BRUSSELS INTERNATIONAL FESTIVAL OF FANTASTIC FILM

Paul Schrader en de Duivels van Hollywood

Morgan Creek Morgan Creek Morgan Creek

Regisseur Paul Schrader had nooit gedacht dat hij de première van zijn Exorcist: The Beginning nog zou meemaken. De opnames van de film leken vervloekt en na een aanvaring met productiehuis Morgan Creek werd zijn film zonder pardon in de kluis opgeborgen. Pas na lang aandringen (en het floppen van de ‘andere’ versie van The Beginning) kreeg Schrader opnieuw de kans om de film af te werken. En nu zijn versie helemaal klaar is, wordt pas duidelijk hoe dom Morgan Creek is geweest om het project af te schrijven.

De hele affaire rond Exorcist: The Beginning is uniek in de filmgeschiedenis. Het levert niet alleen twee films op die op elk gebied elkaars tegenpolen zijn; beide producties staan ook symbool voor de twee uitersten van Hollywood: kunst en commercie. De versie van Renny Harlin was een schoolvoorbeeld van een typische blockbuster: veilig, toegankelijk, spectaculair, maar ook hol, nietszeggend en weinig memorabel. Volgens de wetten van Hollywood de ideale publieksfilm. De aanvankelijk afgedankte versie van Schrader blijkt nu precies het tegenovergestelde te zijn. Schrader is een echte auteur die zelfs op een commercieel project zijn eigen stempel probeert te drukken. Zijn visie op The Exorcist ligt volledig in de lijn van zijn vorige werk. Geen goedkoop spektakel, maar een sombere, boeiend uitgewerkte doodsstrijd tussen een getormenteerde Father Merrin en de demon Pazuzu.

Hoe verschillend de twee films zijn, blijkt al uit de allereerste scène. Renny Harlin begon zijn Exorcist met een visueel indrukwekkend hoogstandje dat uiteindelijk niet zoveel met het verhaal te maken had. Regisseur Schrader pakt het helemaal anders aan en legt in zijn eerste scène de basis voor het belangrijkste thema uit de film. We zien hoe de jonge Lankester Merrin (Stellan Skarsgard) met een stuk of honderd dorpsgenoten door Nazi’s onder schot wordt gehouden. Het is 1944, Lankester Merrin woont en werkt in Nederland. De oorlog woedt in alle hevigheid en een luitenant Kessel van het Duitse leger (gespeeld door de Nederlander Antonie Kamerling) loopt zich verschrikkelijk op te winden over de moord op een van zijn manschappen. Hij is ervan overtuigd dat de moordenaar zich onder de dorpelingen bevindt en vraagt aan Merrin of hij weet het gedaan heeft. Merrin probeert uit te leggen dat de moordenaar waarschijnlijk allang gevlucht is, maar Kessel wil daar niets van horen. Hij riskeert gezichtsverlies en dwingt Merrin tien dorpelingen te kiezen die bij wijze van voorbeeld geëxecuteerd moeten worden. Merrin weigert natuurlijk en Kessel schiet zonder pardon een man overhoop om te bewijzen dat hij niet met zich laat spotten. In een ultieme wanhoopspoging vak Merrin op zijn knieën en smeekt de genade af van zijn God, maar Kessel is onvermurwbaar en sist “God is not here today, Priest!” Om te voorkomen dat het hele dorp slachtoffer wordt van Kessels willekeur, wijst Merrin tien dorpelingen aan die moeten sterven. Hij zou het zichzelf nooit vergeven en het incident zet zijn geloof in God op een laag pitje. Want waarom heeft Hij hem niet geholpen?

Als het Vaticaan na het einde van de oorlog ontdekt wat Merrin op zijn kerfstok heeft, moet hij noodgedwongen op sabbatsverlof. Eigenlijk heeft Merrin daar niets op tegen. Zijn geloof in God is verdwenen en het enige wat hem nog interesseert is archeologie. In opdracht van de kerk wordt Merrin naar een vallei in Kenia gestuurd waar hij de opgraving van een oude kerk in goede banen moet leiden. Tijdens de opgravingen ontdekt Merrin iets vreemds. De muren van de kerk zijn nog zo goed als nieuw en het lijkt erop dat de kerk na de voltooiing onmiddellijk weer werd begraven. Als ook de poort wordt blootgelegd, blijkt dat de kerk (per ongeluk?) werd neergezet op een heidense tempel. Merrin vreest dat de opgravingen wel eens kwalijke gevolgen zouden kunnen hebben, maar krijgt helaas niet veel tijd om het zaakje verder uit te zoeken. Het Britse leger is in aantocht en de schreeuwerige sergeant Harris wil meteen de omliggende dorpjes in het gareel brengen. Het feit dat Merrin en zijn assistent Father Francis nooit problemen hebben gehad met de lokale bevolking, is voor de soldaten geen argument. Maar hun bruutheid gaat niet onopgemerkt voorbij. Als het tussen de Britten en de dorpelingen tot een handgemeen dreigt te komen, wordt een onschuldige man zomaar geëxecuteerd. Merrin krijgt meteen visioenen van de gebeurtenissen tijdens de oorlog en begint de menselijke aard meer en meer te haten. Na een gesprek met Father Francis besluit hij dat het kwade diep in de mens geworteld zit, en de Duivel slechts een verzinsel is. “De duivel bestaat niet, dus is er weinig reden om aan te nemen dat God wel bestaat.”

