REEKS: DE OSCAR VOOR DE BESTE BUITENLANDSE FILM

Deel VI: de jaren negentig

Fox (Todo sobre mi madre) Columbia (Soleil Trompeur) First Floor (Karakter)

De jaren negentig werden – met wat overdrijving en een dosis chauvinisme – gedomineerd door Jan Decleir. Hij speelt de belangrijke rollen in de oscarwinnaars Antonia en Karakter en is de centrale figuur in Daens, dat wel genomineerd werd maar niet won. Todo Sobre Mi Madre en Soleil Trompeur zijn winnaars gemaakt door twee bij leven al legendarische Europese regisseurs: Pedro Almodóvar en Nikita Mikhalkov. Kolya en Reise der Hoffnung zijn de sympathieke outsiders in het lijstje met winnaars waarop naast Jan Decleir ook Penélope Cruz haar stempel drukt. De Madrileense is te zien in Belle Epoque en Todo Sobre Mi Madre.

Almodóvar. Eindelijk, met zijn dertiende film was het prijs. De excentrieke Spanjaard had al een potentiële oscarwinnaar in huis met Mujeres al borde de un ataque de nervios (Vrouwen aan de rand van een zenuwinzinking). Hij had een beeldje verdiend voor Matador en La Ley del deseo, zijn briljante films uit het midden van de jaren tachtig. La Flor de mi Secreto en Carne Trémula hadden evenmin misstaan op de erelijst.

Uiteindelijk wachtte de Academy op het iets mildere en meer volwassen Todo Sobre Mi Madre om de cultregisseur te eren. Aki Kaurismäki weet wat hem te doen staat als hij ook ooit op het podium wil gehesen worden in Los Angeles: mikken op het hart van de kijker zonder concessies te doen aan je eigen stijl en artistieke aspiraties.

De strenge fans van het eerste uur, doen Todo Sobre Mi Madre nogal gemakkelijk af als een halfbloed-Almodóvar en een knieval voor het grote publiek. Ze zijn ontgoocheld dat ze hun lieveling vooral moeten delen met het grote publiek. Die ontgoocheling is begrijpelijk en aandoenlijk. Niets is zo fijn als dwepen met een filmregisseur waar niemand ooit van heeft gehoord, een eigen klein geheimpje om als filmliefhebber te koesteren. Een oscarbekroning betekent de definitieve onthulling van het geheim. Door de Oscar aan Almodóvar te geven heeft de Academy de filmwereld een goede dienst bewezen. Hoe meer mensen kennis maken met zijn magische cinema, hoe beter. Dat is filmdemocratie.

Todo Sobre Mi Madre is een logische stap in zijn filmografie. Na zijn onwaarschijnlijke sterke periode in de jaren tachtig – Laberinto de Pasiones, Entre Tinieblas, Qué he hecho yo para merecer esto?, Matador, La Ley del Deseo en kaskraker Mujeres al borde de un ataque de nervios – zakte Almodóvar een beetje weg. Tussen 1980 en 1990 schreef en regisseerde hij acht films; nam hij drie elpees op met de glamrockgroep Almodóvar y McNamara, schoot hij de pornofotoroman Toda Tuya, schreef hij de novelle Fuego en las entranas en publiceerde artikelen in kranten en tijdschriften. Hij had sterren gemaakt van Carmen Maura en Antonio Banderas. Zijn enorme werklust eiste zijn tol. Het heerlijke Atame was nog gestoeld op een krankzinnig uitgangspunt: een jonge man bindt een vrouw vast op een bed tot ze op hem verliefd wordt. Met Kika en Tacones Lejanos bleef hij ter plaatste trappelen. Zijn onstuimige drang naar kitsch en hilariteit werden belangrijker dan de inhoud van zijn films. De filmmaker reduceerde zichzelf tot een veredelde art director, die vooral de aandacht trok omdat hij de juiste prullaria op de goede plek had staan.

Met La Flor de Mi Secreto herpakte Almodóvar zichzelf. Carne trémula was de bevestiging van zijn hervonden zelfzekerheid. Todo Sobre Mi Madre is de synthese van de herboren filmmaker die niet enkel investeert in het uiterlijk van zijn films maar ook mooie verhalen schrijft. Almodóvar is niet langer een kind van de Spaanse jaren zeventig, dat de herwonnen vrijheid na Franco’s dictatuur botviert met seksuele grollen en hysterische tableaus.

Aan bizarre personages geen gebrek in Todo Sobre Mi Madre. Almodóvar serveert zijn publiek een zwangere seropositieve non, een stervende transseksueel, een kwebbelende would-be diva, travestieten, hoeren en een vrouw die schilderijen vervalst. De stoet lijkt wel ontsnapt uit een Fellini-film. In deze Almodóvar nieuwe stijl zijn de personages geen marionetten van zijn wilde fantasie maar zijn het echte mensen. Het kille effectbejag heeft plaats gemaakt voor emotie. Naar Almodóvars normen is het hoofdpersonage ook een erg gewone vrouw. Manuela is een verpleegster op de dienst orgaantransplantaties. Wanneer ze haar 17-jarige zoon Esteban verliest bij een auto-ongeluk reist ze af naar Barcelona om de vader het droevige nieuws te vertellen. Estebans vader, Manuela’s ex-minnaar is nu een vrouw: Lola. Hij heeft nooit geweten dat hij een zoon heeft. In de rosse buurt van Barcelona treft Manuele een oude vriendin. Samen proberen wat van het leven te maken. Todo Sobre Mi Madre is een heus drama over dood, ziekte, verlies en heropstanding, verlangen, liefde en destructie.

