter niet de slimste van het zooitje en werkt zich al gauw in de nesten bij zijn 'familie'.

Dan krijgt hij het nieuws te horen dat hij een kind verwekt heeft bij een oude 'vlam'. Hij wil daar eerst niets van weten, maar de zaken gaan niet zo lekker en een leven op het rechte pad begint steeds aanlokkelijker eruit te zien. Het grote snelheid, een sterke cast, een keiharde soundtrack en een hoeveelheid cocaïne waar Tony Montana jaloers op zou zijn volgen wij Tonny op zijn reis naar de Verlichting. Regisseur Nicolas Winding Refn schetst met verve een wereld waar de politie in de verste verten niet te vinden is, zelfs niet wanneer één van de handlangers van Tonny een pas gestolen BMW pontificaal in de prak rijdt. Pusher II is een film vol onverwachte emoties. Laten we hopen dat regisseur Refn met zijn voor dit jaar geplande Pusher III (I Am the Angel of Death) niet het uitstekende Pusher II om zeep helpt.

Voor wie Tornatore's Cinema Paradiso heeft gezien zal het verhaal van Electric Shadows bekend voorkomen. In Electric Shadows is het weer de beurt aan de cinefiel om op zijn of haar leven terug te kijken door middel van herinneringen aan films. Die paar sleutelmomenten in het leven van een mens die onvermijdbaar verbonden zijn aan filmfragmenten of welke andere kunstvorm dan ook. In Electric Shadows draait het voor de personages ook allemaal om film. Chinese film om precies te zijn.

Het begint allemaal in het hedendaagse Beijing. Fietskoerier Dabing komt lelijk ten val met zijn fiets en krijgt vervolgens van de schone Ling Ling een baksteen op zijn hoofd. De reden hiervoor is hem volledig onduidelijk en hij besluit verhaal te gaan halen op het politiebureau waar de jongedame vast zit. In plaats van kwaad te worden op hem vraagt Ling Ling Dabing om haar vissen te voeren tijdens haar afwezigheid. Dabing is stomverbaasd en stemt in met het plan. In de flat van Ling Ling treft Dabing een grote schat aan klassieke films aan compleet met een geïmproviseerde bioscoop. Hij vindt ook een dagboek en begint zonder enige gêne hierin te lezen.

Ling Ling beschrijft in haar dagboek het leven van haar moeder, die ongewenst zwanger wordt van Ling Ling, en haar liefde voor filmprojecteur Pan (gespeeld door Li Haibin, ook te zien op het IFFR in Lu Mao Zi). Tijdens het lezen moet Dabing ook terugdenken aan zijn eigen jeugd, waarin film ook een enorme rol speelt. Zou het misschien toeval zijn dat Dabing op die plaats op het juiste moment was om die baksteen te incasseren?

Er zullen in West Europa niet heel erg veel mensen zijn die bekend zijn met de klassieke Chinese cinema van voor de jaren zeventig. Malu Tianshi (Street Angel; 1937), Railway Guerillas, The Back Alley en het Albanese Ngadhnjim Mbi Vdekjen (Victory over Death; 1967) zijn films die de revue passeren in Electric Shadows. Niet de meest bekende titels, zou je zeggen, maar dat maakt niets uit, want het gaat om het gevoel. Regisseur Xiao Jiang weet dit gevoel aardig over te brengen in het goed gedetailleerde relaas van Ling Ling en de anderen.

Xiao Jiang heeft met dit debuut (veel debutanten dit jaar trouwens) een schattige film gemaakt waarin het verwerken van traumatische gebeurtenissen binnen een familie centraal staat. Het moet wel gezegd worden dat Xiao Jiang naar het einde toe net iets te dicht bij melodrama komt en de tranenkraan maar al te graag flink op wil zetten. Voor de rest is Electric Shadows een prima geslaagde film over de liefde voor cinema en daarvoor zijn we tenslotte met z'n duizenden tegelijk naar Rotterdam gekomen.

Het uitgangspunt van de documentaire Estamira van debuterend regisseur Marcos Prado is simpel: we volgen een oude dame gedurende een aantal jaar op de voet terwijl zij gewoon haar leven leidt op de Jardim Gramacho vuilnisbelt net buiten Rio de Janeiro. En dat honderdtwintig minuten lang. Als we de mix dan aanvullen met een flinke portie schizofrenie, waanvoorstellingen, religie en wat geschiedenis, dan krijgen we de interessante documentaire Estamira.

Estamira is 63 jaar oud en leidt aan schizofrenie. Ze krijgt medicatie voor haar aandoening, maar voelt zelf niet de voordelen daarvan. Zij ziet overal complottheorieën en ziet zichzelf als de grote verlosser. Ze spreekt ook vaak tijdens haar episodes over zichzelf in de derde persoon. Filosofische verhandelingen vliegen constant uit haar mond en sommige daarvan zijn zelfs best wel plausibel te noemen. Vooral haar ideeën over religie zullen elke atheïst als muziek in de oren klinken. Regelmatig lopen de gemoederen hoog op als het woord 'God' te berde wordt gebracht.

