In Palindromes is het Aviva (let dus op de palindroom) die de hoofdrol speelt. Ze is een eigenzinnige 12-jarige tiener met weinig zelfvertrouwen en een kinderwens. Iets wat haar moeder (Ellen Barkin) en vader (Richard Masur) begrijpelijk tegen de borst stuit. Wanneer Aviva geheel volgens haar plan zwanger wordt dwingt moeder haar om een abortus te laten doen (al is het alleen maar omdat zij er ook een heeft laten doen).
De operatie gaat niet goed en Aviva loopt weg van huis en ontmoet op haar reis diverse personen die van invloed gaan zijn op haar verdere leven. Maar uiteindelijk belandt ze toch weer op dezelfde plaats, zoals het een palindroom betaamt.
Wat direct aan Palindromes opvalt is dat Solondz ervoor gekozen heeft om Aviva te laten spelen door maar liefst zeven verschillende actrices. Blank, donker, dik, dun, met of zonder beugel, het maakt allemaal niets uit in de ogen van Solondz. Hiermee gaat hij enige raciale, religieuze of etnische vereenzelviging uit de weg en maakt van Aviva een personage dat door iedereen ingevuld kan worden. Maar over de hele linie maakt Solondz van Aviva een sympathieke jongedame. Iemand voor wie je wil juichen, hoe bizar haar motieven ook zijn.
Palindromes is naast een zeer geslaagde komedie (veel prototype Solondz-dialogen) ook een aanklacht tegen hypocrisie en dan vooral de hypocrisie die door fundamentalistische Christenen aan de man wordt gebracht. Zoals dat blijkt uit het van buiten schattige pleeggezin Sunshine en hun 'underground' acties tegen dokters die abortussen plegen. Of is het toch een aanklacht tegen het plegen van abortussen? Solondz laat het allemaal in het midden voor het publiek om uit te zoeken. Reken er maar op dat je de zaal niet verlaat met een leeg hoofd, maar dat zijn we gewend van Solondz.
Stand van de Maan is het tweede deel in een drieluik (het eerste deel was Stand van de Zon) over het dagelijks leven in het hedendaagse Indonesië met de nadruk op de immer aanwezige strijd tussen het Christendom en de Islam, de grootste religie in Indonesië. Regisseur Leonard Retel Helmrich neemt ons weer mee naar Djakarta waar we weer dezelfde familie volgen als in Stand van de Zon: de inmiddels 62-jarige Rumidjah, haar zoon Bakti en de 12-jarige Tari.
Het wordt Rumidjah allemaal teveel. Als christelijke vrouw heeft ze het steeds harder te verduren onder de steeds maar strenger wordende normen en waarden van de moslimgemeenschap. Ze wil het liefste terug naar het platteland verhuizen, maar heeft heel erg goed door dat dat geen plaats is voor een jonge meid als Tari. Haar zoon Bakti is ook niet echt een stabiele factor in haar leven. Hij heeft alles over voor zijn duiven, maar gaat nog liever de bloemetjes buiten zetten in de chaotische straten van Djakarta. Ze moet een zware beslissing nemen die voor niemand uiteindelijk bevorderlijk zou kunnen zijn.
Retel Helmrich is zelf van Indonesische afkomst en woont sinds enkele jaren zelfs de helft van het jaar in Indonesië. Zijn banden met de Indonesische naasten zijn terug te vinden in de manier waarop de camera gehanteerd wordt en de manier waarop hij de levens registreert van deze mensen. Hij velt geen oordeel, hij registreert alleen maar. Geen voice-overs, geen titlecards, geen uitleg, alleen pure registratie.
Dat wil niet zeggen dat Stand van de Maan een loodzware film is geworden. De humor in deze film werkt enorm verfrissend en is van een hoog niveau. Of het nu gaat om de capriolen van Bakti of het voorlezen van een strip waarin uitgelegd wordt hoe de Islam het hiernamaals ziet voor de ongelovigen. Het heeft allemaal een komisch tintje. Stand van de Maan laat een zeer realistisch beeld zien van een bevolkingsgroep die steeds meer onder druk komt te staan in een maatschappij die steeds intoleranter wordt (hoewel de Indonesische Islam minder streng is dan de Arabische).
