BRUSSELS INTERNATIONAL FESTIVAL OF FANTASTIC FILM

J-horror kleurt eerste dagen

Showbox (The Ghost) Fortissimo (Three... Extremes) Cinema Service (R-Point)

Met een dijk van een programma en een waslijst internationale gasten (waaronder Paul Schrader, Kara Deborah Unger, Dario Argento en Larry Cohen) maakt het BIFFF zich op voor een van zijn sterkste edities ooit. Na de spectaculaire openingsshow (die helaas eindigde in de anticlimax White Noise) is de lijst toppers bijna niet bij te houden: dolle pret voor elke filmliefhebber, een logistieke nachtmerrie voor uw trouwe verslaggever. Vandaar een selectie uit de opmerkelijkste moment van de eerste paar dagen.

Op het gebied van vernieuwende horror heeft Azië de laatste jaren duidelijk een voortrekkersrol gespeeld. Met het succes van Ringu zorgde regisseur Hideo Nakata eigenhandig voor de heropleving van het zogenaamde J-horror genre, en het aantal ‘followers’ is amper nog bij te houden. Zelfs Hollywood kwam aankloppen en verbouwde een aantal Aziatische toppers in heuse blockbusters. Het is dan ook geen verrassing dat een van de eerste films op het programma, het Zuid-Koreaanse Ryeong (The Ghost), precies in dat straatje past. Helaas mikt Ryeong net iets te nadrukkelijk op een tienerpubliek, met als gevolg dat noch het drama (met een knipoog naar Ringu), noch de shockmomenten veel indruk maken. Visueel is de film dan weer wel erg indrukwekkend en regisseur Tae-kyeong Kim heeft een goed oog voor mooie plaatjes. Maar daarmee is zowat al het positieve gezegd.

Nog meer gruwel uit Azië, zij het geen strikte J-horror (want geen spoken), in het gruwelijke drieluik Three... Extremes. De drie films zijn ontsproten uit het brein van Chan Wook-Park (Oldboy), Fruit Chan (Public Toilet) en Takashi Miike (Audition), die zoals gebruikelijk alles in het werk stellen om hun publiek eens lekker te shockeren. Het hoge shockgehalte van de Aziatische cinema mag velen ondertussen bekend zijn, maar wat er in Three... Extremes wordt geserveerd, zal zelfs voor de meest geharde horrorfans soms moeilijk te verteren zijn. Opvallend is wel dat geen van de regisseurs daarvoor moet teruggrijpen op walgelijke smerigheden: de perverse ideeën in de scenario’s zijn al genoeg om menig bezoeker naar de uitgang te doen sprinten. Dat dit soort trilogieën hun publiek wel vinden, werd een paar jaar geleden al duidelijk na de release van San Geng (Three) uit 2002, waarin Peter Chan (Almost a Love Story), Ji-woon Kim (A Tale of Two Sisters) en Nonzee Nimibutr (Jan Dara) al het achterste van hun tong lieten zien.

Three... Extremes borduurt lustig voort op het succes van San Geng en gaat nog een stapje verder. Vooral de Hongkongse regisseur Fruit Chan schopt met zijn segment Dumplings flink tegen allerlei heilige huisjes en gaat zelfs een stevige portie wansmaak niet uit de weg. Na het zien van Dumplings bent u ongetwijfeld heel wat minder enthousiast over homeopatische verjongingskuren. Opvallend toch hoeveel vrijheid Aziatische regisseurs genieten: in Amerika zou Chan gekruisigd worden voor van de schokkende inhoud van zijn film; in Hongkong kreeg Chan van zijn producer het geld om zijn segment tot een langspeelfilm om te toveren. Toch is té veel vrijheid ook niet goed en Zuid-Koreaanse regisseur Chan-Wook Park kan daar ongetwijfeld over meespreken. Zijn kortfilm Cut is zonder twijfel het zwakste deel uit de trilogie. Park mag dan wel een verpletterende indruk hebben gemaakt met zijn wraakfilms Sympathy for Mr. Vengeance en Oldboy, met Cut slaat hij de bal volledig mis. Misschien komt dat wel omdat Park alweer van hetzelfde vaatje tapt: een jonge, succesvolle filmregisseur wordt gevangengenomen door een gefrustreerde figurant die uit is op wraak. Wie het werk van Park een beetje kent, weet dat wraak zijn geliefkoosde thema is. Cut heeft zeker een sterk uitgangspunt, maar het rommelige camerawerk en de ontspoorde acteerprestaties maken het geheel niet erg genietbaar. Dat het segment toch niet vervelend wordt, dankt Park aan een macabere visuele vondst, waarbij hij de moordenaar een vrouw als een marionet laat vastlijmen aan een piano. Dit gruwelijke kunstwerk is zowat de hele film in beeld, maar is meteen ook de meest fascinerende troef van zijn bijdrage.