Maar wanneer ze kalm en bedaard is komen we al gauw meer te weten over wie Estamira is en vooral wie Estamira was. Zij heeft een traumatisch leven achter de rug en dat heeft diepe littekens achtergelaten op haar ziel. Haar familie helpt filmmaker Prado een handje bij het in elkaar puzzelen van Estamira's leven. Op deze manier geeft hij diepgang aan een vrouw die op het eerste gezicht zo gek als een deur lijkt te zijn.

Prado neemt zeker niet de weg van de minste weerstand. Bijna de gehele film is Estamira aan het woord (of haar familie) en hij zegt zelf geen woord. Het enige dat hij doet is observeren. Soms op een veilige afstand, dan krijgen we ook een beeld van de leefomstandigheden op de Gramacho vuilnisbelt (waar zij overigens zelf niet woont, maar wel graag vertoeft). Regelmatig drukt Prado ook de camera dicht op het gezicht van Estamira om ons tot in het kleinste detail de angst, woede en ontreddering van deze interessante vrouw te laten voelen.

Daar komt nog bij dat Prado ons de wereld van Estamira in twee uitermate verschillende vormen presenteert: aan de ene kant is er de wereld waarin de heldere kleuren van het 'gewone' camerawerk naar voren komen en aan de andere is daar het uiterst granulaire zwart-wit zoals we dat kennen uit kunstfilms. Prachtige indringende beelden, die op zichzelf (zonder de voiceover van Estamira) al genoeg te vertellen hebben. Het is niet helemaal duidelijk wat Prado precies wil bewerkstelligen met deze twee visuele vormen, maar het ziet er in ieder geval zeer intrigerend uit en dat telt toch ook wel mee.

Rinjin 13-gô (Neighbour No. 13) werd aangeprezen als een film die niet voor kleintjes geschikt zou zijn en dat deze film te gewelddadig zou zijn voor veel mensen. Nou zijn we wel wat gewend van filmmakers afkomstig uit Japan. Neem bijvoorbeeld Miike Takashi met Korishiya 1 (Ichi the Killer) of Kitano Takashi met Sono Otoko, Kyobo ni Tsuki (Violent Cop), dat zijn toch ook geen misselijke films als we het hebben over expliciet geweld. De verwachtingen waren dus begrijpelijk hooggespannen voor deze film afkomstig van reclame- en videoclipregisseur Inoue Yashi. Helaas maakt Rinjin 13-gô geen van de beloftes waar.

In Rinjin 13-gô gaat het om Juzo, een schuchtere jongen, die op school vreselijk gepest werd door zijn schoolgenootjes. Jaren later neemt hij zijn intrek in appartement nummer 13 van een onopmerkelijke flat. Op nummer 23 woont de familie Akai, dezelfde Akai die Juzo zo ontzettend gepest heeft op school. Wanneer Juzo werkt vindt op dezelfde bouwplaats als Akai gaan de pesterijen weer onverminderd voort. Naarmate de tijd vordert neemt Juzo's alter ego, No. 13, het leven van Juzo over om gruwelijke moorden te plegen om uiteindelijk wraak te kunnen nemen op Akai.

Met die buitensporige gewelddadigheden valt het allemaal wel mee. Inoue Yashi heeft zijn uiterste best gedaan om zijn film rustig op te bouwen en ons met een hunkerend gevoel klaar te maken voor het geweld dat zou gaan komen, maar deze opbouw blijft maar voort duren zonder enige bevrediging op het einde. Het gebrek aan geweld had nog niet eens probleem hoeven zijn als Inoue Yashi de spanning in zijn film had kunnen houden. Hij produceert echter het tegendeel: lange shots zijn in zijn ogen waarschijnlijk een blijk van artistiek vermogen, hoewel deze shots in Rinjin 13-gô alleen maar overkomen als overbodige ballast die flink de rem op de film zetten. De speelduur van Rinjin 13-gô is bijna twee uur en dat is doodeenvoudig veel te lang. Monteren is tenslotte ook een vak apart. Het is jammer dat ook in Japan comicverfilmingen net zo goed verziekt kunnen worden als in de VS.

Het is een goede zaak dat het IFFR elk jaar een greep doet uit de in het afgelopen in Nederland geproduceerde films en deze onderbrengt in het programma Dutch Perspective. Zo kan je nog eens wat schade inhalen. Dit jaar kreeg ik de kans om Simon toch nog op het grote scherm te mogen aanschouwen. Deze film ging eerder al op 30 september in de Nederlandse bioscopen ging draaien.