Stand van de Zon en Stand van de Maan hebben af en toe het predikaat anti-Islamitische film meegekregen. Maar dat is onzin. Dit zijn mooie films over leven en religie, geen religieuze pamfletten. Het is echter nog maar de vraag of de Jury van het Sundance Film Festival daar dit jaar ook zo over hebben gedacht. Stand van de Maan won daar onlangs de Grand Jury Prize voor World Cinema Documentary.
Regisseur Iwai Shunji is dit jaar op het IFFR te bewonderen met het schattige Hana to Aris (Hana and Alice), een verhaal over tienermeisjes die naarstig op zoek zijn naar hun plaats in de wereld en uiteraard ook naar liefde. In tegenstelling tot het duistere Riri Shushu no Subete (All About Lili Chou-Chou) heeft Hana to Aris een lichte toon en is daardoor enorm toegankelijk voor een breed publiek (als die de kans krijgen om deze film ooit te zien).
Het begint allemaal in de trein naar school... Alice en Hana zijn dikke vriendinnen. Ze delen alles met elkaar, maar zoals dat altijd gaat worden ze ouder en gaan ze steeds meer hun eigen weg. 'We moeten ons minder gaan gedragen als een tweeling,' zegt Hana wijs. Wanneer het andere geslacht in het vizier komt is het hek helemaal van de dam. In de trein laat Alice (Aoi Yu) aan Hana (Suzuki Anne) haar grote heimelijke liefde zien: een lange stoere Amerikaans-Japanse man in een strak pak. De meiden giechelen, maken foto's, maar nemen nooit de grote stap om hem ook daadwerkelijk aan te spreken. Het vreemde is wel dat er altijd een andere jongen bij de man staat: een jongere vent met altijd zijn neus in een boek. Naarmate de fascinatie voor de heren bij Alice wegebt bloeit er bij Hana iets voor de jonge man.
Fast forward: op een dag stoot Miyamoto (Kaku Tomohiro) flink zijn kop tegen een garagedeur en raakt bewusteloos. Wanneer hij bijkomt staat Hana over hem heen gebogen en vraagt aan hem of hij haar kent. 'Nee,' zegt Miyamoto. 'Ik ben je vriendin, weet je dat niet meer,' antwoordt Hana. Dit is het begin van een ingewikkelde strijd om de affecties van Miyamoto door Hana en Alice, die door Hana ingeseind wordt om de ex-vriendin van Miyamoto te spelen. Het probleem is echter wel dat Miyamoto erg hard zijn best doet om zijn geheugen terug te krijgen (dat hij niet kwijt is). Zijn die gevoelens die hij voor Alice voelt dan echt of niet?
In eerste instantie lijkt dit een ordinaire 'tearjerker,' maar de manier waarop Iwai Hana to Aris op het scherm brengt is werkelijk prachtig. Iwai neemt uitgebreid de tijd om de twee jonge dames (die allebei uitstekend spelen) een gedegen achtergrond te geven. Over het thuisfront van Hana komen we niet heel erg veel te weten. Alleen dat haar moeder het niet zo nauw neemt met het rondlopen in haar ondergoed terwijl het nieuwe 'vriendje' van haar dochter ziek op de bank ligt. Dit is een voorbeeld van de komische toon die door de hele film te vinden is. Van Alice komen we meer te weten. Haar moeder is iemand die het huishouden niet zo nauw neemt en haar vader neemt haar mee op dagtrips door Tokyo (wat trouwens een van de mooiste scènes van de film oplevert). Ook de relatie tussen de meiden wordt goed uitgewerkt. Het leuke is dat hoewel ze de neiging hebben om uit elkaar te groeien en elkaar af en toe flink in de haren te vliegen, ze elkaar toch steeds weer vergeven en teruggaan naar de orde van de dag.
Het knappe aan Hana to Aris is de keuze van Iwai om af en toe flink lyrisch uit de hoek te komen. Een scène waarin de groep ballerina's - waartoe de dames behoren -gefotografeerd wordt neemt al gauw een minuut of vijf in beslag. De apotheose waarin zowel Hana als Alice hun grootste angsten moeten zien te overkomen neemt voor elke dame enkele minuten in beslag. Dit alles is ook nog eens op een prachtige poëtische manier vastgelegd door de camera van Shinoda Noboru (Riri Shushu no Subete).
