BRUSSELS INTERNATIONAL FESTIVAL OF FANTASTIC FILM

Aziatische film in een dip?

Geneon (Appleseed) Towani (Cutey Honey) Creative (P)

Het Brussels International Festival of Fantastic Film is tegenwoordig niet alleen een hoogmis van het horrorgenre, maar meer en meer ook voor liefhebbers van het nog steeds populairder wordende Aziatische cinema. De organisatoren hebben opnieuw hun uiterste best gedaan om de grootste en meest tot de verbeelding sprekende titels naar ons klein landje te halen en te vertonen op de 23ste editie van het Brussels International Festival of Fantastic Film. Onze man ging kijken en kwam tot de spijtige ontdekking dat de ronkende line-up de hooggespannen verwachtingen niet kon inlossen.

Bunshinsaba
Drie schoolmeisjes worden onafgebroken gepest door een groepje medeleerlingen. Om hier eens en voor altijd een einde aan te maken besluiten ze hen te vervloeken met een Ouijabord. De volgende dag treft men in de school het verkoolde lijk aan van één van de bullebakken. De meisjes beginnen door te krijgen dat hun vloek echt werkt en al snel begint de wroeging toe te slaan. Ze proberen de vloek terug te draaien, maar dit lijkt zomaar niet te lukken.

Ondanks de behoorlijk lauwe kritieken op Bunshinsaba (internationale Engelse titel: Ouija Board) keken we reikhalzend uit naar de screening van Byeong-ki Ahn’s nieuwste genreoefening. Maar een kleine vijf minuten in de film werd het al duidelijk dat dit géén Phone zou worden! Het is bekend dat Aziatische films in het algemeen niet altijd de snelste qua verhaaltempo zijn, maar dit ving men steeds op met een boeiend en niet alledaags verhaal en een op de huid zittende spanning. Met Bunshinsaba slaagt regisseur Byeong-ki Ahn er echter totaal niet in om enige spanning te scheppen, bovendien zijn de strafste scènes gestolen uit andere én beter Aziatische horrorproducties (zoals Dead Friend, Ju-On: The Grudge en uiteraard ook Ringu) en is het verhaal niet altijd even duidelijk verteld. We willen nog even vermelden dat het geleverde acteerwerk van de cast meer dan degelijk is, maar voor de rest is Bunshinsaba maar een mager beestje.

Appleseed
We schrijven 2131. De wereld is een plaats vol kapotgeschoten ruïnes en verkeert in een totale chaos. Uit deze onuitzichtloze hel wordt Deunan Knute opgepikt en overgebracht naar het utopische Olympus. Daar komt ze al snel Briareos tegen, haar vroegere geliefde. Briareos werd bijna volledig aan flarden geschoten tijdens de grote oorlog, maar werd nadien volledig opgelapt met cybernetische onderdelen en gaat door het leven als een cyborg. Terwijl Deunan haar probeert aan te passen aan haar nieuwe leventje in Olympus broeien er allerlei duistere samenzweringen achter de schermen van deze zogenaamd vreedzame metropool...  

In 1988 al kwam Kazuyoshi Katayama - bekend van onder meer Super Atragon en The Big O - op de proppen met Appleseed, een anime die gebaseerd was op de manga van de legendarische Masamune Shirow (Dominion: Tank Police, Ghost in the Shell). Maar de ongeveer 69 minuten durende videoproductie ging niet zo diep als het originele werk. Het stond dus ook al lang vast dat er vroeg of laat een remake zou komen en in 2004 was het dan eindelijk zover! De weinig ervaren regisseur Shinji Aramaki (Metal Skin Panic Madox-01, Genesis Surviver Gaiarth) opteerde er niet voor om een standaard animatiefilm af te leveren, maar trachtte met zijn Appurushîdo de grenzen te verleggen met een ‘state of the art’ mix van oogverblindende computergegenereerde achtergronden en reguliere animatie. Na de film gezien te hebben valt er te concluderen dat Aramaki deels in zijn opzet geslaagd is, want de CGI is waarlijk verbluffend! (Je twijfelt soms zelfs of je niet naar live-action aan het kijken bent!) Maar dit mes snijdt aan twee kanten, want de achtergronden zijn zo knap dat deze soms echt vloeken met de handgetekende personages. Spijtig, want dit haalt de algemene kwaliteit van het geheel wat naar beneden. Inhoudelijk wist men Shirow’s visie dit keer beter te grijpen, maar dit maakt het er voor een leek (lees: mensen die de manga’s of zelfs de eerste film niet meegepikt hebben) niet makkelijker op. Deze nieuwe Appleseed is een verdienstelijke poging om iets nieuws te doen, maar zal ongetwijfeld geen nieuwe fans van het genre creëren.

Cutey Honey
Honey Kisaragi is ondanks haar uitermate goed humeur en vrolijke verschijning steeds het doelwit van spot op haar werk. Zij weten uiteraard niet dat Honey Kisaragi in werkelijkheid Cutey Honey is, een speelse superheldin die steeds met evenveel zwier en enthousiasme de misdaad te lijf gaat. Sister Jill, het ultieme booswicht, ontwaakt uit haar sluimer en is van plan om Japan te onderwerpen aan allerlei snode plannen. Uiteraard probeert de sexy Cutey Honey hier een stokje voor te steken...