De films van Eddy Terstall staan altijd bol van de scherpe dialogen en uitermate droge humor. Deze trend zet Terstall zonder enige moeite door in Simon, zoals we in de allereerste scène direct zien. Hierin zien de oude vrienden Simon en Camiel elkaar na veertien jaar weer terug. Camiel vraagt hoe het met Simon gaat waarop deze antwoord met zoiets als, "Ja, kut, ik heb kanker." Dit zet direct de toon voor de hele film. Hoewel het onderwerp loodzwaar is weet Terstall telkens weer een relativerend stuk tekst uit één van zijn voortreffelijke acteurs en actrices monden te laten rollen. De film zit vol met typisch Nederlandse uitspraken (lees: Amsterdamse) en het is dan ook voor het eerst dat de Nederlandse samenleving op een geloofwaardige wijze zonder veel zelfspot op het scherm gebracht is. Het is allemaal ontzettend herkenbaar.

Minpuntjes aan Simon (als die er al zijn) liggen vooral bij het veel te sentimentele eindshot. Dit was absoluut nergens voor nodig. Een oplettende kijker ziet dit al mijlenver aankomen. Jammer. Het andere minpuntje is Terstall's huisactrice Nadja Hüpscher, die hier een Amsterdamse meid van begin twintig moet spelen. Helaas is Hüpscher in werkelijkheid bijna 33 en heeft ze een zwaar Rotterdams accent dat ze maar met moeite kan verbergen. Verder levert ze prima werk af. Typisch een geval van 'vrienden werk verschaffen.'

Simon won op het Nederlands Film Festival Gouden Kalveren voor Beste Acteur (Cees Geel), Beste Regisseur (Eddy Terstall) en de Publieksprijs. Verder was Simon ook de Nederlandse inzending voor de Oscar-race, maar werd helaas niet uitgekozen voor de eindronde. Deels natuurlijk door het feit dat het Nederlandse euthanasiebeleid en het homohuwelijk niet echt in goede aarde vallen in de conservatieve Verenigde Staten. Moeten we hierom rouwen? Nee, zeker niet, want wij weten met z'n allen wat een prachtige film Simon in werkelijkheid is. Hou de zakdoeken maar bij de hand.

Soms moet je blind vliegen en bij het voor een Tiger genomineerde O Amigo Dunor (Dunor My Friend) van José Eduardo Alcazar ben ik regelrecht met mijn neus tegen de muur gevlogen. Zelden heb ik in mijn filmkijkcarrière zo'n vervelende en vooral incoherente film gezien. Hoe deze film bij de veertien Tiger-genomineerden terecht is gekomen is voor mij een enorm raadsel.

Ik zal proberen een licht te schijnen op hetgeen dat door moet gaan voor een. Dit is wat de catalogus ervan maakt: "Marcel, een jonge Franse schrijver, komt naar Brazilië om daar een jeugddroom werkelijkheid te laten worden: om het exotische Brazilië te leren kennen, naar de Amazone te gaan en een boek te schrijven over zijn ervaringen. Na zijn aankomst in Rio de Janeiro wordt hij al gauw vrienden met een groep mensen die werken aan een misdaadthriller. Stan is de regisseur van de film, zijn vrouw Carla en haar dochter Melissa acteren in de film. Julio, een Argentijnse vluchteling, is de scenarist." Tot dusver klinkt nog aannemelijk, toch? Wacht, het gaat verder: "De film in de film gaat over de blinde Louis en de gehandicapte Marta, een getrouwd stel met veel problemen in hun relatie en met geld. Louis besluit om Marta uit de weg te ruimen. Omdat het stel toch bijna geen contact heeft met de buitenwereld, zal niemand haar missen. Marta krijgt door wat Louis van plan is en verzint een vriendin met wie zij aan de telefoon gesprekken voert."

Dit klinkt allemaal heel leuk en aardig. Ik heb echter geen flauw benul waar de tekstschrijver van dit stukje deze beschrijving vandaan heeft gehaald. Ik heb niets van dit alles in de film terug kunnen vinden. Natuurlijk zijn er wel flarden van dit alles langs gekomen in de wirwar dat Alcazar een film noemt. Ik heb absoluut geen problemen met avant-gardistische kunstuitingen op film. In tegendeel zelfs, dit zijn vaak enorm interessante stukken film. Maar dan moet er wel zorg besteed worden aan de uitvoering van zo'n film. Bij O Amigo Dunor is het het geval dat vrijwel nooit het geluid synchroon loopt met de beelden; dat de montage van de verschillende verhaallagen - zoals die hierboven vermeld zijn - zonder enige logica in elkaar gezet is; dat de muziekmix zo mogelijk nog slechter in elkaar zit dan de beeldmontage; en dat het 'acteerwerk' van een stuitend laag niveau is. De catalogus van het IFFR weet te melden dat Alcazar op dit moment nog twee videoproducties in ontwikkeling heeft. Ik denk niet dat ik daar heel erg veel moeite voor ga doen.

Casshern is het live-action anime spektakel waar iedereen het vorig jaar over had. Een film die regelmatig in hetzelfde rijtje werd gezet als Sky Captain and the World of Tomorrow en Immortal. Casshern is een ambitieus project geworden dat helaas net iets te vaak plat op zijn gezicht gaat. Al vinden sommige mensen toch echt dat dit de beste film ooit gemaakt is. Ik zie niet waar ze dat vandaan hebben.