Het zijn ook kleine uitstapjes die Iwai maakt - zonder er verder uitleg bij te geven - die van Hana to Aris zo'n prettige vertoning maken. Zo horen we opeens het thema van Sneeuwitje (Hi-ho Hi-ho) als we een grote groep kinderen zien lopen of zien we een grote lachende opblaaspop net buiten het raam van een klaslokaal die een zwaar gesprek van Hana en Miyamoto aanhoort. Hana to Aris is een van die weinige echt goede titels die dit jaar draaiden op het IFFR (Vital en Dare Mo Shiranai daargelaten natuurlijk). Hana to Aris is zelfs met zijn speelduur van ruim twee uur een juweeltje dat het verdient om door veel mensen aanschouwd te worden.
"This is fictional life / Based on factual death" Dit zijn de woorden waarmee Samuel Fuller zijn magnum opus The Big red One opent en veel beter kan deze film niet beschreven worden. Samuel Fuller's The Big Red One uit 1980 wordt in het genre van de oorlogsfilm gezien als een klassieker. De toentertijd al flink op leeftijd zijnde Fuller had een oorlogsfilm voor ogen waarbij de kijker voor het eerst de werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog kon ervaren - hoewel daarvoor volgens hem ook granaten en kogels nodig zouden zijn in de bioscoop. Wat hij had gecreëerd was een intelligente en gevoelige film over de vele emotionele fases die een soldaat doormaakt in een oorlog. Helaas, de studio dacht er niet zo over.
The Big Red One werd door de studio tegen de wil van Fuller flink versneden - van 158 minuten naar 113 minuten - en er bleef weinig over van deze anderzijds uitstekende oorlogsfilm. Weg waren de introspectieve momenten die de soldaten diepgang gaven en geboren was de standaardfilm in de lijn van The Green Berets en The Longest Day. Anno 2004 was het tijd voor een update. Het succes van films als Saving Private Ryan en The Thin Red Line zette een aantal mensen aan het denken. Producenten Richard Schickel en Brian Jamieson zagen het als hun taak om deze legende weer tot leven te wekken.
Veel bloed, zweet en tranen later is er dan de The Big Red One: The Reconstruction, de in volle glorie herstelde oorlogsfilm in al zijn elegantie en hardheid. In deze film volgen we een groep soldaten onder leiding van The Sergeant - gespeeld door Lee Marvin in een van zijn beste rollen. Hun relaas begint in Noord-Afrika en gaat daarna naar Sicilië, Frankrijk, België, Duitsland en uiteindelijk Tsjecho-Slowakije. The Big Red One was een overgangspunt in de filmgeschiedenis. Aan de ene kant hebben we de epische gevechten zoals we die al ruimschoots hadden gezien en anderzijds kregen we oorlog te zien zoals we dat nog niet eerder gezien hadden: de gruwelen in close-up door de ogen van de soldaten. Iets dat Spielberg en Malick in hun films nog verder doorvoeren.
De humor en de dynamiek tussen de Sergeant en zijn vaste groep van vier soldaten (de rest van de manschappen wisselen constant en geven het inwisselbare gezicht van een soldaat goed weer) is in de Reconstruction ook beter uitgewerkt. Lee Marvin zet een uitstekend ontplooid personage neer dat ontzettend humoristisch kan zijn (de bevallingsscène) en op het andere moment ook een personage kan zijn waarvoor je sympathie kan voelen. Het zijn de vier 'onderdanen' van de Sergeant die de film afronden. Bobby Di Cicco en Kelly Ward leveren een flinke dosis humor af om de film te verlichten, maar het zijn Robert Carradine (Revenge of the Nerds) en Mark Hamill (Star Wars) die de show stelen als respectievelijk de sigaarkauwende schrijver en de gewetensvolle scherpschutter. De scène in het concentratiekamp waarin Hamill's personage zijn geweer leegt op een dode Duitser is misschien wel een van de meest aangrijpende scènes ooit gefilmd voor een oorlogsfilm.
The Big Red One is gebaseerd op Fuller's ervaringen in WOII en is daarom zijn meest persoonlijke vertelling over deze zogenaamde laatste 'nette' oorlog. Door de perfecte balans tussen chaos, introspectie, grandeur, humaniteit en humor zou je bijna kunnen zeggen dat Samuel Fuller was wat Oliver Stone was voor de Vietnam oorlog met Platoon, alhoewel Stone natuurlijk ook baat heeft gehad bij de aanpak van Fuller. The Reconstruction is nu definitief de juiste versie van The Big Red One om te kijken, want het is je niet goed voor te stellen dat een film, waarin de nieuwe veertig minuten zo goed werken, ook nog aan te zien is in zijn verkorte versie.
