Beeldt het u in: tijdens de eerste levensjaren biedt de immer veilige geborgenheid van het bed op de kinderkamer troost. Overal liggen knuffels en het kleurrijke behang brengt rust en kinderlijke kalmte. U bent net van plan om de ogen te sluiten en de grotemensenwereld weg te dromen als... “bewoog die pop?” In het door het raam naar binnen schijnende maanlicht meent u iets op te merken. Een licht in de dode ogen van die anders zo sympathiek glimlachende clown, wiens aangezicht in een kwaadaardig grijnzend grimas herschapen is. De sensatie die u overvalt heet angst.
Dat is het uitgangspunt van Child’s Play uit 1988. Terwijl tienermoordenaars zoals Freddy Krueger, Jason Voorhees en Leatherface vleesvermalende iconen binnen het genre werden en nieuwe creaturen uit de duistere psyche van Hollywood ontstonden (Pinhead om er een te noemen) liep scenarist Don Mancini rond met het idee om een horrorfilm over een waanzinnige pop te maken. Tom Holland, die enige geloofwaardigheid binnen het genre had opgebouwd met Fright Night, werd aangezocht om de regie op zich te nemen en de toen al gerenommeerde acteur Brad Dourif (hij had al een Oscarnominatie op zijn naam staan voor One Flew Over the Cuckoo’s Nest, won voor dezelfde rol een BAFTA en een Golden Globe, had zich laten opmerken in David Lynch’s Dune en Blue Velvet, Milos Formans Ragtime én Michael Cimino’s beruchte flop Heaven’s Gate) mocht de rol van Charles Lee Ray, de illustere “wurgmoordenaar”, vertolken.
Als de film opent zien we hoe Ray, op de vlucht voor agent Mike Norris (Chris Sarandon, wiens bekendste rol die van Al Pacino’s naar een geslachtsoperatie smachtende vriend in Sidney Lumets sublieme Dog Day Afternoon is), dodelijk gewond een speelgoedwinkel binnenvalt. Nadat hij op allesbehalve subtiele wijze bedreigingen uit aan het adres van Mike en Ray’s al even criminele partner Eddie, die hem in de steek gelaten heeft, mompelt hij dat hij “iemand moet vinden”. Als bij toeval vindt hij een Good Guy pop, het overdadig vriendelijke hoofdpersonage uit een bij kinderen immens populaire televisieshow. De pop, een enthousiast glimlachend, met blauwe ogen rondturend mannetje blijkt het perfecte “omhulsel” om Ray’s verwrongen ziel op te vangen en met een luidruchtige, door donder en bliksem kracht bijgezette voodoospreuk transporteert Ray zichzelf in de pop, terwijl zijn dode lichaam achterblijft.
Het duurt niet lang vooraleer de pop bij de kleine, door alles wat ook maar enigszins met Good Guy te maken heeft geobsedeerde Alex (Andy Barclay) terechtkomt. Zijn alleenstaande moeder (Catherine Hicks die later bekendheid verwierf met de angstaanjagend moraliserende televisieserie 7th Heaven) probeert het hoofd boven water te houden en toch kleine Alex alles te geven wat zijn hebberige hartje begeert. Alex is in de wolken met de pop, die zichzelf Chucky noemt, maar de eerste avond al (en deze kwinkslag moet u ons echt vergeven) gaan de poppen aan het dansen. Aanvankelijk lijkt het er nog op (of willen de makers ons doen geloven) dat Alex een psychopathische kleine donder is maar algauw openbaart Chucky zich als de manipulatieve, hamers naar babysitters gooiende smeerlap die hij werkelijk is. Als hij te horen krijgt dat hij het lichaam van Alex nodig heeft om terug mens te worden barst de spreekwoordelijke hel los.
Hoewel dit eerste deel er nog best in slaagt om een sfeervolle suspense te creëren (zo vraagt de moeder op een bepaald moment aan Alex of hij, na een discussie tussen hen, bij haar wil slapen, waarop de peuter indringend verklaart dat hij Chucky heeft om hem te troosten) wordt het meteen duidelijk dat Chucky de onbetwistbare ster van de film is en hoewel wij alvast de indruk kregen dat Mancini en co. verwoede pogingen ondernamen om de film met een nodige sérieux te kruiden kan de prent niets anders dan een amusante parodie op het genre van de zogeheten slashers zijn. Wat moeten we anders denken van een scène waarin Chucky met een bejaard koppel in een lift zit en ze hem “an ugly doll” noemen, waarop de pop, eens het beledigende duo de lift verlaten heeft, hen een goed uitgedachte en verbaal superieure “fuck you” nawerpt. Of dan de toch wel spannende sequentie waarin de moeder tot de realisatie komt dat Chucky leeft en hij, zwaar geërgerd door haar bemoeienis, in een scheldtirade ontsteekt, daarbij de vele “fucking bitch” zinnen niet schuwend.
In de daaropvolgende door John Lafia (coscenarist van deel een) geregisseerde sequel, het wel heel erg origineel getitelde Child’s Play 2 (compleet met tagline “Look out Jack! Chucky’s back!”), wordt de zwartkomische kant van Chucky’s persoonlijkheid meer uitgespit tijdens de groteske slachtpartijen die de pop, op zijn dodelijke pad naar Alex (die nu bij een pleeggezin woont), aanricht. De finale in een speelgoedfabriek behoort voor veel fans tot een van de favoriete momenten uit de Chucky saga.