In Casshern is de wereld naar de knoppen geschoten in een wereldomvattende oorlog (what's new?) en de 'powers that be' hebben het plan gevat om een regenererend soort mens te ontwikkelen om een onoverwinnelijk leger te maken. Tijdens de experimenten gaat er echter iets mis en de ledematen die gebruikt worden hiervoor vormen lichamen die zich autonoom gaan gedragen en zich neo-sapiens noemen. De zoon van de wetenschapper Azumi die de leiding voert over de experimenten komt om in de oorlog en Azumi besluit om hem tot leven te wekken in dezelfde formule die de neo-sapiens heeft voortgebracht. Et voilá: Casshern is geboren, de redder des werelds, die het op moet nemen tegen de leider van de neo-sapiens (wiens naam ik mij niet meer kan herinneren).

Het moet gezegd worden dat Casshern er oogverblindend uit ziet. De omgevingen, de voertuigen, het oorlogstuig, de robots zijn allemaal afkomstig uit de computer (is wel een beetje te zien) en komen uitstekend tot hun recht op het grote scherm. Het gevoel voor detail is iets dat in het oog springt. Zo zien we op de achtergrond Duitstalige spreuken op muren en zijn veel voorwerpen van cyrillische tekens. In de kostuums en het ontwerp van de robots komen vooral de Duitsers er weinig flatteus vanaf. De soldaten in Casshern hebben Duits Tweede Wereldoorlog uniformen aan en de robots van de neo-sapiens hebben helmen op die wel heel erg veel weg hebben van de Duitse Eerste Wereldoorlog varianten met van die punten bovenop. Voor de liefhebbers van details valt er genoeg te zien in Casshern.

Waarom hebben de makers van Casshern dan niet zorg gedragen voor een goed solide script (onder andere geschreven door regisseur Kiriya Kazuaki). Het idee is leuk bedacht en het eerste half uur kan Casshern ook best wel boeien, maar dan slaat de vermoeidheid toe. Scènes worden onnodig lang uitgerekt, de muziek wordt regelmatig op 'repeat' gezet en er is doodeenvoudig te weinig actie. Aan het eind van het eerste half uur krijgen we een grootse veldslag te zien tussen een heleboel robots en Casshern. Spektakel alom zoals we dat gewend zijn van anime's (zelfs de geluidseffecten kloppen). Helaas kan de rest van de film daar niet meer overheen komen.

Wat er dan nog overblijft voor Casshern is de boodschap en daar weten de schrijvers best wel wat gevoelige snaren te raken. Waarom voeren we oorlog? Wat zou jij over hebben voor de liefde? Enzovoorts, enzovoorts. Na een lijvige 142 minuten zit je daar als kijker daarentegen echt niet meer op te wachten en hoop je alleen maar dat de aftiteling nu eindelijk eens van start mag gaan.

In Voorland draait alles om de Loowaard, gelegen in de gemeente Duiven, Gelderland. Dit is een natuurgebied dat aangewezen is als een noodoverloopgebied, dit betekent dat regelmatig de hele Loowaard onder water komt te staan. De makers van Voorland, Albert Elings en Eugenie Jansen willen met hun film de vergankelijkheid van onze omgeving aantonen en dan vooral de manier waarop elke generatie zijn eigen indeling geeft aan een bepaald gebied. Gedurende zeven jaar hebben Elings en Jansen met een camera dit proces gevolgd en zo een uniek document in elkaar gezet dat zonder meer zeventig minuten kan boeien.

Die zeventig minuten zijn opgedeeld in zeven onderdelen met voor elk jaar tien minuten ruimte om zich te presenteren. Ik zeg dit op deze manier omdat Elings en Jansen geen gebruik maken van interviews, voiceovers of titelkaarten (behalve de aanduiding dat er een nieuw jaar aangebroken is). Zij laten de beelden het woord doen en dat is ruimschoots genoeg. Zo zien we zogenaamde 'treehuggers' die protesteren tegen de komende betuwelijn; het stelselmatig omkappen van bomen; het onderhouden van de 'natuurlijke' kudde koeien; en het constante debat over de hoeveelheid distels die er op het land aanwezig zijn.

Een hoofdrol in Voorland is weggelegd voor het ontmantelen van de grote baksteenfabriek die midden in de Loowaard ligt, de constante overstromingen in het gebied (dat sommige beesten ook fataal kan worden) en de bouw van de Betuwelijn. De gelatenheid waarmee de mensen aldaar omgaan met deze grote hoeveelheden water is opmerkelijk te noemen. Het heeft ook wel iets aandoenlijks om steeds maar weer die mannen hetzelfde welkomstbordje te zien plaatsen als de boel wel een beetje opgedroogd is.