Almodóvars droeg zijn film op aan Bette Davis, Gena Rowlands en Romy Schneider. Allemaal actrices die ooit een actrice speelden. Almodóvar verwijst expliciet naar Tennessee Williams’ toneelstuk A Streetcar Named Desire en de film All about Eve van Joseph L. Mankiewicz. Het leven is een groot toneel, lijkt Almodóvar te willen zeggen.

De voornamelijk vrouwelijke personages in de film worden niet gespaard. De film gaat niet over hun verdriet maar over hun weerbaarheid, hun wil, creativiteit en vechtlust. Een mooie rol is weggelegd voor Antonia San Juan die de transseksueel Agrado speelt. In een van de sleutelscènes stapt ze op het toneel om aan te kondigen dat een voorstelling niet doorgaat. Ze begint aan een aandoenlijke en grappige monoloog over de verschillende plastische chirurgische ingrepen die ze al heeft ondergaan. Het heeft haar een hoop geld gekost om authentiek te zijn. En nog, hoe meer een vrouw lijkt op het droombeeld dat ze van zichzelf heeft, hoe meer autenthiek ze is. Agrado is een hartveroverende vrouw, net als Rosa, de mooiste filmnon aller tijden. Het lijkt een onmogelijke opdracht de beeldige Penélope Cruz in een habijt te stoppen en haar geloofwaardige zinnen in de mond te leggen maar het is Almodóvar gelukt. Nog indrukwekkender dan Antonia San Juan en Penélope Cruz is de Argentijnse Cecilia Roth die Manuela speelt. In iedere scène is haar pijn voelbaar.

Marisa Paredes en Cecilia Roth zijn oude bekende uit Almodóvarfilms.

Almodóvar filmt krachtig, secuur, passioneel en beheerst. Hij heeft zijn materie volledig onder controle en kreeg voor zijn werk in Cannes de prijs voor de beste regie uit de handen van juryvoorzitter David Cronenberg. Almodóvar en Cronenberg, twee weirdo’s samen op het podium van het grootste en belangrijkste filmfestival ter wereld. Todo Sobre Mi Madre werd gevolgd door Pedro Almodóvars absolute meesterwerk Hable con ella. Nog meer gecontroleerd, nog meer gevoel en passie. Het scenario van Hable con Ella kreeg een Oscar, Almodóvar kreeg een Oscarnominatie als regisseur, de film zelf was niet eens genomineerd in de categorie beste niet-Engelstalige film. Het volstrekt onbenullige Zus & Zo was dat wel. Als er één voorbeeld is dat de relativiteit van de oscars kan weergeven, is het dat wel.

Circus in het concentratiekamp
In Italië is Roberto Benigni een heuse afgod. Critici noemen er de kleine komiek in een adem van Woody Allen en Federico Fellini. In de rest van Europa wil het met zijn populariteit nogal meevallen. De Italiaanse acteur/regisseur/scenarist dankt zijn geloofwaardigheid in onze contreien vooral aan zijn rollen in Down by Law en Night on Earth van de Amerikaanse cultregisseur Jim Jarmusch. In Italië had hij al gewerkt met een aantal grote regisseurs maar – toevallig of niet – zijn de films waarin Benigni meespeelde meestal de zwakste die de regisseur in kwestie ooit maakte. La Voce della luna is de enige Fellini die niet deugt en Chiedo asilo is een flauwe film van Marco Ferreri. Bernardo Bertolucci’s La Luna is wel erg goed, daarin speelt Benigni maar een klein rolletje.

In eigen land waren zijn zelf geregisseerde komedies Il piccolo diavolo (1988) en Johnny Stecchino (1991) grote commerciële successen. Zijn optreden als de nieuwe inspecteur Clouseau in Son of the Pink Panther in 1993 was een ramp.

De internationale doorbraak kwam er met de oscarwinnende komedie La Vita è Bella. Die won niet alleen de oscar voor de beste buitenlandse film (hij klopte onder andere Central do Brasil), Benigni won de oscar voor de beste mannelijke hoofdrol in een jaar dat Tom Hanks (Saving Private Ryan), Nick Nolte (Affliction) en Edward Norton (American History X) genomineerd waren. Een derde oscar ging naar Nicola Piovani’s muziek. Niet alleen in de Verenigde Staten viel de film in de prijzen. La Vita won de Grand Prix du Jury - zeg maar de zilveren medaille in Cannes, de European Film Award, de César en een Goya als beste Europese film. Enkel de Golden Globes zagen de film over het hoofd. De film kreeg geen enkele nominatie. Ondanks de prijzenregen is La Vita è Bella alles behalve een onbetwist meesterwerk. De fans verdedigen de film te vuur en te zwaard, de rabiate tegenstanders denken getraumatiseerd terug aan de 116 minuten die ze in de bioscoop doorbrachten.

Robert Benigni bedacht het concept en het scenario voor de film met zijn vaste schrijfpartner Vincenzo Cerami. De titel komt uit het dagboek van de communist Leon Trotski. Het is de laatste zin die hij in zijn schuilbunker schreef voordat hij door Stalins geheime politie werd vermoord. Dat iemand die oog in oog staat met de dood toch het leven mooi kan vinden inspireerde Benigni en Cerami tot het verhaal over de jood Guido (Roberto Benigni) die tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vrouw Dora (Benigni's levensgezellin Nicoletta Braschi) en zoontje Giosué (Giorgio Cantarini) wordt afgevoerd naar een Duits werkkamp. Om het kind een traumatische ervaring te besparen, stelt hij de reis voor als een groot spel, waarin je prijzen kan winnen. Hoe beter Giosué zich verstopt, hoe meer punten hij verdient. De gevangenen zijn de spelers, de Duitse soldaten hun tegenspelers.