Welt Spiegel Kino (World Mirror Cinema) is een project van de Oostenrijker Gustav Deutsch, een zogenaamde 'filmmaker zonder camera.' Met deze naam wordt gedoeld op zijn werkwijze: door middel van het bij elkaar zoeken van filmfragmenten creëert Deutsch telkens weer een film die ons een blik gunt in de geschiedenis van de film. In het geval van Welt Spiegel Kino betekent dit ook een blik in de geschiedenis van drie steden aan het begin van de vorige eeuw.
Welt Spiegel Kino is opgebouwd uit drie episodes. De enige overeenkomst die de episodes met elkaar hebben is de opbouw. Deutsch begint met een panoramaopname van een straat met als voorwaarde dat er een bioscoop aanwezig is. Vanuit dat oogpunt zoomt Deutsch een voor een in op de verder niet beschreven 'personages' en verbindt hen aan filmbeelden uit dezelfde periode. Op deze manier krijgen deze figuranten een diepere betekenis voor de kijker en komen ze als het ware tot leven. Een bijzondere en intrigerende aanpak.
De steden die Deutsch aan ons voorlegt zijn Wenen in 1912, Surabaya in 1929 en Porto in 1929. Het is voor Nederlanders in het bijzonder erg interessant om 'levende' beelden te zien van Indonesië in de genoemde periode. We zien typisch Nederlandse merken als Dunlop en Nedam langskomen en krijgen het gevoel dat we daar echt op straat rondlopen. Het is frappant hoe effectief Deutsch het straatleven in de drie steden weet te reconstrueren voor ons (ook al zijn de erbij gezochte fragmenten vaak helemaal niet van toepassing op de getoonde 'figuranten').
Nu we toch bezig zijn in het Cinema Regained programma van het IFFR is het leuk om te melden dat Deutsch in zijn film ook nog eens fragmenten heeft gevonden van de films die in de bewuste bioscopen draaien. Helaas is er over de film die we zien in Wenen niet veel bekend, maar de titel is in ieder geval Schwarze Kappe en deze dateert uit 1912 of 1913. Op Surabaya zien we een fragment uit Fritz Lang's Siegfried en in Porto zijn we getuige van een fragment uit José do Telhado van Rino Lupo. Maar genoeg details.
Een de van de meest amusante fragmenten is te zien als slotstuk: we zien in Porto een grote groep mensen op een plein staan die allemaal dezelfde kant op staren. En waar kijken ze naar? Juist, voetbal, één enkel bord in de vorm van het veld en een balletje dat aangeeft voor de toeschouwer waar de bal zich bevindt in het stadion. Een prachtige vondst van Deutsch dat je bijna 'levende' archeologie kan noemen. Voor de cinefiel is Welt Spiegel Kino absoluut een must. Deutsch geeft met een welgemeend 'TO BE CONTINUED' aan het eind van de film aan dat hij nog meer episodes gaat maken om zo een programma te ontwikkelen dat bestaat uit filmbeelden afkomstig van over de gehele wereld.
Sake to Onna to Yari (The Master Spearman) is de eerste van drie films geregisseerd door Uchida Tomu die ik op het IFFR ga bekijken. Sake to Onna to Yari is een film in het genre jidai-geki (kostuumdrama), een film over samurai en geisha's, helden en oorlog, krijgers en hun strikte erecode. Het is deze erecode die de hoofdpersoon Tomita zo tegen de borst stuit. Het gevolg is een bijtende satire op de leefwijze van de samurai, het concept 'oorlogsglorie' en bovenal het plegen van een rituele zelfmoord als boetedoening.
In Sake to Onna to Yari raakt Tomita steeds meer gedesillusioneerd met de manier waarop samurai hun leven moeten leiden en vooral de corruptie die hij overal om zich heen ziet. Na een schandalige daad van iemand in zijn omgeving meent Tomita daar zelf ook voor te moeten boeten. Op onorthodoxe wijze kondigt hij zijn 'seppuku' aan via een aanplakbiljet en nodigt hij vooral iedereen uit om te komen kijken. Overmatig drankgebruik en een interventie van een hoogwaardigheidsbekleder zorgen er daarentegen voor dat zijn leven gespaard blijft. Tomita trekt zich terug op het platteland met zijn nieuwe liefde Uneme, een geisha. Hij komt helemaal tot rust en heeft het aardig naar zijn zin. Totdat zijn verleden hem weer komt halen voor een laatste grote slag.