Naast deze grote lijnen is er gelukkig ook oog bij Elings en Jansen voor het kleine leed: bijvoorbeeld een slak die maar met moeite zijn hoofd boven water weet te houden; een vogeltje dat speels op de spiegel van een busje rondspringt (en deze spiegel tegelijk bevuilt) en het opruimen van een moederkoe die tijdens het baren van haar kalf verdronken is. It's not a pretty sight, maar dat hoort bij het leven... zeggen ze. Voorland is zo'n project dat maar al te vaak ondergesneeuwd wordt in de bioscoop, zelfs in de filmhuizen. Het IFFR biedt de makers van films als Voorland een podium om te laten zien wat zij in huis hebben en laat ze dat in de komende jaren maar lekker blijven doen.

Calvaire betekent lijdensweg en dat is precies wat hoofdpersoon Marc Stevens (Laurent Lucas) moet doormaken. Het kan zo gek niet of regisseur Fabrice Du Welz heeft het in Calvaire gestopt: een opening uit Texas Chainsaw Massacre tot aan de freaks uit Deliverance. Zonder enige gene gebruikt Du Welz (samen met Romain Protat) uit deze film de juiste elementen en heeft een film in elkaar gezet die bijna net zo verontrustend is als de inspiratiebronnen.

Marc Stevens is een reizende zanger die na een optreden een verkeerde afslag neemt. Hij komt terecht in een donker bos. Iedere filmkenner voelt al op zijn klompen aan wat er staat te gebeuren: een ontmoeting met de meest duistere kant van de samenleving. Hij komt terecht bij een klein hotel waarvan de eigenaar op miraculeuze wijze er heilig van overtuigd is dat Marc zijn weggelopen echtgenote is. Dat gaat Marc niet in de koude kleren zitten. Het relaas wordt alleen maar erger wanneer de zonderlinge dorpelingen ook lucht krijgen van Marc en graag eens polshoogte willen nemen van de teruggekeerde echtgenote.

Voor de originaliteit moet niemand gaan kijken naar Calvaire. Het is de (git)zwarte humor in het script van Du Welz en Protat die van Calvaire zo'n genietbare voorstelling maakt. Alhoewel, het is wel van belang dat de kijker enige vorm van leedvermaak in zich heeft, anders is Calvaire ook voor de kijker een lijdensweg. De twee hoofdrollen worden met verve gespeeld door Laurent Lucas en de komiek Jackie Berroyer (Brodeuses), die hier een andere kant laat zien van hemzelf. Ook voor de uitstekende fotografie van Benoit Debie (Irréversible) moet Calvaire zeker gezien worden. Nog nooit eerder hebben de Franse Ardennen er tegelijk zo verontrustend en mooi uitgezien. Calvaire werd geproduceerd door Vincent Travier, die ons vorig jaar al de zwarte komedie Aaltra bracht. Calvaire is een aanrader.

Wie de samenvatting van Dead Man's Shoes op papier zou lezen, zou direct zeggen dat dit een recht-toe-recht-aan wraakverhaaltje is dat eigenlijk niet de moeite van het kijken waard zou zijn. Bij deze film had dat zeker het geval kunnen zijn als iemand anders dan Paddy Considine (In America en ook op het IFFR te zien in My Summer of Love) de hoofdrol zou hebben gespeeld. Het is zijn uitzonderlijke prestatie die Dead Man's Shoes boven zijn niet benijdenswaardige reputatie uit doet stijgen.

Enfant terrible Shane Meadows (ook wel gezien als de grote hoop voor de Britse cinema) brengt ons het verhaal van de broers Richard en Anthony. Richard (Considine) is een serieuze vent die erg gesteld is op zijn kleine licht geestelijk gehandicapte broertje Anthony. De film begint wanneer Richard en Anthony acht jaar nadat zijn hun geboortedorp hebben verlaten terugkeren. In het dorp is nog steeds hetzelfde groepje kleine criminelen de baas en dat is precies de groep waarop Richard het gemunt heeft. Het begint met pesterijen van de kant van Richard, maar al gauw worden de acties van Richard grimmiger. Naarmate zijn acties agressiever worden krijgen we ook meer te zien van wat de oorzaak is van al dit geweld en dat is geen leuke geschiedenis.

Meadows en Considine schreven samen het script voor deze ijzersterke film. Zij krijgen het samen voor elkaar om een personage als die van Considine, die in wezen weinig goeds in de zin heeft, om te vormen tot een sympathiek karakter waarvoor je het liefst op de banken zou willen juichen (een beetje als Robert DeNiro in Taxi Driver). Je hebt echter gedurende de film als kijker nooit echt grip op Richard. Je blijft je constant afvragen of deze stille, zwijgzame man wel tot moorden in staat is en of de gebeurtenissen rond zijn broertje wel zoveel geweld rechtvaardigen. Als we dan uiteindelijk in de ontknoping de ware toedracht voor onze kiezen krijgen, is het niet meer zo moeilijk om te beseffen dat wij misschien ook wel zo zouden hebben gereageerd, maar dat is aan iedereen om zelf te bepalen.