Het verhaal is niet geheel ontsproten uit de fantasie van de schrijvers. Benigni’s vader zat twee jaar opgesloten in een nazikamp. Bij thuiskomst woog hij nog vijfendertig kilo. Jaren werd hij achtervolgd door nachtmerries. Omdat hij zijn kinderen schrik aanjoeg met zijn verhalen over de oorlog en het werkkamp, begon hij steeds lichtvoetiger te vertellen, tot hij er uiteindelijk zelf grappen over maakte: humor als bevrijding uit de nachtmerrie. Ook verschillende grappen zijn gebaseerd op waarheid. De rekensom waarbij  geestelijk gehandicapten worden weggecijferd maakte aan het eind van de jaren jaren dertig deel uit van de rekenles op de lagere scholen. Ook de bordjes ‘Joden en honden niet toegelaten’ hebben echt bestaan.

De fans van de films houden van de mooie idee achter de film. Een vader die zijn zoon wil afschermen van de naderende dood. Hij wil de oorlogsellende zo ver mogelijk van zijn zoon houden zodat die nog als een kind kan opgroeien. Naarmate de achtergrond verandert - de sfeer wordt grimmiger, de vernietigingsdrang van de Duitsers wordt steeds concreter, het leven van Guido is in gevaar - wordt Guido’s grap steeds wanhopiger en wranger. Guido is begonnen, hij kan niet ineens stoppen en zijn zoon de vreselijke waarheid vertellen. Als ode aan de grootste komiek aller tijden draagt Guido hetzelfde kampnummer op zijn kleding als Chaplin in The great dictator. Benigni ziet komieken als weldoeners van de mensheid. De lach werkt bevrijdend. Vanuit dat standpunt besliste Benigni de gaskamers en andere gruwelijke elementen van de nazikampen weg te moffelen. Het kamp uit La Vita è Bella heeft verdacht veel weg van een oorlogs Club Med.

De haters van La Vita è Bella hebben het moeilijk met de clowneske, opdringerige manier van acteren van Benigni die in elke scène nadrukkelijk aanwezig is. In interviews beweert hij het goed voor te hebben met de kleine Giosué, het gaat tenslotte allemaal om diens  gemoedsrust en om de bescherming van zijn tere kinderziel. Benigni mag dan wel beweren dat Giosué het centrale personage is, het blijft bij mooie woorden. Giosué is als personage helemaal niet uitgewerkt. Het is een schattig kind met grote bruine ogen die hij heel wijd opentrekt om de vrouwen in de zaal te ontroeren. Het is geen echt kind, maar een bordkartonnen prototype en vooral een aanleiding voor Benigni om een irritante onemanshow op te voeren. Op geen enkel moment geeft de film inzicht in de gevoelens van Giosué omdat de camera focust op Guido. Giosué is de aangever van Benigni’s grappen, hij is de vertederende sidekick. Zelfs Guido’s vrouw krijgt nauwelijks schermtijd. Alles draait om Guido, Guido, Guido, lees: Roberto Benigni, Roberto Benigni, Roberto Benigni. Hoe vol de man van zichzelf is bleek op de oscaruitreiking zelf toen hij als een doorgedraaide idioot de show probeerde te stelen.

Filmers gebruiken wel vaker kinderen om de oorlogsgruwel te accentueren. Les Jeux Interdits is een magnifiek voorbeeld, Die Blechtrommel ook. In die twee films spelen de kinderen een echte rol, zijn ze echte personages, met eigen angsten, dromen, gevoelens en verlangens. De kinderen stuwen de actie in de film. Ook in de Italiaanse neorealistische klassieker Ladri Di Biciclette speelt een klein bruinogig jongetje de hoofdrol. Vittorio De Sica bekijkt door zijn ogen de rampzalige situatie in naoorlogs Italië. Roberto Benigni plant een remake. Het zou verboden moeten worden.

Na La Vita è Bella speelde Benigni een rol in Astérix et Obélix contre César. Met zijn versie van Pinocchio schreef Benigni geschiedenis: het is de eerste buitenlandse film die in aanmerking kwam voor een Razzie: de onderscheiding voor de slechtste film van het jaar.

Jan Decleir
Producers Dick Maas en Laurens Geels produceerden in de jaren tachtig en negentig een aantal uiteenlopende Nederlandse films. Ze maakte absolute kaskrakers van bedenkelijk artistiek niveau zoals de Flodder-reeks en Amsterdamned. Van de andere kant financierden ze artistieke toppers als Abel en De Noorderlingen die commerciële drama’s bleken. Het pleit voor beide heren dat ze ondanks de wisselvallige resultaten, het risico nooit geschuwd hebben.

Zo duwden ze een dikke zak geld in de handen van Mike van Diem, een jonge vent die met een kortfilm een Gouden Kalf had gewonnen. Karakter won als outsider de oscar voor de beste buitenlandse film. In eigen land was het enthousiasme aanvankelijk minder groot. Karakter won het Gouden Kalf als beste film, maar in de categorieën beste regisseur, beste acteur (Jan Decleir) en beste actrice (Betty Schuurman) werd de film gepasseerd. Pas na de Hollywoodbekroning zwichtte ook het thuisland voor de ambitieuze literatuurverfilming.