Uchida's films doen over het algemeen zeker niet onder voor andere films in het jidai-geki genre die gemaakt zijn door de in het westen meer bekende regisseurs Kurosawa Akira of Inagaki Hiroshi. Het probleem is echter dat het werk van Uchida hier in het westen vrijwel onbekend is. Op een enkel sporadisch retrospectief na is Uchida's werk nog nooit buiten Japan vertoond en dat terwijl Uchida in Japan een volksheld is.
Volksheld is een goede naam voor Uchida, want in veel van zijn films weet hij op intelligente wijze liberale denkwijzen en kritische noten in te bouwen.
In glorieus kleuren breedbeeld (2.35:1) schildert - zo kan je de beeldcomposities omschrijven - Uchida in Sake to Onna to Yari een amusante wereld vol grappen en grollen, die een perfect tegenwicht kunnen leveren voor de heldhaftige films die meestal dit genre bevolken. De toon en het tempo zijn prima uitgewerkt en het acteerwerk is zoals je kan verwachten: vaak overdreven, maar erg amusant. Het venijn bij Sake to Onna to Yari zit hem in de staart. Wanneer Tomita er dan uiteindelijk toch voor kiest om weer ten strijde te trekken wikkelt Uchida dit op een gehaast en volstrekt onduidelijke manier af. Nooit wordt echt duidelijk of Tomita nu in zijn oude gewoonten teruggevallen is of dat hij nu juist ten strijde trekt voor de glorie van zijn ongeboren kind en vrouw. Dit zal altijd wel een discussiepunt blijven.
Een bakkie thee met een koekje als je 's middags moe uit school kwam. Dat is voor veel mensen de associatie die zij hebben met die warme vloeistof afkomstig uit het Verre Oosten. Maar om nou te zeggen dat dit een spirituele ervaring was is waarschijnlijk wat overdreven. De Chinese componist Tan Dun (Hero) heeft daar geheel andere ideeën over die hij vertaalde in een opera over thee.
Regisseur Frank Scheffer vond deze opera interessant genoeg om er een documentaire over te maken. Hij gebruikt beelden van de opera en monteert deze met interviews, beelden van een Japanse theeceremonie, de natuurlijke omgeving van thee en een Chinees poppenspel. Maar de hoofdmoot van Tea wordt opgemaakt door de opera. Deze Tea-opera is gebaseerd op het Theeboek, waarin thee gezien wordt als een metafoor voor de juiste manier van leven. Een perfect evenwicht tussen goed en kwaad. Water en vuur. Voor thee is per slot van rekening water nodig dat opgewarmd wordt door middel van vuur om een harmonieus geheel te brouwen. Een filosofie die door Tan Dun en zijn tekstschrijver Xu Ying erg serieus genomen wordt.
Zo komen we bij twee belangrijke struikelblokken voor de kijkers van Tea. Het is uitermate belangrijk dat men een affiniteit heeft met opera, want bijna de gehele opera komt over het beeld rollen op een wijze die voor een niet-liefhebber als overdreven en volstrekt ongenietbaar over zal komen. Het andere struikelblok is de zweverige manier van praten die Tan Dun, Xu Ying en operaregisseur Pierre Audi aanwenden. Hun gebabbel over de kosmische relevantie van thee is veelal moeilijk te verkroppen voor een goed geaard mens.
Wat Tea op de been houdt zijn de strakke montage en de beelden buiten de opera om. De prachtig serene beelden van de Japanse theeceremonie en de buitengewone toewijding van de uitvoerder daarvan zijn een genot om naar te kijken (daar hadden we wel meer van willen zien). De sporadische beelden van de verbouw en verwerking van de theeplant zijn ook interessant, maar gaan lang niet diep genoeg.
De 'bottom line' bij deze documentaire is dat Scheffer een betere verhouding had moeten vinden tussen de operabeelden en de hoeveelheid achtergrond informatie over de thee zelf, want na het kijken van Tea weten we eigenlijk nog steeds niets specifieks over die kleine blaadjes die over de gehele wereld zoveel mensen blijven boeien.
