KING KONG

Beauty killed the beast

UIP UIP UIP UIP UIP UIP UIP UIP UIP
De grootste, duurste, spectaculairste – maar niet de beste – film van 2005 kostte 207 miljoen dollar, dat is 50 miljoen dollar méér dan Peter Jackson ooit had kunnen vermoeden. Geen haan, en zeker productiemaatschappij Universal niet, die daar naar kraait, want King Kong was al voor er ook maar één scène gefilmd was virtueel winstgevend. Iederéén over de hele wereld – in meer dan tienduizend bioscopen - wil zien hoe grootmeester Jackson de digitale gorilla heeft weten te temmen. Het achtste wereldwonder voor de prijs van één toegangsticket: hoe ironisch.

Een met konijnenpels bedekte pop van 46 centimeter inspireerde de negenjarige Peter Jackson om later zelf films te gaan maken. Met grote ogen vol verwondering en passie zag hij in 1970 hoe koning Kong in de legendarische filmversie van Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack van de Empire State Building tuimelde, verblind door liefde voor de knappe blondine Fay Wray. Jackson greep naar schaar en lijm en knutselde zijn eigen wolkenkrabber uit karton. Met plasticine kneedde hij de aap die hem zo had begeesterd. Die dag betekende het begin van een memorabele filmcarrière die uitmondde is het onmogelijke: een adaptatie van Tolkiens Lord of the Rings-trilogie die zowel fans, critici als hobbits deed schuimbekken van puur filmgenot. De opnames van die drie monsterfilms waren voor Jackson een uitputtingsslag geweest, maar zijn droom bleef op hem inhameren: een remake maken van de film die alles had laten beginnen.

Die remake was in 1997 al eens heel dichtbij geweest, maar Universal trok in volle ontwikkeling van de apenfilm de stekker eruit: ze dachten dat King Kong de concurrentie niet zou aankunnen met lelijkerd Godzilla en Mighty Joe Young. Voor regisseur Peter Jackson betekende uitstel geen afstel. Hij herschreef het script en gebruikte al zijn ervaring die hij opdeed met Lord of the Rings ten dienste van King Kong. Dat bleek een niet te onderschatten voordeel, want Jackson kon nu in zijn geliefde Nieuw-Zeeland aan de slag met een ploeg die op topsnelheid draaide, een geoliede machine die precies wist waar het mee bezig was. Dat de kosten opliepen tot 207 miljoen dollar – de duurste film aller tijden – bleek geen bezwaar, evenmin als de 20 miljoen dollar – het hoogste loon ooit voor een regisseur. De WETA Workshop bouwde met dat geld onder meer 42 miniatuursets van Skull Island en Manhattan, inclusief 20.000 planten en 280 beweegbare miniatuurbomen. WETA Digital liet een heel containerpark aan computers dag en nacht snorren en braakte 1500 digitale computershots uit – een werkje waar 450 animatoren drie jaar lang zoet mee waren.

Het verhaal is een regelrechte ode aan de originele versie van 1933 en niet, zoals bijvoorbeeld de gewraakte remake van 1976 met Jessica Lange, een moderne update. Aan het begin van de film belanden we in een uit de computer nauwkeurig opgetrokken New York van de jaren dertig. De Grote Depressie heeft The Big Apple in zijn greep. Het vaudevillegezelschap waarin actrice Ann Darrow (Naomi Watts) speelt wordt opgedoekt en ook regisseur Carl Denham (Jack Black) gaat het niet voor de wind: de producers vinden zijn nieuwe langspeelfilm maar niets. Denham steelt zijn onafgewerkte filmspoelen en slaat op de vlucht, op zoek naar nieuwe kansen. Voor de deur van een bedenkelijk cabaret loopt hij als bij toeval Ann Darrow tegen het lijf. De puzzelstukken vallen in elkaar. Ze is de perfecte hoofdrolspeelster voor de nieuwe, ambitieuze film die hij in de Indische Oceaan wil draaien. Darrow pruttelt tegen, maar kan overtuigd worden omdat het scenario geschreven wordt door haar groot theateridool Jack Driscoll (Adrien Brody). Denham wordt al snel ontmaskerd als een megalomaan, wiens ideeën groter en ambitieuzer zijn dan zijn gezond verstand. Een gammel schip vertrekt en door een lepe truc van Denham verzeilt ook Driscoll op de boot. Wat niemand weet is dat de regisseur koes zet richting Skull Island, een onontdekte stip op de wereldkaart waar hij opnames wil maken voor zijn nieuwe film.