Maar ook die overtuiging mag Merrin gauw weer overboord gooien. Want na het openen van een crypte in de begraven kerk, beginnen er in de vallei vreemde dingen te gebeuren. Een gehandicapte jongen geneest veel sneller dan verwacht, een vrouw bevalt van een dode baby, twee Britse soldaten komen op gruwelijke wijze om het leven en de koeien eten de kadavers van dode hyena’s. In de originele Exorcist, van regisseur William Friedkin uit 1974, wordt verwezen naar een uitdrijvingsritueel dat Merrin bijna het leven heeft gekost. Het is niet helemaal zeker of dat slaat op de gebeurtenissen in The Beginning, maar wat Merrin moet doorstaan, grenst aan het onmogelijke. Want in tegenstelling tot het origineel (en de versie van Harlin) is de demon die Merrin zal uitdagen geen tierende, kotsende druktemaker, maar een welbespraakte intrigant die hem op alle mogelijke manieren tot het kwaad probeert te verleiden. En in plaats van dat te doen met indrukwekkend arsenaal vuurwerk, confronteert hij Merrin op een meesterlijke manier met een zonde uit zijn eigen verleden. Op dat moment wordt meteen ook duidelijk waarom deze versie van The Beginning in de kast is verdwenen. Het scenario is gewoon té slim, en de uitwerking té subtiel om aan een ‘doorsnee’-publiek als lichtverteerbaar horrorvoer te kunnen verkopen. Productiehuis Morgan Creek had natuurlijk moeten weten dat Schrader geen doorsnee-horrorfilm zou afleveren, maar met hun beslissing om de film gewoon te schrappen hebben ze zichzelf letterlijk in de voet geschoten. Het is niet gezegd dat Schrader’s versie van The Beginning de kassa’s wel had doen rinkelen, maar ze hadden in elk geval met een film kunnen uitpakken die meer te bieden had dan wat goedkoop vertier voor een zaterdagavond.

Hoe serieus Schrader het met zijn film meent, blijkt duidelijk uit serieuze toon en de sobere maar verzorgde visuele uitwerking. De gruwelijke momenten zijn schaars en goed gedoseerd, en het sfeervolle camerawerk van Vittorio Storaro komt door de nieuwe montage veel beter tot zijn recht. Schrader hergebruikt voor de soundtrack handig aantal tracks die componist Trevor Rabin voor Renny Harlin schreef en kon zelfs op de goodwill van zijn vriend Angelo Badalamenti rekenen, die speciaal (en voor niets!) een nieuw hoofdthema voor de film componeerde. Aangezien Schrader veel tijd neemt om zijn verhaal te ontvouwen, komen ook de acteerprestaties veel beter tot hun recht. Vooral Stellan Skarsgard krijgt ruimschoots de gelegenheid om te schitteren. Schrader geeft hem veel ruimte om zijn personage uit te diepen en gooit hem nooit in een hectisch duel met een of ander special-effect. Ook de bijrollen worden een stuk zorgvuldiger uitgewerkt. Het personage van Clara Bellar is meer dan alleen maar een domme bimbo en, in tegenstelling tot Isabella Scorupco in Harlin’s versie, hoeft zij niet uit de kleren om de volgende goedkope shock in te leiden. Gabriel Mann is uitstekend als Father Francis en hoeft niet eens de trouwe sidekick te zijn. Hij heeft minstens evenveel branie als Merrin en legt hem dan ook regelmatig het vuur aan de schenen, vooral als ze weer eens kibbelen over de essentie van hun geloof. Zelfs popzanger Billy Crawford maakt onder Schrader’s regie een erg goede beurt. Het mag gerust een schande heten dat zijn rol zomaar uit Harlin’s versie werd geschrapt.

Het enige euvel dat ook Schrader niet heeft kunnen verhelpen is de ronduit slechte kwaliteit van de digitale effecten. Met de kunstmatig bijgewerkte landschappen is het wel in orde, maar de hyena’s en slangen komen nog steeds zo overduidelijk uit de computer dat zelfs een korte flits van de beestjes niet overtuigend is. Gelukkig hangt Schrader zijn film niet op aan de effecten en beperkt hij die scènes tot een minimum. Van de belabberd slechte hyena-aanval uit Harlin’s versie is bijvoorbeeld geen spoor te bekennen. Maar zelfs met die zwakkere elementen is Schrader’s versie van The Exorcist een film die staat als een huis. Niet alleen als toonbeeld van verzorgde opbouw en sterke sfeerschepping, maar ook als waardig luik in de Exorcist-reeks. En dat is toch al niet slecht voor een film die bijna begraven en vergeten was.