In het derde luik, dat in de Verenigde Staten de subtitel Look Who’s Stalking meekreeg, besluiten de speelgoedfabrikanten de Good Guy poppen na de uitgedoofde negatieve publiciteit terug op de markt te gooien. Zo komt ook de ziel van Charles Lee Ray opnieuw
in een van de poppen en terwijl hij moordlustig op zoek gaat naar Andy (vertolkt door Justin Whalin, die Andy Barclay vervangt) komt hij terecht bij een jongen van wie Chucky denkt dat hij hem evengoed als het nieuwe omhulsel voor zijn “geest” kan gebruiken. Het is nu aan Andy, die zich in een militaire academie bevindt, om de malafide plannen van zijn oude vijand te stoppen.
Zo leek de zelfverklaarde Chucky-trilogie met deze door Jack Bender (een man die later afleveringen van onder andere The Sopranos, Carnivàle en Lost zou regisseren) gerealiseerde, door pers en publiek negatief ontvangen productie te eindigen tot in 1998 Mancini de franchise opnieuw leven inblies met het absurde maar bijwijlen hilarische Bride of Chucky.
In een post- Scream wereld, waar horror opeens zelfrelativerend en “slim” moest zijn, is Bride een van de betere parodieën. Hoewel we ook geconfronteerd worden met pubers; in dit geval een met steroïden opgepompte softy, een hopeloos verliefde meid die later haar opwachting zou maken in tienerseries zoals Roswell en de homoseksuele vriend met het luisterend oor, bekommert de prent zich weinig tot niets om hen. Dat geen van hen ook maar een zinnig woord te vertellen heeft en dat de afbrokkeling van het romantische waanbeeld van het koppel niet bijzonder interessant is hoeft geen betoog. Maar ze irriteren niet en dat is op zich een klein mirakel.
Producent David Kirschner en Don Mancini besloten de verhaallijnen uit de eerste drie films niet verder te zetten en concentreerden zich op Charles Lee Ray’s sadistische, trailer-trash vriendin Tiffany (een geslaagde Jennifer Tilly) en haar pogingen om Chucky terug tot leven te wekken (ze wil een man die echt in staat is om te moorden en haar huidige, Marilyn Manson-achtige, door Alexis Arquette vertolkte vriend slaagt er niet in mensen af te maken). Met behulp van Voodoo For Dummies is Chucky gauw klaar voor het betere hakwerk maar de cynische pop haalt zich de razernij van zijn vriendin op de hals als hij zijn ongenoegen over een huwelijk tussen hen beiden laat blijken. Uiteindelijk executeert hij Tiffany terwijl ze een bad neemt en transporteert hij haar ziel in een pop die ze voor hem als “gezelschapsdame” had meegebracht. Chucky en Tiff besluiten hun ruzie bij te leggen en als de rubberen interpretaties van Bonnie en Clyde of Natural Born Killers’ Micky en Mallory liften ze mee in de wagen van het eerder vermelde koppel, op weg naar het graf van Charles Lee Ray, waar een mystiek amulet dat hun geesten in de lichamen van de nietsvermoedende, als moordenaars verdachte pubers moet overbrengen op hen wacht.
In deze prent zijn Chucky en Tiffany de hoofdpersonages. Wie zich als kijker wil identificeren met de eendimensionale mensen komt uiteraard bedrogen uit want het zijn de poppen die om onze aandacht vragen. Terwijl Chucky en zijn gemalin een bloederig spoor achterlaten en de tieners niet beseffen waarom ze van allerlei moorden verdacht worden, zijn we getuigen van de ontluikende liefde tussen de poppen, die in hun gemeenschappelijke bloeddorstigheid naar elkaar toegroeien, en van de door roddel en verdachtmakingen afstervende romantiek tussen de jongeren. Dat dit concept iets hoger lijkt te grijpen dan wat we eigenlijk in een film als Bride of Chucky mogen verwachten is uiteraard positief te noemen maar dat neemt niet weg dat de moorden en de oneliners van Chucky (net als in de vorige films schitterend tot leven gebracht dankzij het poppenwerk van Kevin Yagher en de stem van Brad Dourif) centraal staan.
Regisseur Ronny Yu (die later het volledig foute The 51st State en Freddy vs. Jason aan zijn cv toevoegde), een gerespecteerde regisseur uit Hong Kong, nam cameraman Peter Pau mee naar Hollywood en leverde met hem de, naar de normen van het budget, visueel knapste Child’s Play productie af, die elementen leent uit James Whale’s klassieker Bride of Frankenstein en die onderdompelt in een ridicule smeltkroes waarin zelfs poppenseks niet achterwege mag blijven. Let ook op de vele inside jokes (zoals de aanwezigheid van de maskers van Jason en Michael Myers en Freddy’s “scherpe” handschoen in een politiegebouw) én de bijrol van de betreurde, in 2003 overleden John Ritter als een overdreven paranoïde politiecommissaris.
Bride of Chucky eindigt met de volstrekt idiote maar in de context van de film uitermate geslaagde geboorte van het kind van Chucky en Tiffany, dat zich meteen op een verbaasde toeschouwer stort. Deze gebeurtenis brengt ons meteen up to date voor Seed of Chucky, de hoogstwaarschijnlijk al even gestoorde vierde sequel in deze never-ending gory story. Om met de woorden van Chucky himself te eindigen: Time to play!