Hoewel de verdiensten van regisseur Mike Van Diem en de jonge Fedja van Huêt niet te onderschatten zijn, is Karakter bovenal de film van Jan Decleir. Hij speelt deurwaarder Dreverhaven, een machtige, nietsontziende man. Hij maakt zijn huishoudster Joba zwanger. Hij is voor een keertje niet steenkoud wanneer hij Joba aanbiedt te trouwen - al komt het niet echt romantisch uit zijn mond. Joba weigert, verlaat het huis en besluit hun zoon Katadreuffe (Fedja van Huêt) in haar eentje op te voeden. Dreverhaven ziet het als een pijnlijke afwijzing. Joba weigert consequent alle hulp van Dreverhaven. Uit wraak besluit de deurwaarder zijn zoon waar mogelijk te dwarsbomen. De trotse Katadreuffe laat zich niet kennen en werkt zich stap voor stap omhoog.

De film begint wanneer Katadreuffe dertig is. Hij komt zijn vader vertellen dat hij net is beëdigd als advocaat. Het komt tot een fysieke confrontatie en in de volgende scène wordt Katadreuffe verhoord door de politie. Dreverhaven is dood. Mike van Diem vertelt Karakter in flashback. Het verhoor waaraan Katadreuffe wordt onderworpen, vormt het kader. Het levensverhaal van vader, moeder en zoon, het grootste deel van de twee uur film, is door het verhoor verweven, voornamelijk in voice-over.

In de flashbacks toont Van Diem hoe hard Dreverhaven zo zoon probeert te raken, zowel psychologisch als financieel. De deurwaarder weigert zijn zoon liefde te tonen. Hij geloof dat zijn pesterijen zijn zoon hard zullen maken, weerbaar en strijdvaardig. Katadreuffe is ook brandend ambitieus en al net zo wraakzuchtig als zijn vader. Karakter is een degelijke klassiek gemaakte film. De decors zijn zorgvuldig gekozen. Van Diem filmde in Antwerpen, Brussel, Den Haag, Polen, Hamburg en Utrecht. De kantoren van Dreverhaven en Katadreuffe zijn fantastisch mooi.

Jan Decleir levert een granieten vertolking. Hij speelt erg fysiek en boezemt angst in. Dreverhaven heeft geen scrupules, hij gaat over lijken en handelt vanuit een ijzeren wet-van-de-sterkste logica. Hij acht zichzelf onaantastbaar en vernietigt wie met hem de degens kruist. Fedja van Huêt dient hem goed van antwoord. Hij was relatief onervaren toen de film werd gemaakt. Karakter is de beste film waar hij tot nu toe in gespeeld heeft. Katadreuffe is naïef en jeugdig onbezonnen. Victor Löw (bijna onherkenbaar) en Betty Schuurman zijn goed, de muziek van Het Paleis van Boem is treffend, de fotografie is zonder meer uitstekend en maar toch is Karakter geen topfilm.

De opbouw van de film is te voorspelbaar en de voice-over werkt na een tijdje serieus op de zenuwen. De teksten zijn te doods, te literair en weinig geloofwaardig. Het zijn de traditionele kwalen van de literatuurverfilming. Karakter is gebaseerd op de gelijknamige roman van Ferdinand Bordewijk die verscheen in 1938. Net als de eerdere oscarwinnaar De Aanslag van Harry Mulisch is dat een klassieker in de Nederlandse literatuur. Karakter is zonder twijfel een van de zwakste films op de erelijst van de oscar voor de beste buitenlandse film. Sinds 1997 heeft Mike Van Diem geen film meer gemaakt.

In 1995 won België een beetje de Oscar voor beste buitenlandse film. Niet met de wangedrochten Max, Brylcream Boulevard of She Good Fighter die midden jaren negentig onze bioscopen teisterden, maar uitgerekend met een Nederlandse film. Het geld was Vlaams net als de acteurs en de meeste locaties. De regisseur van Antonia was een Nederlandse: Marleen Gorris. Zij kwam op het idee dat in die tijd voor België ondenkbaar was: een film met Ingmar Bergmanesque allures.

Antonia is een familiesage die zich ontspint binnen het circulaire van de tijd, een prent die goochelt met Nietzsche en Kierkegaard, die het leven samenbrengt in een handjevol stof. Tijdens de eerste beelden kruipt een 88-jarige vrouw uit haar bed. Ze kijkt in de spiegel en zegt dat het tijd is om te sterven. Een off-screen stem neemt ons zomaar mee, vijftig jaar terug de tijd in. We zien de vrouw opnieuw, ze heet Antonia (Willeke Van Ammelrooy) en komt samen met haar dochter Danielle (Els Dottermans) in een Nederlands boerengehucht aan, om haar oude, seniele moeder te begraven.

Antonia besluit te blijven en op die manier maken we kennis met de bewoners van het dorp. Er is Olga, de Russische die het café openhoudt; Boer Daan, een hardlabeur mens zonder gevoel; de dolle Madonna, die bij volle maan huilt omdat ze als katholieke geen relatie kan aangaan met haar protestantse buur; de priester, wiens sermoenen elke week door de kerk donderen. Met deze figuren op de achtergrond bouwt Antonia haar leven op. Twee mensen zullen een heel belangrijke rol spelen: de stille boer Bas (Jan Decleir), die na twintig jaar nog steeds De Nieuwkomer wordt genoemd, en Kromme Vinger (Mil Seghers), een jeugdvriend van Antonia die zich na de wereldoorlog opgesloten heeft in zijn kleine huis vol boeken.