Twee jaar na zijn repatriëring uit China maakte Uchida Tomu het eigenaardige Tasogare Sakaba (Twilight Saloon). Eigenaardig in de zin dat deze film in weinig opzichten verband houdt met de rest van het werk van Tomu na de Tweede Wereldoorlog. Geen samurai, geen grootse veldslagen en zwaardgevechten, maar een haast theatrale productie over een groep mensen in een bar in een verder niet omschreven stad. Wat wel overeind bleef in deze productie is Uchida's hang naar 'human interest' en zijn sympathie voor de werkende klasse.
Net als in een goede Altman of Anderson hebben we in Tasogare Sakaba weer veel personages om te volgen gedurende een dag in de bewuste bar van openings- tot sluitingstijd. Zo hebben we daar de pianist die graag een beroemde componist wil zijn; de jonge operazanger die twijfelt tussen zijn loyaliteit aan de pianospeler en zijn toekomst; een serveerster die ten koste van alles overweegt te vertrekken naar Osaka met haar geliefde; de schilder die zwaar te lijden heeft onder zij oorlogsverleden; en de stripper wiens echtgenoot haar mishandelt.
Deze personages zijn allemaal op zoek naar een nieuwe richting in hun leven. Net als de personages in bijvoorbeeld Anderson's Magnolia. Ze bevinden zich in dat vervelende schemergebied (de Twilight in de titel) waar je vaak alleen niet zo gauw uitkomt. Ze hebben dat duwtje in de rug nodig en gedurende de film krijgt iedereen deze uit vaak onverwachte hoeken. Uchida toont heel erg veel geduld met deze mensen en geeft hen op deze manier de tijd om zich te laten gelden in de vaak chaotische omgeving van de bar. Een oase van rust wordt door Uchida gecreëerd door middel van uitstekende stukken muziek en een sterk getimed gevoel voor humor.
Het is de cameravoering die Tasogare Sakaba afmaakt. De camera volgt de gasten van de bar op de voet met perfect uitgedachte bewegingen die zelden of nooit overkomen als geforceerd (vooral de 'stripscène' is een knap staaltje choreografie). De camera is haast een van de vele gasten in de bar die de gebeurtenissen gade slaan vanaf een vaak respectabele afstand. Tasogare Sakaba is een zeldzaam mooi stuk cinema dat het verdient om door meer mensen gezien te worden. Laten we hopen dat er iemand is hier in het westen die op heeft zitten letten en een retrospectief uit wil gaan geven van Uchida zijn films op DVD.
De derde en laatste film van Uchida Tomu die ik tijdens dit IFFR ben gaan kijken is Naniwa no Koi no Monogatari (Chikamatsu's "Love in Osaka"). Een film die in veel opzichten overeenkomsten heeft met John Madden's Shakespeare's in Love. Net als de werken van William Shakespeare zijn de werken van de zeventiende eeuwse Chikamatsu Monzaemon al veelvuldig verwerkt in films.
Het toneelstuk Love in Osaka, waarop deze film is gebaseerd, is een tragedie in de lijn van Romeo and Juliette. Twee geliefden zoeken naarstig een manier om samen te zijn, maar de omstandigheden werpen steeds weer blokkades op om hen apart te houden. De koerier Chubei wordt verliefd op de prostituee Umegawa en besluit haar te bevrijden uit haar omstandigheden. Hij komt echter tot de ontdekking dat zij op het punt staat om uitgehuwelijkt te worden aan een rijke zakenman. Chubei steelt het geld van een belangrijke opdrachtgever en koopt haar vrij. Vanaf dat moment zijn zij voortvluchtige criminelen en vertrekken zij naar Yamato om daar onder te duiken. Maar zoals het gaat in elke tragedie ligt de dood altijd op de loer.
Net als in Shakespeare's in Love is er in Love in Osaka voor gekozen om Chikamatsu op te laten draven als personage in een van zijn eigen stukken. Hoewel Chikamatsu minder verwikkeld is in de plot dan Joseph Fiennes, speelt zijn aanwezigheid zeker een grote rol in het visuele aspect van de film. De Japanse schrijver slaat de gebeurtenissen rond het getergde stel gade en schrijft tijdens de film een nieuw toneelstuk. Aan het eind van zijn film neemt Uchida dit zelfs heel erg serieus en sluit zijn film af met een klassiek poppenspel (bunraku) dat voor ons Westerlingen toch een tikje teveel van het goede is. Het sleept maar door, terwijl we allang doorhebben wat er gaat gebeuren. Hierin is de kloof tussen het Oosten en het Westen en de kloof tussen moderne en klassieke cinema nog duidelijk te voelen.