Het duurt ruim een uur voor de crew uiteindelijk, na een storm en volledig in mist gehuld, voet aan wal weet te zetten op Skull Island – en die proloog is een lange, lange zit. Dat een regisseur de tijd neemt om de beginsituatie duidelijk op het scherm uit te tekenen, kunnen we alleen maar toejuichen, maar Jackson gaat hier wel overdreven nauwkeurig te werk. Via ingrepen in de structuur, montage en het tijdsverloop had hij ons wellicht evenveel kunnen vertellen in minder tijd. Wat we moeten weten is onder andere dit: Denham is een egoïstische, onbetrouwbare sensatiezoeker, terwijl de teruggetrokken scenarist Driscoll halsoverkop verliefd wordt op de engelachtige Ann Darrow. En, o ja: de bemanning van het charterschip lijkt gespecialiseerd in het smokkelen van uitheemse diersoorten.

Na een uur breekt de hel los. Skull Island blijkt wel degelijk te bestaan, maar is niet zo verlaten als op het eerste gezicht lijkt. Een horde wrede en kwaadaardige inboorlingen ontvoeren Ann Darrow en offeren haar aan de koning van het eiland, de gigantische acht meter hoge gorilla Kong, de laatste overlevende van zijn soort. Die komt dus pas na zeventig minuten voor het eerst in beeld, maar heeft hetzelfde effect als de confrontatie met de eerste dinosauriërs uit Jurassic Park: wow! Elke grimas op zijn gezicht, elk haartje van zijn pels, elke beweging van dat logge lichaam bestaat slechts uit digitale enen en nullen, maar is een staaltje van ongezien vakmanschap. In 1933 was Kong een doodgewone pop die animatiemeester Willis O’Brien meer dan een jaar lang elke dag millimeters bewoog om de illusie van beweging te creëren. Anno 2005 werd hij door de motion capture-techniek gemodelleerd naar de grimassen van Andy Serkis, de acteur die ook al model stond voor de slijmerige gierigaard Gollum uit Lord of the Rings. De aap maakt dus indruk. Het leverde Jackson godbetert een compliment op van de directeur van de New Yorkse Zoo.

Het stuk op Skull Island is het beste van de hele film. Jackson laat de langdradige proloog achter zich en trekt de film op kruissnelheid. Driscoll wil zijn geliefde koste wat het kost uit de klauwen van Kong redden, maar wat hij niet weet is dat de woeste en brullende aap zowaar gevoelens koestert voor de schoonheid van Darrow. In de spectaculairste scène van de hele film redt hij haar van een groep bloeddorstige T-rexen en kruipt vervolgens op de hoogste bergtop om met zijn nieuwe vriendin naar de ondergaande zon te kijken. Pure schoonheid, zo vinden zowel Kong als Darrow – beiden eenzaam, beiden onbegrepen, beiden droevig – met een gebroken hart. Het is dezelfde schoonheid die Kong op het einde van de film fataal zal worden. Terwijl Darrow zich knus tegen Kongs pels nestelt, verzeilt de rest van de crew van de regen in de drop. Ze komen oog in oog te staan met vreselijke schepsels en creaturen die zelfs in de diepste krochten van Mordor niet voorkomen. Die scènes zijn enger dan het goorste uit Lord of the Rings, vooral wanneer Jackson een horde reuzenspinnen, mensetende insecten en tentakels op Driscoll en co loslaat. Een mooie hommage aan een scène die Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack uit hun prent hadden geknipt, maar ongemeen griezelig en geen voer voor kinderogen.