Ieder figuur heeft zijn eigen verhaal, geheimen en tragedies. Pitte, de zoon van boer Daan, verkracht zijn achterlijke zus DeeDee. Danielle krijgt ook een kind, de hoogbegaafde Therese, die in de nihilist Kromme Vinger een ideale leermeester vindt. Therese baart haar nageslacht: Sarah, de achterkleindochter van Antonia dus, waarvan we op het einde ontdekken dat zij het verhaal vertelt. Geluk en verdriet liggen dicht bij elkaar. Het is verbazingwekkend hoe Gorris al deze gebeurtenissen toch met elkaar weet te verbinden.

Het allesoverheersende concept van de tijd speelt daarbij een belangrijke rol. De seizoenen walsen de geslagen wonden plat, alles gaat voorbij, maar niets komt ooit tot een einde, zoals Antonia zelf op haar sterfbed vertelt. Er gaat een schitterend impressionisme schuil in deze prent: sfeer en stemming zijn zo belangrijk; de dialogen zijn kort maar dringen door tot het bot. Traag blijkt plotseling mooi en intens.

Antonia is de zoveelste film waarin Jan Decleir schittert. Zijn oeuvre is zo overdonderend indrukwekkend dat woorden tekort schieten. Marleen Gorris bleef als regisseur na de Oscar voor Antonia jammer genoeg een beetje op het achterplan. Ze maakte in 1997 het weinig bekende Mrs. Dalloway met Vanessa Redgrave in de titelrol en verfilmde daarna meer dan degelijk Vladimir Nabokovs roman The Luzhin Defence met Hollywoodsterren John Turturro en Emily Watson. Daarna volgden nog Carolina met Julia Stiles en Mika Boorem. Met Rachel Weisz in de hoofdrol werkt Gorris momenteel aan de verfilming van het levensverhaal van James Miranda Barry, de eerste vrouwelijke dokter die zich als een man moest verkleden om haar beroep te kunnen uitoefenen.

De val van de Ijzeren Muur
Nikita Mikhalkov is de bekendste filmregisseur uit Rusland. De hoofdrol van Marcello Mastroianni in Mikhalkovs Oci ciornie leverde de Italiaan een oscarnominatie op. Urga kreeg in 1991 een oscarnominatie. De hoofdvogel schoot Mikhalkov af met Soleil Trompeur (in het Engels Burnt by the Sun, in het Russisch Utomlyonnye solntsem). Mikhalkov is niet enkel de regisseur van de film, hij is ook de producer, scenarist, hoofdrolspeler en de vader van de jonge actrice Nadezhda Mikhalkova (Nadya in de film).

De persoonlijke betrokkenheid van Mikhalkov bij Soleil Trompeur is groot. Zijn vader heeft de tekst van het communistische volkslied van de Sovjetunie geschreven. Hij was een belangrijke man in de Partij. Er is meer. Nikita Mikhalkov is de broer van Andrei Konchalovsky. Die kreeg in 1979 toestemming van het communistische regime zich in Frankrijk te vestigen. Hij voelde zich artistiek geremd in de Sovjetunie. Konchalovsky maakte in Europa en Amerika een aantal aardige films aan de gladde, commerciële kant van het cinefiele spectrum. Maria’s Lovers, Runaway Train, Shy People en Tango & Cash zijn de bekendste titels. In 1991 maakte Andrei Konchalovsky The Inner Circle. Een drama over de privé-filmprojectionist van Jozef Stalin. De film op zich is niet goed, maar Konchalvosky raakt een aantal interessante thema’s aan. Hij mocht filmen in het persoonlijke treinstel van Stalin en in zijn echte privé-bioscoop in het Kremlin. In The Inner Circle zijn de hoofdpersonages – Jozef Stalin en de projectionist - slechts middelen om de wortels van het Stalinisme bloot te leggen, om duidelijk te maken wat "het kwaad" is en wat de voedingsbodem ervan is. Onschuld bijvoorbeeld of fascinatie. De projectionist houdt welgemeend van Stalin. Hij ziet hem als een groot man. Hij doet niet anders dan wat miljoenen Russen hebben gedaan. Gehypnotiseerd door een diepe angst verloren ze hun moraal.

Soleil Trompeur van broer Nikita Mikhalkov behandelt eveneens de Stalinistische periode. De film speelt zich af in 1936 op de dacha van kolonel Kotov, een held uit de Russische Revolutie. Hij brengt de zomer door met zijn jonge vrouw, zijn 6-jarige dochtertje Nadia, familie en vrienden. Het onaangekondigde bezoek van neef Dmitri uit Moskou - een gladjanus die indruk maakt op de vrouwen - verstoort de rust. Met zijn grapjes, spelletjes en pianospel palmt hij ook de kleine Nadia in. Kotov laat zich niets wijs maken. Het is de tijd van Stalins repressie met onheilspellende telefoontjes in het midden van de nacht en hij weet dat Dmitri niet is langsgekomen om koffie te drinken.

Op het buitenverblijf schijnt de rust en overheerst de rust. In de buitenwereld is Stalin begonnen aan zijn afrekening met de vijanden – echte en vermeende – van het regime. Stalin ging grondig te werk. Hij liet liever een man te veel ombrengen dan een man te weinig. Kotov heeft Stalin steeds trouw gediend, maar hij is ook een man van de oude adellijke tradities en daar heeft Stalin het minder op begrepen.

Soleil Trompeur is geen geschiedenisles. Persoonlijke en politieke redenen lopen in deze tragedie door elkaar, maar Mikhalkov laat geen twijfel bestaan over zijn boodschap: iedereen was een slachtoffer van de 'brandende zon' van de communistische revolutie, ook de mensen die het in die voor duizenden Russen fatale jaren prima hadden.