Hoe is de rest van Love in Osaka dan? Uitstekend. Zoals bijna elke Uchida die hier op het IFFR draait is ook Love in Osaka geschoten op 35mm en geprojecteerd op glorieus widescreen. Dit levert een prachtig schouwspel op waarin kleur en beeldcompositie een grote rol spelen. Uchida had zijn werken niet altijd voor het uitkiezen (heel weinig regisseurs hadden destijds die luxe), maar Love in Osaka is een stuk dat uitstekend in het straatje van Uchida past. De thematiek van het opkomen voor onderdrukten (Twilight Saloon) en het vrijmaken van bijvoorbeeld een prostituee (Yoshiwara en A Bloody Spear at Mt. Fuji) zijn duidelijk terug te vinden in Love in Osaka. Dit was zeker niet de beste Uchida die ik in de afgelopen dagen op het IFFR heb gezien - het waren er helaas maar drie - maar toch steekt Uchida met kop en schouders boven veel filmmakers uit en het wordt hoog tijd dat meer van zijn werken naar het westen komen.
Sinds Tom Tykwer in 1998 vanuit het niets de wereld bestormde met zijn hyperkinetische Lola Rennt is de Duitse filmwereld niet meer dezelfde geweest. Naast dat deze film Franka Potente lanceerde als filmster, was deze film ook verantwoordelijk voor de recente renaissance van de Duitse film. Het leek wel of met Lola Rennt het juk van de Tweede Wereldoorlog werd afgegooid en er weer ruimte vrijkwam voor films die minder zwaar op de hand lagen dan de gemiddelde Fassbinder.
Kammerflimmern (Off Beat) is een klinkend voorbeeld van deze wederopstanding van de Duitse film. Een leuke frisse film over gewone mensen in het hedendaagse Duitsland. Matthias Schweighöfer speelt de rol van ziekenbroeder Crash (een bijnaam), een jongen die al jong zijn ouders verloor in een auto-ongeluk en sindsdien een niet te vervullen drang heeft om mensen te helpen. Naast zijn werk heeft Crash niet zoveel om voor te leven, behalve skateboarden. Totdat hij November (Jessica Schwarz) ontmoet, wiens vriendje een overdosis heroïne heeft genomen. Er ontstaat een onwaarschijnlijke band tussen deze twee ongelukkige mensen.
De titel Kammerflimmern verwijst naar de plotselinge schok die iemand krijgt als zijn hart met een defibrillator weer op gang gebracht wordt. Dit is zowel letterlijk als figuurlijk van toepassing op het script van Hendrik Hölzemann, die met Kammerflimmern debuteert als speelfilmregisseur. Figuurlijk omdat Crash op een plek is in zijn leven waar hij een externe factor nodig heeft om zich te bevrijden. Voor de letterlijke interpretatie moeten we verwijzen naar de leuke surreële ontknoping waarover hier verder niets naar buiten gebracht zal worden.
Hölzemann is niet bang om in zijn debuutfilm een veelvoud aan stilistische vormen aan de kijker voor te leggen en hij doet dit met een ogenschijnlijk gemak dat je niet gauw verwacht bij een debutant. Kammerflimmern is een snelle, vermakelijke en humoristische film geworden die voor iedereen geschikt is. Deze film is uitdagend genoeg om de kijker gedurende de 100 minuten tellende speelduur genageld te houden aan het scherm. Getuige het feit dat deze film op nummer 20 is geëindigd (met een score van 4,24 van de 5) in de lijst van de Tiscali Publieksprijs kunnen we concluderen dat Kammerflimmern weer een prima titel is uit het nieuwe Duitsland.
Na tien dagen van rennen, vliegen, film kijken en keuzes maken zit het 34ste Film Festival van Rotterdam er weer op. Het bezoekersaantal is dit jaar weer toegenomen met 3.000. Voor sommigen reden om nog harder te roepen om een kleiner en overzichtelijker festival. De nieuwe indeling van het programma wierp deels haar vruchten af. Vaak wist je goed waar je aan toe was - mits je de moeite nam om de programma's door te spitten. Sturm und Drang, Kings & Aces, Time & Tide, titels die niet direct tot de verbeelding spreken, maar na zorgvuldige bestudering wel enigszins te begrijpen waren.