Nee, dan liever de kortfilm van de Japanse mafkees Takashi Miike, die met films als Ichi The Killer, Audition, Visitor Q en Dead or Alive voortdurend de grenzen aftast van wat voor een bioscooppubliek dragelijk is. Vergeef ons dat we van zijn bijdrage Box een onvervalst Yakuza-bloedbad hadden verwacht. Maar tegen alle verwachtingen in levert Miike een poëtisch en dromerig portret af van een jonge schrijfster die de dood van haar tweelingzusje maar moeilijk kan verwerken. Bepaalde stukken uit Audition deden al vermoeden dat Miike een zachte kant heeft, en met Box lijkt hij die kant een beetje te willen cultiveren. Het tempo van Box ligt opvallend laag en de kijker heeft er (zeker in tegenstelling tot de vorige twee delen) wat geduld voor nodig. Maar als je bereid bent om je door zijn illusies te laten meeslepen, bestaat de kans dat je volledig verdwaalt in de weidse sneeuwlandschappen en sombere circustenten.

Verdwalen was ook het centrale thema in de gehypte Zuid-Koreaanse spookfilm R-Point, waarin een groep Koreaanse soldaten naar Vietnam wordt gestuurd om hun verdwenen makkers terug te vinden. De film was in eigen land een kanjer van een hit, maar de kans is klein dat R-Point ook in onze contreien zal aanslaan. Debuterend regisseur Su-chan Kong slaagt er namelijk niet in om zijn thriller op een coherente manier te structureren en als zijn verhaal even vastloopt, haalt hij er gewoon een flashback bij die het zootje weer op gang trekt. Maar zoals wel meer Aziatische regisseurs is Kong wel erg goed in het scheppen van sfeer. Een aantal shocks zijn dan ook meesterlijk opgebouwd, met als uitschieter de hallucinante scène waarin een van de soldaten in de val wordt gelokt door een groepje spoken. Maar verder valt R-Point hoofdzakelijk onder de noemer ‘veelbelovend’ en zullen we rustig afwachten waar Su-chan Kong de volgende keer mee aankomt.

De organisatoren van het BIFFF zijn altijd op zoek naar nieuw talent, maar ook de ouwe rotten in het vak worden nog regelmatig in de schijnwerpers gezet. Deze keer viel die eer te beurt aan regisseur/scenarist Larry Cohen. Met zijn It’s Alive-trilogie heeft hij zijn plaatsje in het collectieve cult-geheugen zeker verdiend, en ‘vergeten’ pulpklassiekers als The Ambulance, God Told Me To, The Stuff en Q: The Winged Serpent komen nog wel eens langs op uit de hand gelopen cultfilm-feestjes. Cohen begon zijn carrière in de jaren ‘70 als regisseur van een aantal blacksploitation-films (Black Cesar en Hell Up in Harlem), en groeide langzamerhand uit tot een van de peetvaders van de cult. Maar Cohen had ook als scenarist van mainstream-films heel wat succes. Voor Abel Ferrera schreef hij het scenario voor The Body Snatchers, en Joel Schumacher verfilmde zijn ijzersterke script Phone Booth. En om hem te belonen voor zijn bijdrage aan de moderne (cult)film, werd hij voor een joelende menigte tot ‘Ridder in de Orde van de Raaf’ geslagen. Een eer die, zoals menig festivalganger u kan vertellen, echt niet voor iedereen is weggelegd.