Het is uiteindelijk regisseur Carl Denham die het scharnierpunt vormt met de derde acte van King Kong. Nadat de bemanning al meer dan gehalveerd is en zijn film verknoeid, vat hij het plan op om Kong te vangen en mee te schepen naar New York om daar als achtste wereldwonder aan een rijk en oververwend publiek te presenteren. Zijn plan lukt, al krijgen we niet te zien hoe de gammele boot een honderdjarige aap van acht meter groot en 4 ton zwaar weet te vervoeren. Daarmee gaan we het laatste uurtje van de film in. Kong in New York – het doet een beetje denken aan het slotakkoord uit Jurassic Park II. Zoals bekend weet de aap uit zijn boeien te ontsnappen en gaat hij opnieuw op zoek naar zijn blonde muze. Met haar teder lichaam in zijn handpalm bekruipt hij de Empire State Building, tot hij – ondanks hevig protest van Ann Darrow - beschoten wordt door vliegtuigen en naar beneden valt. Kong sterft, maar redt zijn geliefde. Een verbaasde Denham komt tot de historische slotwoorden dat niet de vliegtuigen Kongs dood werden, maar wel pure schoonheid.

Geen wonder dat Jackson in het slotdeel resoluut de romantische kaart trekt. Het gevecht van een graaiende Kong op de top van de Empire State Building met de vliegtuigen is ongemeend boeiend, maar de nadruk ligt op dat moment op zijn interactie met Darrow. Hun blikken stralen zowaar verliefdheid uit. De Schone begrijpt Het Beest en toont medeleven en mededogen, iets wat parvenu’s als Denham nooit hebben gevoeld. De laatste scènes tussen Darrow en Kong werken wel degelijk en het is dan ook dubbel jammer dat Jackson zich even daarvoor heeft overgegeven aan scènes die net over de top gaan: Kong schaatsend op het ijs – nee, dat werkt niet. Een moegetergde, uitgevochten en verwonde Kong die uiteindelijk de ogen sluit en wegglijdt – ja, dat werkt wel.

Laat u niets wijsmaken: King Kong is niet de béste film van het jaar. Met zijn drie uur en acht minuten is hij te lang. Cooper en Schoedsack vertelden in 1933 exact hetzelfde verhaal in de helft van de tijd en we snappen niet goed waarom Jackson dat ook niet kan. Nu al vrezen we dat Jackson een ongeknipte DVD-versie van vijf of zes uur zal uitbrengen. Jackson pootte zijn film neer in de jaren dertig, maar lijkt ook af en toe filmisch naar die periode te verwijzen, met scènes die erg B-filmachtig overkomen. Het is wellicht zijn bedoeling, maar af en toe zit het qua toon toch behoorlijk scheef in deze King Kong. Daartegenover staat digitale perfectie: Kong zelf, de spinnen, de dinosauriërs, Skull Island, Manhattan – het is allemaal ongezien gedetailleerd en ongezien perfect. De acteurs die in deze monsterproductie mee hollen, zijn niet digitaal maar evenzeer perfect. De keuze van de irritante komiek Jack Black was gewaagd, maar als gladde opportunist Denham is hij ideaal gecast. Net als de immer geweldige Adrien Brody krijgt hij voldoende kansen om zijn personage uit te werken. Jackson neemt zelfs de tijd om enkele nevenfiguren behoorlijk uit te werken.

Toen Fay Wray in 1933 uit de handpalm van Kong kroop, was ze gedoemd om voor de rest van haar carrière een scream queen te blijven. Dat risico zal Naomi Watts niet lopen. Als zelfverzekerde jongedame doet ze in deze versie veel meer dan hulpeloos schreeuwen en enkel gehuld in een witte nachtjapon in het rond geslingerd worden. Met haar grote, blauwe ogen vol ontzag en liefde is ze goddelijk mooi. Als wij Kong waren, dan bekropen we speciaal voor haar niet alleen de Empire State Building, maar desnoods ook de Eiffeltoren en de nieuwe, blinkende bollen van het Atomium. Kong is de koning van de jungle, maar Watts is de koningin van de film.


Titel: King Kong
Genre: Avonturenfilm / Fantasie
Speelduur: 3u08
Regisseur: Peter Jackson
Acteurs: Naomi Watts, Jack Black, Adrien Brody, Andy Serkis, Jamie Bell, Kyle Chandler, Lobo Chan