In Groot-Brittannië lieten de bioscoopbezoekers na de release in oktober vorig jaar Dead Man´s Shoes massaal links liggen. Een absolute schande als we kijken naar de kwaliteit van deze film en een teken dat de marketing misschien ook niet helemaal goed op orde was. Gelukkig is Dead Mans Shoes inmiddels wel genomineerd geweest voor verscheidene British Independent Film Awards (Vera Drake was Dead Man´s Shoes bijna overal te slim af) en is de film ook nog eens genomineerd voor een Alexander Korda Award bij de Bafta´s later deze maand. Geef deze film het voordeel van de twijfel.

Regisseur David Gordon Green´s nieuwe film, Undertow, is een rare verschijning geworden. Undertow is in essentie twee films in één en dat is meestal het recept voor een catastrofe, tenzij dat gegeven aangepakt wordt met fluwelen handschoenen. Helaas waren deze handschoenen bij het maken van Undertow niet voor handen.

De jonge getalenteerde Jamie Bell (Billy Elliot) speelt in Undertow een van de twee zonen van een boer in Georgia (Dermot Mulroney). Hij is niet de makkelijkste en is kind aan huis bij de plaatselijke politie. De andere zoon zit niet lekker in zijn vel en reageert dit af door het eten van alles wat los en vast zit, inclusief verf en modder (een gegeven waar Green stuitend weinig mee doet). Als op een dag de broer van vaderlief (Josh Lucas) vrijkomt uit de gevangenis komt deze een bezoekje brengen aan de boerderij. Hij is weinig goeds van plan en heeft het voorzien op een zak met gouden munten (waar alleen een wazige uitleg voor wordt gegeven) die ergens verborgen ligt in het huis. Het loopt allemaal uit op een groots drama waarbij de vader van de jongens omkomt. Tot zover is Undertow best te genieten, daarna loopt de kwaliteit van deze film met rasse schreden terug.

Undertow verandert van het ene op het andere moment in een achtervolgingsfilm waarbij de twee jongens hun oom voor moeten blijven. Helaas trapt Green met deze ommekeer zo hard op de rem dat dit de film bijna volledig tot stilstand brengt. Green brengt de jongens naar locaties die kant noch wal raken, introduceert personages die volkomen overbodig zijn, en hij spoelt daarmee een aardige eerste helft faliekant door het toilet. De goede acteerprestaties van Lucas en Bell worden hierdoor ook nog eens doelmatig om zeep geholpen waardoor er werkelijk niets overblijft om nog voor te blijven zitten. Undertow is een van die zeldzame enorme tegenvallers op het IFFR dit jaar.

Kôhî Jikô (Café Lumière) is in het leven geroepen in reactie op het honderdjarig jubileum van de geboortedag van grootmeester Ozu Yusujiro, die in 1963 overleed aan kanker. Het is frappant te noemen dat het uitgerekend de Chinese regisseur Hou Hsiao-Hsien is die dit project op sleeptouw mocht nemen. De van Qainxi Manbo (Millenium Mambo) bekende regisseur Hou eert zijn Japanse collega met een film die in veel opzichten heel erg veel weg heeft van het werk van Ozu en toch onmiskenbaar een 'Hou' is.

Hou laat ons het gewone leven zien van jongedame Yoko (Yo Hitoto) die net teruggekeerd is uit Taiwan. Daar heeft ze het leven onderzocht van de echte Taiwanese componist Jiang Wen-ye. Bij haar terugkomst heeft ze echter ook een zware mededeling voor haar ouders: ze is zwanger. Maar daar wordt in Kôhî Jikô niet heel erg veel ruchtbaarheid aan gegeven. Waar het om gaat is het leven van mensen en het observeren van deze levens... hoe gewoontjes ook. Als dat betekent dat we minutenlang moeten kijken naar mensen die aan het eten zijn, dan moet dat maar.

Een ander element dat typisch Ozu is zijn treinen en daar hebben we er genoeg van in Kôhî Jikô. De vriend en toeverlaat van Yoko is de zwijgzame Hajime (weer een uitstekende rol van Asano Tadanobu), die een aparte hobby heeft: hij neemt treingeluiden op en hoopt dat ooit iemand in de rechtbank zal moeten getuigen aan de hand van zijn geluiden. Samen gaan ze op reis (met de trein natuurlijk) om te zoeken naar meer details over het leven van Jiang.

Kôhî Jikô is een uitgekiende film, die meer de nadruk legt op het kijken naar mensen en hun gedrag, dan naar het ontwikkelen van een solide plot. De film is uitmuntend geschoten door Lee Ping-bing (Springtime in a Small Town) en biedt een leuke kijk in het leven in een metropolis als Tokyo. Als langzame gedetailleerde films de voorkeur genieten, dan kan je je aan Kôhî Jikô geen buil vallen, anders luidt het advies: neem de grote boog en ga een andere Japanse film kijken.

