DIE HARD

Yippee-ki-yay, motherfucker

Fox

Sinds de digitale effecten schering en inslag zijn in Hollywood is alles mogelijk. Zo zal Steven Spielberg volgende maand in zijn visie op War of the Worlds de wereld laten vergaan met behulp van meer dan vijfhonderd digitale effecten. Grote actiefilms die géén gebruik maken van de computer, lijken préhistorische dinosauriërs. Dat ze wel degelijk bestaan hebben, bewijst een film als Die Hard. In 1988 zette John McTiernan een ijkpunt neer in de geschiedenis van de harde actiefilm.

De herinnering is een bedrieglijk gegeven. Wie in het geniep naar Poltergeist gluurt als hij zeven is, zal nooit in zijn leven nog een engere film bekijken. Wie stiekem op zijn dertiende binnensluipt in de bioscoopzaal waar Die Hard (KNT) speelt, zal nooit nog een spectaculairdere actiefilm over het netvlies zien rollen. Járen later, bij een tweede, derde en vierde visie, komt de nuance – The Exorcist is misschien wel spannender; Alien spectaculairder – maar als het écht goed zit, dan blijft de kinderlijke verwondering. Zo is het ook met Die Hard: zeventien jaar na zijn première blijft de film overeind, zelfs in een snel evoluerende wereld vol computereffecten. Die Hard markeert een belangrijk punt in de geschiedenis van de actiefilm. Een jaar later, in 1989, introduceerde James Cameron in The Abyss zijn digitaal watertentakel.

Die Hard betekende anno 1988 een hernieuwde samenwerking voor regisseur John McTiernan met producenten Lawrence Gordon en Joel Silver. Ze hadden het jaar daarvoor een grote hit gescoord met Predator en hadden het idee om de roman Nothing Lasts Forever van Roderick Thorpe (1979) te verfilmen – opnieuw met Arnold Schwarzenegger in de hoofdrol. Arnie liet de rol aan zich voorbij gaan en zou zich dat later wellicht beklagen, want de volgende jaren sukkelde hij in ondermaatse komedies als Twins en Kindergarten Cop en had hij Terminator 2 nodig om zijn carrière uit het slop te halen. De producenten klopten vervolgens aan bij Sylvester Stallone (op dat moment nog hot, na vier Rocky’s en twee Rambo’s), Burt Reynolds en godbetert Richard Gere. Hoe een Die Hard met Gere in de hoofdrol er uit had gezien, willen we ons zelfs niet voorstellen, maar de rol ging uiteindelijk naar Bruce Willis, die toen hoge ogen scoorde met zijn rol in Moonlighting. Willis ving met die rol een cheque van vijf miljoen dollar, wat een nieuwe standaard betekende, maar niet voor lang. Een jaar later, voor Look Who’s Talking, had Willis dat bedrag al verdubbeld. 

Willis mocht dan wel niet de spierbundels hebben van een Stallone of Schwarzenegger (of het plastieken gezicht van Gere), hij had andere kwaliteiten. Zijn borsthaar krulde toen nog weelderig uit zijn wit onderlijfje en zijn hoofdhaar was nog een trotse herinnering aan zijn jeugdjaren. Willis bleek een uitstekende macho-met-een-hart, de ruwe bolster met de blanke pit en beschikte over een fijn gevoel voor (sarcastische) humor. Zowel in zijn dialogen met Über-slechterik Hans Grüber (Shakespeare-acteur Alan Rickman) als de politieman die hem steunt (Reginald Veljohnson) spatten de oneliners in het rond.

Die Hard opende op 17 juli 1988 in de Amerikaanse bioscopen en bleek een doorslaand succes. Bioscoopbezoekers werden bijna letterlijk uit hun stoelde geblazen door de niet aflatende opeenvolging van actie. Het voor die tijd verschrikkelijk hoge budget (28 miljoen dollar) werd ruimschoot terugverdiend (81 miljoen dollar) en de komende maanden bleek Die Hard ook buiten Amerika een schot in de roos, zodat de wereldwijde opbrengsten opliepen tot 137 miljoen dollar. Die Hard bleek in vele opzichten het perfecte concept dat bestond uit een held tegen wil en dank, een tot de verbeelding sprekende locatie, een buitenlandse antagonist, een geliefde als damsel in distress, een hulpofficier van buitenaf en een ontoombaar salvo aan actie. Het plaatje van Die Hard klopte zo goed, dat het de volgende jaren een predikaat werd voor nieuwe actiefilms. Wie met knikkende knieën zijn nieuw project ging pitchen bij een studio, begon steevast met: “Het is zoals Die Hard, maar dan in/op een...” Op die manier kregen we onder meer Die Hard op een boot (Under Siege), op een vliegtuig (Executive Decision, Passenger 57), in een gevangenis (The Rock), op een bus (Speed), op een trein (Under Siege 2) of in een ijshockeystadion (Sudden Death).

Hoewel critici niet meteen erg enthousiast waren over de film, kreeg hij wel vier oscarnominaties, uiteraard allemaal voor technische categorieën (speciale effecten, geluid, montage en geluidseffecten). Zelfs vandaag ogen de ontploffingen en shoot-outs nog bijzonder spectaculair, een huzarenstukje als je weet dat de ploeg aan de slag moest zonder hulp van de vandaag zo begeerde computer. Die Hard bleek een van de laatste films die met de oude Hollywoodiaanse trukendoos werd gemaakt. De legendarische Richard Edlund (Boss Film Corporation) blies schaalmodellen van gebouwen en luchtkokers op en liet radiobestuurde helikopters de vlammenlucht invliegen. Veel van wat we in de prent aan effecten te zien krijgen zijn dan ook optische illusies. Wat tegenwoordig in de computer wordt nagetekend, werd in Die Hard verwezenlijkt met behulp van maquettes, blue-screens en schaalmodellen. De huidkleurige kousen waarmee Willis doorheen glas kon trappelen, werden legendarisch.

Volgend jaar zou Die Hard 4.0 in de zalen komen. Het wordt de eerste Die Hard van de nieuwe eeuw en ook de eerste Die Hard waarbij de effecten nagenoeg volledig uit enen en nullen zullen bestaan. Misschien mag het resultaat er best zijn, maar zelfs dan zal de originele Die Hard uit 1988 voor altijd een speciale plaats blijven behouden in de rijke filmgeschiedenis. Is het niet om de historische speciale effecten, dan wel om Bruce Willis’ onnavolgbare John McClane-grijns.


Elke maand stoft Movie in deze rubriek een filmklassieker af.