Alleen al het vermelden van de naam ‘Go Nagai’ doet de meeste mangaliefhebbers duivels grijnzen. Want Nagai, bekend van gewelddadige figuren als Devil Man, Devil Lady, Violence Jack en Cutey Honey, is op zijn zachtst gezegd niet vies van geweld en bloot. Voor de fans was het dan ook zo klaar als een klontje dat het werk van de man zich perfect zou lenen om er een live-action langspeler uit te distilleren. Zo gezegd zo gedaan, want op korte tijd krijgen we zowel een bigbudget bioscoopfilm van Devilman, als van Cutey Honey op ons bord geserveerd. Maar in praktijk blijkt het helemaal niet zo makkelijk, want Devilman (originele titel: Debiraman) werd totaal met de grond gelijk gemaakt en ook Cutey Honey lijkt niet de geschiedenis is te gaan als een topper. Toch trokken we vol goede hoop richting Passage 44. Het geheel start behoorlijk vrolijk, maar zakt al na de credits (!) in elkaar als een mislukte soufflé. Cutey Honey ofte Kyûtî Hanî is te omschrijven als een schreeuwerige en pijnlijk hysterische farce, waar je hersencellen na te lange blootstelling van afsterven (en toen was het ergste nog niet eens geweest, maar daarover later meer). Het zou tevens gaan om een naar Japanse maatstaven peperdure productie en omdat het wervelende en bloedmooie sciencefictionspektakel Casshern (trouwens eveneens vertoond op het BIFFF) voor amper 6 miljoen dollar gerealiseerd werd, hadden we best wel hoge verwachtingen. De speciale effecten varieerden echter van aanvaardbaar tot dingen waar we plaatsvervangende schaamte van voelde opkomen. Het plot is daarbovenop een chaotisch rommeltje! Was er dan niets goed aan? Ja toch wel, de verwijzingen naar de oorspronkelijke manga en de buitenaards schattige hoofdactrice die het titelpersonage vertolkt (Eriko Sato dus) waren best leuk.

P
Het jonge weesmeisje Dau wordt opgevoed door haar grootmoeder, die haar vanaf jonge leeftijd al de magische gebruiken van de streek bijbrengt. Wanneer de grootmoeder plots ziek valt, is Dau verplicht om voor geld voor medicijnen te zorgen. Zodoende komt Dau terecht in een ongure go-go bar in Bangkok, waar ze veel tegenwind van de andere meisjes krijgt. Dau besluit om haar magische krachten aan te wenden, maar al gauw loopt alles uit de hand en lijkt het kwade haar in het bezit te krijgen.

Met P (uitgesproken als ‘phii’) maakte de Britse regisseur Paul Spurrier, die eerder Underground maakte, als eerste westerling een Thaise film. Het productieproces liep zoals te verwachten niet van een leien dakje. Zo kwamen er bijvoorbeeld doodsbedreiging vanuit de échte Thaise go-go bars en was Spurrier verplicht om zijn acteurs van de straat te plukken, omdat de beroepsacteurs dikwijls vastzitten onder exclusiviteitcontracten. (Pittig detail: De Thaise regering weigert nog steeds het bestaan van prostitutie in Thailand toe te geven. P is in eigen land dan ook erg controversieel en is daar nog steeds niet uitgebracht!) Gelukkig zette de man door want P is een behoorlijk intrigerende productie geworden. Spurrier koos doelbewust voor het bekende en bijna uitgemolken ‘spookmeisjes met lang, zwart haar’-genre, maar probeert er toch een eigen draai aan te geven. Zo zijn de demonen en spookachtige verschijningen hier een metafoor voor de drugsverslaving waar veel Thaise hoertjes mee te kampen hebben. Voor de Westerse kijker zal het verhaaltje waarschijnlijk nogal simpel overkomen. Toch zit P vol met Thaise folklore, echte gebruiken en rituelen. Spurrier’s regie is over het algemeen prima, maar tegen het einde lijkt het wel dat hij het noorden totaal kwijt was. Heb zelden een film zo zien ontsporen als deze P. Toch spijtig! Spannend wordt het nooit, maar qua sfeerschepping zit het snor. De speciale effecten komen soms knullig over, maar omdat de Thaise cinema nog steeds aan het ontplooien is en dat P érg lowbudget gemaakt is maken we daar voor de verandering eens geen struikelpunt van. Ondanks (of misschien nét dankzij) de lage verwachtingen vonden wij P toch een verdienstelijk horrorfilmpje.

Izo
Huurmoordenaar Izo raast als een bezetene wraakengel door het oude Japan. Izo weet eigenlijk niet goed wie de schuldige is van zijn totale razernij en maakt bijgevolg iedereen af die hij op zijn pad aantreft. Izo laat zich bovendien niet tegenhouden door tijdsgrenzen en katapulteert zich van het ene tijdperk naar het andere.

Het Japanse samuraispektakel Izo start bijzonder veelbelovend, maar het is uitzonderlijk snel uit met de pret. Takashi Miike’s aanklacht tegen oorlog en geweld is namelijk een totaal van de pot gerukte aanval op de zintuigen! Zelden maakten je ledematen zulke oncontroleerbare aanstalten om naar de uitgang van de bioscoopzaal te vluchten. Het ‘verhaal’ raakt kant noch wal en is in feite samen te rapen in één simpele zin. Het zwierige camerawerk roept bij momenten spontane kostneigingen op en het acteerwerk is op zijn zachtst gezegd tenenkrommend te noemen (veel geschreeuw en houterige blikken, gekruid met hier en daar kattengejank). We hadden écht hooggespannen verwachtingen van de samenwerking tussen snelfilmer Takashi Miike (Audition, Ichi the Killer) en allround fenomeen Takeshi Kitano (Brother, Zatoichi), maar het uiteindelijke resultaat is werkelijk te mijden als de pest! En dan drukken we ons nog erg voorzichtig uit.