Geen enkele film van Solondz is tot nu toe zonder ophef uitgebracht. Welcome to the Dollhouse (1995) was een niets verhullende vertelling over gepest op school; Happiness (1998) was een pijnlijk eerlijke ensemble-film over eenzaamheid en kindermisbruik; Storytelling (2001) was een film over de innerlijke strijd van een mens en de ontluikende seksualiteit van een tiener. Wat kan daar nog aan toegevoegd worden? Tienerzwangerschappen en abortussen natuurlijk, maar bovenal ook liefde.

In Palindromes is het Aviva (let dus op de palindroom) die de hoofdrol speelt. Ze is een eigenzinnige 12-jarige tiener met weinig zelfvertrouwen en een kinderwens. Iets wat haar moeder (Ellen Barkin) en vader (Richard Masur) begrijpelijk tegen de borst stuit. Wanneer Aviva geheel volgens haar plan zwanger wordt dwingt moeder haar om een abortus te laten doen (al is het alleen maar omdat zij er ook een heeft laten doen). De operatie gaat niet goed en Aviva loopt weg van huis en ontmoet op haar reis diverse personen die van invloed gaan zijn op haar verdere leven. Maar uiteindelijk belandt ze toch weer op dezelfde plaats, zoals het een palindroom betaamt.

Wat direct aan Palindromes opvalt is dat Solondz ervoor gekozen heeft om Aviva te laten spelen door maar liefst zeven verschillende actrices. Blank, donker, dik, dun, met of zonder beugel, het maakt allemaal niets uit in de ogen van Solondz. Hiermee gaat hij enige raciale, religieuze of etnische vereenzelviging uit de weg en maakt van Aviva een personage dat door iedereen ingevuld kan worden. Maar over de hele linie maakt Solondz van Aviva een sympathieke jongedame. Iemand voor wie je wil juichen, hoe bizar haar motieven ook zijn.

Palindromes is naast een zeer geslaagde komedie (veel prototype Solondz-dialogen) ook een aanklacht tegen hypocrisie en dan vooral de hypocrisie die door fundamentalistische Christenen aan de man wordt gebracht. Zoals dat blijkt uit het van buiten schattige pleeggezin Sunshine en hun 'underground' acties tegen dokters die abortussen plegen. Of is het toch een aanklacht tegen het plegen van abortussen? Solondz laat het allemaal in het midden voor het publiek om uit te zoeken. Reken er maar op dat je de zaal niet verlaat met een leeg hoofd, maar dat zijn we gewend van Solondz.

Stand van de Maan is het tweede deel in een drieluik (het eerste deel was Stand van de Zon) over het dagelijks leven in het hedendaagse Indonesië met de nadruk op de immer aanwezige strijd tussen het Christendom en de Islam, de grootste religie in Indonesië. Regisseur Leonard Retel Helmrich neemt ons weer mee naar Djakarta waar we weer dezelfde familie volgen als in Stand van de Zon: de inmiddels 62-jarige Rumidjah, haar zoon Bakti en de 12-jarige Tari.

Het wordt Rumidjah allemaal teveel. Als christelijke vrouw heeft ze het steeds harder te verduren onder de steeds maar strenger wordende normen en waarden van de moslimgemeenschap. Ze wil het liefste terug naar het platteland verhuizen, maar heeft heel erg goed door dat dat geen plaats is voor een jonge meid als Tari. Haar zoon Bakti is ook niet echt een stabiele factor in haar leven. Hij heeft alles over voor zijn duiven, maar gaat nog liever de bloemetjes buiten zetten in de chaotische straten van Djakarta. Ze moet een zware beslissing nemen die voor niemand uiteindelijk bevorderlijk zou kunnen zijn.

Retel Helmrich is zelf van Indonesische afkomst en woont sinds enkele jaren zelfs de helft van het jaar in Indonesië. Zijn banden met de Indonesische naasten zijn terug te vinden in de manier waarop de camera gehanteerd wordt en de manier waarop hij de levens registreert van deze mensen. Hij velt geen oordeel, hij registreert alleen maar. Geen voice-overs, geen titlecards, geen uitleg, alleen pure registratie.

Dat wil niet zeggen dat Stand van de Maan een loodzware film is geworden. De humor in deze film werkt enorm verfrissend en is van een hoog niveau. Of het nu gaat om de capriolen van Bakti of het voorlezen van een strip waarin uitgelegd wordt hoe de Islam het hiernamaals ziet voor de ongelovigen. Het heeft allemaal een komisch tintje. Stand van de Maan laat een zeer realistisch beeld zien van een bevolkingsgroep die steeds meer onder druk komt te staan in een maatschappij die steeds intoleranter wordt (hoewel de Indonesische Islam minder streng is dan de Arabische).

Stand van de Zon en Stand van de Maan hebben af en toe het predikaat anti-Islamitische film meegekregen. Maar dat is onzin. Dit zijn mooie films over leven en religie, geen religieuze pamfletten. Het is echter nog maar de vraag of de Jury van het Sundance Film Festival daar dit jaar ook zo over hebben gedacht. Stand van de Maan won daar onlangs de Grand Jury Prize voor World Cinema Documentary.