Nikita Mikhalkov houdt Soleil Trompeur 150 minuten boeiend. Beetje bij beetje laat hij het gevaar, dat Kotov en zijn familie bedreigt, in zijn film druppelen. Kotov vermoedt het ergste, maar hij is ervan overtuigd, dat hij het gelijk en het geluk aan zijn zijde heeft. Door die opgewekte toon van het eerste anderhalf uur, wordt het einde des te indringender. In 1998 maakte Mikhalkov The Barber of Siberia, een barokke zoektocht naar de Russische ziel.

Kolya is net als Soleil Trompeur een familieonderneming en een afrekening met het communistische verleden. De Tsjechische oscarwinnaar is een pak vrolijker en toegankelijker dan het al bij al zwaarbeladen drama van Nikita Mikhalkov.

Vader en zoon Sverák situeren hun verhaal kort voor het uitbreken van de Fluwelen Revolutie in 1989 in Tsjechoslovakije. Franta Louka is een cellist bij het Filharmonisch orkest. Hij geniet van zijn vrijgezellenstatus en jaagt met plezier en succes op vrouwen.

Wanneer hij zijn job kwijtraakt en de schuldeisers zich voor zijn deur verdringen, speelt hij treurmuziek tijdens begrafenissen. Omdat hij ook daarmee nauwelijks rondkomt, lapt hij oude grafstenen op. Om in één klap van zijn financiële zorgen af te zijn, gaat hij in op een aanbod om een schijnhuwelijk aan te gaan met een Russische vrouw. Het is niet moeilijk te voorspellen dat de 55-jarige Louka zich met dat nephuwelijk een hoop problemen op de nek haalt. Zo vlug als tellen neemt de Russische de benen naar West-Duitsland waar haar minnaar woont. De Russische laat haar vijfjarige zoontje achter bij een familielid. Wanneer dat sterft, komt de kleine Kolya (Andrej Chalimon) terecht bij stiefvader Louka in Praag. De politie stelt intussen een onderzoek in naar het schijnhuwelijk.

Vernieuwend zijn het onderwerp en de thematiek niet. Kolya is niet echt welgekomen. Louka’s liefdesleven heeft ernstig te leiden onder de aanwezigheid van de kleuter die enkel Russisch spreekt. Louka zelf heeft altijd principieel geweigerd Russisch te leren. Ze kunnen niet communiceren en dat Louka geen idee heeft hoe hij met kinderen moet omgaan helpt niet.

Naast een mooie familiegeschiedenis is Kolya ook fijne satire over de uitwassen van het communistische regime. De film zit vol speldenprikken naar de overheid die mordicus vasthoudt aan haar idiote bureaucratische voorschriften en rituelen. Scenarist Zdenek Sverák  schreef het scenario en speelt de hoofdrol. Zijn zoon Jan is de regisseur. Hun film is niet spectaculair, een doel dat ze zich ook niet gesteld hebben. Ze vertellen met vuur een klein verhaal dat rijker wordt door de kleine, fijne details en geestige nevenpersonages.

Naast de oscar won Kolya ook de Golden Globe voor beste niet-Engelstalige film. Het is tot nu toe de enige film van Jan Sverák  die buiten de Tsjechische landsgrenzen furore maakte. Ook de kwaliteiten van vader Zdenek zijn een goed bewaard Tsjechisch geheim.

Penélope!
Acht Goya’s, de Golden Globe voor beste niet-Engelstalige film, een BAFTA en een Oscar vielen in de schoot van Fernando Trueba’s Belle Epoque. Alle lofbetuigingen zijn terecht. Belle Epoque is een filmfeest.

In 1931 werd Spanje een republiek, nadat koning Alfonso XIII gedwongen werd af te treden. De Republikeinen hadden op overweldigende wijze de gemeenteraadsverkiezingen gewonnen. Grote menigtes gingen de straat op om het aftreden van de koning te eisen. Hun woede was gericht op de steun die de koning in de jaren twintig had verleend aan dictator Miguel Primo de Rivera. De koning zag geen andere keuze dan Spanje te verlaten. Tegen die woelige politieke achtergrond speelt Belle Epoque zich af.

Beïnvloed door de chaos en de drang naar vrijheid deserteert een jonge soldaat en trekt het  Spaanse binnenland in. Hij ontmoet de oude levensgenieter Manolo, een kleurrijke kunstschilder die doeken met lege vlakken maakt.

Manolo geeft de soldaat een warm welkom in zijn landhuis. Zoals het traditionele Spaanse vaders past, vraag hij zijn mannelijke gast vriendelijk op te hoepelen wanneer zijn vier dochters uit Madrid op bezoek komen. Op weg naar het station kruisen de soldaat en de dochters elkaar. De soldaat denkt er niet meer aan te vertrekken. Hoe zou je zelf zijn mochten die dochters luisteren naar namen als Rocio, Violeta, Clara and Luz en er uit zien als Maribel Verdú, Ariadne Gil, Miriam Díaz Aroca en Penélope Cruz.

Wat volgt zijn kleurrijke romantische avonturen op het platteland waarin iedere zus een rol(letje) speelt. De republikeinen prediken met luide stem de vrije liefde. De soldaat blijft daar niet doof voor.