Valt er ook nog echt te klagen over deze editie van het IFFR? Ja, helaas wel en dat komt vooral voor rekening van de gasten (of degene die de gasten regelt natuurlijk). Hadden we vorig jaar nog Kitano Takeshi, Michael Winterbottom (wat deed die trouwens in het Sturm und Drang programma?), Christopher Doyle en de hetze rond Catherine Breillat's semi-pornofilm Anatomie de l'Enfer, dan moesten we het dit jaar stellen met relatief onbekende namen als Benoît Jacquot, Claire Denis, Fred Kelemen en Yegevi Yufit. Voor connaisseurs misschien een leuke toevoeging aan het festival, maar voor de 'gewone' bezoeker hebben deze mensen vaak niet zo heel erg veel te bieden. Volgend maar weer wat echte grote namen uit de Aziatische landen?
Nu Yufit toch genoemd is kunnen we direct het speciale programma rond de Russische 'underground' cinema onder handen nemen. Om eerlijk te zijn was in dit programma niet heel erg veel spectaculairs te vinden, behalve 4 van Ilya Khrzhanovsky, maar die draaide dan ook in het VPRO Tiger Award programma. Het andere speciale programma was SEA Eyes waarin de nadruk werd gelegd op films afkomstig uit 'nieuwe' gebieden in Zuidoost Azië. Ook hier kon met de beste wil van de wereld niet zo heel erg veel goeds gevonden worden. Het is wellicht een idee om de wildgroei van programmaonderdelen volgend jaar iets in te perken. Dit om de toch al verdwalende bezoeker niet nog verder het cineastische bos in te sturen.
Inmiddels lijkt het net alsof er niets goeds aan het festival te beleven was. Niets is minder waar. Als men diep genoeg groef kon men prachtige juweeltjes opgraven. In het Cinema Regained programma konden we genieten van zeven zeldzame films van Uchida Tomu en de gereconstrueerde versie van Samuel Fuller's The Big Red One. Kings & Aces had voor ons maar liefst twee sterke films van Kim Ki-duk (Bin-jip en Samaria) in petto. Alsmede nieuwe films van Hou (Café Lumière), Iwai (Hana and Alice), Wong (2046), Kore-eda (Nobody Knows) en Miyazaki (Howl's Moving Castle). Azië was hier oppermachtig. Time & Tide bracht ons toppers als Brothers (Susanne Bier), Dead Man's Shoes (Shane Meadows), Sideways (Alexander Payne) en Palindromes (Todd Solondz).
In het Cinema of the Future (bestaande uit Sturm und Drang en Rotterdämmerung) programma stonden vooral niet Aziatische landen vooraan. Scandinavië: Dalecarlians en Pusher II. USA: Tarnation, Primer en MovieZone winnaar Mysterious Skin. Duitsland: Kammerflimmern. België: Calvaire. Kortom genoeg om van te genieten.
Rest mij nog om mijn persoonlijke top tien samen te stellen voor deze editie. Op het festival zelf heb ik veertig films bekeken en met de films die ik al voor het festival gezien had (Paradise Girls, Nobody Knows, Sideways, 10e Chambre, 2046, Howl's Moving Castle) daarbij opgeteld kom ik op 46 films in totaal. Dat levert een redelijk gemiddelde op.
1. Dead Man's Shoes (Shane Meadows)
2. Bin-jip (Kim Ki-duk)
3. Hana to Aris (Iwai Shunji)
4. Sideways (Alexander Payne)
5. Hawaii, Oslo (Erik Poppe)
6. Simon (Eddy Terstall)
7. Pusher II (Nicolas Winding Refn)
8. 2046 (Wong Kar-wai)
9. Samaritan Girl (Kim Ki-duk)
10. Calvaire (Fabrice Du Welz)
Zijn er overeenkomsten met vorig jaar te herkennen? Kim Ki-duk natuurlijk (vorig jaar in de lijst met Spring Summer) en de aanwezigheid van Paul Giamatti (vorig jaar in American Splendor). Laat ik hier nog even mijn ongenoegen uitspreken over de Academy of Motion Picture Arts and Sciences die nu voor het tweede jaar achtereen Paul Giamatti links heeft laten liggen. Met deze lijst sluit ik mijn verslag van het 34ste Internationale Film Festival van Rotterdam af en hoop dat iedereen volgend jaar een bezoekje zal brengen aan dit exceptionele filmfestival.