Regisseur Iwai Shunji is dit jaar op het IFFR te bewonderen met het schattige Hana to Aris (Hana and Alice), een verhaal over tienermeisjes die naarstig op zoek zijn naar hun plaats in de wereld en uiteraard ook naar liefde. In tegenstelling tot het duistere Riri Shushu no Subete (All About Lili Chou-Chou) heeft Hana to Aris een lichte toon en is daardoor enorm toegankelijk voor een breed publiek (als die de kans krijgen om deze film ooit te zien).

Het begint allemaal in de trein naar school... Alice en Hana zijn dikke vriendinnen. Ze delen alles met elkaar, maar zoals dat altijd gaat worden ze ouder en gaan ze steeds meer hun eigen weg. 'We moeten ons minder gaan gedragen als een tweeling,' zegt Hana wijs. Wanneer het andere geslacht in het vizier komt is het hek helemaal van de dam. In de trein laat Alice (Aoi Yu) aan Hana (Suzuki Anne) haar grote heimelijke liefde zien: een lange stoere Amerikaans-Japanse man in een strak pak. De meiden giechelen, maken foto's, maar nemen nooit de grote stap om hem ook daadwerkelijk aan te spreken. Het vreemde is wel dat er altijd een andere jongen bij de man staat: een jongere vent met altijd zijn neus in een boek. Naarmate de fascinatie voor de heren bij Alice wegebt bloeit er bij Hana iets voor de jonge man.

Fast forward: op een dag stoot Miyamoto (Kaku Tomohiro) flink zijn kop tegen een garagedeur en raakt bewusteloos. Wanneer hij bijkomt staat Hana over hem heen gebogen en vraagt aan hem of hij haar kent. 'Nee,' zegt Miyamoto. 'Ik ben je vriendin, weet je dat niet meer,' antwoordt Hana. Dit is het begin van een ingewikkelde strijd om de affecties van Miyamoto door Hana en Alice, die door Hana ingeseind wordt om de ex-vriendin van Miyamoto te spelen. Het probleem is echter wel dat Miyamoto erg hard zijn best doet om zijn geheugen terug te krijgen (dat hij niet kwijt is). Zijn die gevoelens die hij voor Alice voelt dan echt of niet?

In eerste instantie lijkt dit een ordinaire 'tearjerker,' maar de manier waarop Iwai Hana to Aris op het scherm brengt is werkelijk prachtig. Iwai neemt uitgebreid de tijd om de twee jonge dames (die allebei uitstekend spelen) een gedegen achtergrond te geven. Over het thuisfront van Hana komen we niet heel erg veel te weten. Alleen dat haar moeder het niet zo nauw neemt met het rondlopen in haar ondergoed terwijl het nieuwe 'vriendje' van haar dochter ziek op de bank ligt. Dit is een voorbeeld van de komische toon die door de hele film te vinden is. Van Alice komen we meer te weten. Haar moeder is iemand die het huishouden niet zo nauw neemt en haar vader neemt haar mee op dagtrips door Tokyo (wat trouwens een van de mooiste scènes van de film oplevert). Ook de relatie tussen de meiden wordt goed uitgewerkt. Het leuke is dat hoewel ze de neiging hebben om uit elkaar te groeien en elkaar af en toe flink in de haren te vliegen, ze elkaar toch steeds weer vergeven en teruggaan naar de orde van de dag.

Het knappe aan Hana to Aris is de keuze van Iwai om af en toe flink lyrisch uit de hoek te komen. Een scène waarin de groep ballerina's - waartoe de dames behoren -gefotografeerd wordt neemt al gauw een minuut of vijf in beslag. De apotheose waarin zowel Hana als Alice hun grootste angsten moeten zien te overkomen neemt voor elke dame enkele minuten in beslag. Dit alles is ook nog eens op een prachtige poëtische manier vastgelegd door de camera van Shinoda Noboru (Riri Shushu no Subete).

Het zijn ook kleine uitstapjes die Iwai maakt - zonder er verder uitleg bij te geven - die van Hana to Aris zo'n prettige vertoning maken. Zo horen we opeens het thema van Sneeuwitje (Hi-ho Hi-ho) als we een grote groep kinderen zien lopen of zien we een grote lachende opblaaspop net buiten het raam van een klaslokaal die een zwaar gesprek van Hana en Miyamoto aanhoort. Hana to Aris is een van die weinige echt goede titels die dit jaar draaiden op het IFFR (Vital en Dare Mo Shiranai daargelaten natuurlijk). Hana to Aris is zelfs met zijn speelduur van ruim twee uur een juweeltje dat het verdient om door veel mensen aanschouwd te worden.


Mattijs Grannetia volgt voor Movie het 34ste Internationale Film Festival van Rotterdam. Volgende week het derde deel van zijn verslag.