De romantiek wordt afgewisseld met knappe, grappige dialogen over kerk en staat, het  belang van familiebanden, het nut van prostitutie en de rol van de vrouw in de maatschappij. Het gaat niet erg diep, het is vooral snel en vrolijk. Als u niet wil kijken naar de geweldig mooi gefotografeerde landschappen, de diepe kleuren of niet wil lachen om de grappen, dan kan u zich nog steeds vergapen aan een stel buitengewoon sterke acteurs. Belle Epoque is een traktatie. De toen pas 18-jarige Penélope Cruz is nooit mooier in beeld gebracht. Fernando Trueba filmt haar in al haar glorie en Cruz speelt met een naturel alsof ze voor de camera geboren is. De Madrileense actrice had al overtuigd in de Jamón jamón, de stomende sekskomedie van Bigas Luna. Voor Cruz was Belle Epoque de definitieve start van een mooie loopbaan waarin ze zou werken met de beste regisseurs van Spanje. Bigas Luna castte haar opnieuw voor Volavérunt, ze draaide Abre los Ojos met Alejandro Aménabar, Carne Tremula en Todo Sobre mi Madre met Pedro Almodóvar. In Amerika kwam ze terecht in een aantal films van minder allooi, maar nu ze Tom Cruise uit haar bed heeft geschopt laait de hoop weer op dat ze haar artistieke verlangens gaat laten primeren boven de financiële. Pedro Almodóvar heeft al alvast gecontacteerd voor zijn nieuwe film Volver die in 2006 in de zalen komt.

Ariadna Gil zou later nog imponeren in Lágrimas negras, Maribel Verdu in Huevos de Oro de geestige komedie van Bigas Luna met Javier Bardem als door seks geobsedeerde architect. Jorge Sanz speelt de hitsige soldaat. De grootse carrière die hem werd voorspeld na Belle Epoque, kwam er niet echt. José Luis Alcaine hanteerde de camera. Hij draaide ook Jamón jamón, Huevos de oro en trok met regisseur Fernando Trueba naar Hollywood om er de vreselijke komedie Two Much te filmen. Melanie Griffith en Antonio Banderas hebben die film medisch laten verwijderen uit hun geheugen. De ervaring van Trueba in Amerika was een lesje voor de andere succesrijke Spaanse regisseurs die niet staan te trappelen om in het filmmekka over de plas aan de slag te gaan.

Cathérine!
Vlaamse filmliefhebbers hebben nog altijd niet verwerkt dat Daens in de oscarrace van 1992 geklopt werd door het Franse Indochine. Kwatongen wijten de Franse bekroning aan de bribe, booze en babes die de Franse delegatie inzette. Nu is Indochine niet de beste film aller tijden - verre van zelfs - maar beweren dat hij de oscar enkel te danken heeft aan de vlot geoliede lobbymachine, is een brug te ver. Indochine is een prachtig gemaakte film met de Franse godin van het witte Doek, Catherine Deneuve, in een glansrol. Misschien is de film niet beter Daens, wellicht is hij wel minder goed - film is geen exacte wetenschap – hij is zeker minder goed dan het wonderlijke Urga van Nikita Mikhalkov dat ook genomineerd was.

Indochine is een historisch drama dat zich afspeelt in 1930. Het Franse koloniale bewind in Indochina (de unie die bestond uit de Franse koloniën en protectoraten Tonkin, Annam, Cochin China, Cambodja en Laos) loopt op zijn einde. De Fransen hebben er jarenlang het zwijn uitgehangen. Zoals de Amerikanen hun films gemaakt hebben over de misdaden van de Amerikaanse troepen in Vietnam, hebben de Franse verschillende keren de cinema gebruikt/misbruikt om af te rekenen met hun troebele overzeese verleden. Jean-Jacques Annaud ondernam met L’Amant een slaapverwekkende poging. Régis Wargnier deed het met Indochine veel beter. Catherine Deneuve - bijna vijftig toen de film werd gemaakt - is op haar leeftijd nog altijd zo mooi en stijlrijk dat ze probleemloos de aandacht vast kan houden in dit drie uur durende epos. Ze speelt een hardvochtige, ongetrouwde Franse eigenares van een plantage die een Vietnamese prinses opvoedt als haar eigen dochter. Deneuve is een bitch eerste klas die haar werknemers behandelt als slaven, mannen na de daad haar bed uitschopt en in de opiumpijp haar beste vriend heeft.

Ze is niet geheel gevoelloos. Ze ziet haar adoptiedochter Camille echt graag en wordt zowaar verliefd. Ook Camille wordt verliefd. Zoals dat enkel voorvalt in films blijken moeder en adoptiedochter verliefd op dezelfde vent: de jonge Franse marineofficier Jean-Baptiste (Vincent Perez). Om haar concurrente de pas af te snijden laat Deneuve de officier overplaatsen nog een uithoek van de kolonie. Camille gaat hem achterna. Terwijl de vrouwen bakkeleien om een man, breekt een communistisch geïnspireerde opstand uit tegen de Fransen. Deneuve gaat op zoek naar haar dochter die het – om het met een understatement te zeggen -  barre avonturen meemaakt.

Het verhaal van Indochine is niet erg spraakmakend. De verdiensten liggen vooral in de prachtige visuele uitwerking. De landschappen konden niet mooier gefilmd worden, de huizen, de decors, de kostuums, de mensen: ze zijn allemaal wonderschoon. Ze duwen het verhaal volledig naar de achtergrond. Indochine is het mooiste prentenboek dat ooit een oscar won.

Bij een actrice van de allure van Catherine Deneuve past het niet om te spreken van de rol van haar leven. Dat zou onrecht doen aan de andere memorabele rollen die ze ooit speelde. Indochine leverde Deneuve de eerste en enige oscarnominatie op als beste actrice. Vijf Césars en de Golden Globe voor de beste niet-Engelstalige film staan te pronken op de schouw van het productieteam.

De Zwitser Vincent Perez speelde in 1996 de hoofdrol in The Crow: City of Angels, het zij hem vergeven, net als zijn rol in de megaflop Fanfan La Tulipe waarin hij het doek deelde met Penélope  Cruz. Duizend keer beter zijn La Reine Margot, Cyrano de Bergerac en Le Bossu waarin Perez bewijst een van de meest opwindende Franstalige acteurs van zijn generatie te zijn.

Mediterraneo is samen met Belle Epoque de meest sympathieke film die in de jaren negentig de oscar won in deze categorie. De film van Gabriele Salvatores heeft wat weg van Captain Corelli’s Mandolin. Beide films spelen zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog op een zonovergoten Grieks eiland waar van de oorlog weinig te merken is. De personages hebben ruim de tijd om zich te bekommeren om hun liefdesleven en persoonlijke beslommeringen. De wapens kletteren tientallen kilometers verder. Het vakantiegevoel is prominenter aanwezig dan de oorlogsdreiging.

In Mediterraneo laat een Italiaans schip een handvol soldaten achter op een klein eilandje in de Griekse Zee. Ze moeten het bezet houden en vijandelijke schepen in de gaten houden. Het enige dorpje op het eiland lijkt uitgestorven. Er is niet één vijand in de buurt dus maken de soldaten zich op voor een rustig leventje. Na een tijdje lijkt het dorpje toch niet verlaten zijn en komt de lokale bevolking langzaam tevoorschijn. De Duitsers hebben alle mannen van het dorpje gevangen genomen. Er blijven enkel vrouwen over, wat geen straf is voor de jonge soldaten. De soldaten integreren zich in het dorpje waar helemaal niets te beleven is. Gelukkig is er de mooie dorpshoer die de verveling kan doorbreken.

Zowel de Italiaanse legerleiding als de geallieerden lijken het niet-strategisch gelegen paradijsje vergeten te zijn.  Het leven kabbelt verder. De ene soldaat restaureert de fresco’s van de dorpskerk, de andere spelen voetbal, lezen poëzie. De dagen glijden voorbij. De zee is warm, de zon schijnt, het leven is aangenaam. Voor de soldaten is het bijna een straf dat de Engelsen het eiland komen bevrijden en dat het einde van de oorlog ook een einde maakt aan hun idyllische leventje. De Italianen moeten terug naar Italië waar ze hun leven moeten heropbouwen. In tijden van vrede hebben ze het slechter dan in tijden van oorlog.

Mediterraneo is heerlijk zoet, licht absurd, steeds warm en knuffelbaar. De personages zijn niet erg goed uitgewerkt maar dat is geen beletsel voor de film om te overtuigen. Het natuurlijke spel, de prachtige uitzichten op de turkooisblauwe zee, de zonnige lege dagen boren zich een weg in het geheugen van de filmgeschiedenis.

Regisseur Gabriele Salvatores deelde in 2003 met Io non ho paura een emotionele uppercut uit. Scenarist Enzo Monteleone imponeerde als regisseur in 2002 met El Alamein, een oorlogsfilm over een bewust door de legerleiding aan hun lot overgelaten Italiaanse compagnie die afgeslacht werd in de slag bij El Alamein. Silvio Berlusconi was een van de producers van Mediterraneo. Laat het laatste feit u niet afschrikken.

Reise der Hoffnung  is zware kost uit Zwitserland. In een vlaag van menslievendheid bekroonde de Academy deze Zwitsers–Turkse coproductie met een oscar. Ju Dou van Zhang Yimou en Cyrano de Bergerac, de uitgesproken favorieten werden gevloerd door dit  aangrijpend reisverhaal van schrijver – scenarist Xavier Koller.

De film (Journey of Hope is de Engelse titel) is het relaas van een Turkse familie die naar Zwitserland wil om een nieuw, beter leven te beginnen. De familie, een boer, zijn vrouw en hun zevenjarige zoon, heeft het in Turkije niet zo slecht. De vader is er van overtuigd dat het in Zwitserland nog beter zal zijn. Hij heeft een postkaartje gekregen van een neef uit Zwitserland en hij kan de witte bergen niet uit zijn hoofd zetten. Hij verkoopt de boerderij en verlaat met zijn gezin de bergen in Turks Koerdistan. Reise der Hoffnung volgt nauwgezet iedere etappe van de reis. Iedere stap die ze zetten brengt de Turkse familie dichter bij Zwitserland, maar verder van hun droom.  Ze zijn het slachtoffer van een bende mensensmokkelaars die geen kans voorbij laat gaan om hen uit te buiten en te bedriegen.

De mensenhandelaars kennen alle trucs. Ze zijn hoe cynisch het ook klink uiterst professioneel. Ze kiezen hun slachtoffers goed uit. De meest naïeve en achterlijke families mogen eerst mee en ze tonen geen greintje compassie. De familie geraakt tot in. De Alpen scheiden hen van Zwitserland, het beloofde land. Ze reisden al per trein, per boot, auto en een vrachtwagen en het laatste stuk over de bergen zullen ze te voet moeten afleggen. Het is zo slecht weer dat de gids weigert hen over de bergen te loodsen. Ze staan er helemaal alleen voor. Reise der Hoffnung  wordt beschouwd als een Zwitserse film maar is het natuurlijk een Turkse film. Het verhaal over mensen die uitgebuit worden door mensenhandelaars is vijftien jaar na de release nog altijd actueel. De situatie in Koerdistan, waar de familie uit Reise der Hoffnung vandaan komt, is geen haar beter. Reise der Hoffnung is een herkenbare film over mensen die niet alleen strijden tegen de natuur, maar ook tegen zichzelf en tegen de medemens, Homo homini lupus. Reise der Hoffnung is hard en weinig hoopvol.