Oké, je kunt met hem lachen, maar Steven Seagal heeft het toch maar mooi klaargespeeld. In 1982 nog een onbekend stunthulpje in John Frankenheimers The Challenge, maar talentvol genoeg om van Warner Brothers een eerlijke kans te krijgen. Seagal schreef, produceerde, stunt-coördineerde en speelde de hoofdrol in de lowbudget vechtprent Above the Low en sindsdien verliep zijn carrière (wat commercieel succes betreft) alleen maar in stijgende lijn.
Nadat hij eerder dit jaar een gesmaakte en uiterst verrassende gastrol weggaf in Critical Decision (misschien wel de beste zet uit zijn carrière), neemt 's werelds meest uitgestreken pokerface de draad weer op waar hij hem met Under Siege 2 een jaar geleden had laten liggen. Opmerkelijk is wel dat Seagal deze keer zó over de schreef gaat, dat hij bijna een parodie op zichzelf wordt. Hij beoefent de kunst van Zen, draagt rustgevende kralen om de nek, is vriend aan huis bij een Chinese kruidenier, verbergt scheermesjes in creditcards, kan door naar een lijk te kijken de nationaliteit ervan raden, en tussendoor slaagt hij er ook in een leugendetector te manipuleren.
En dat allemaal als rechercheur Jack Cole, ingehuurd om samen met Campbell (Keenen Yvory Wayans) een aantal gruwelijke moorden (à la Seven) op te lossen. Een seriekiller vindt er namelijk genoegen in zijn slachtoffers op een rituele manier aan de muur te kruisigen. Voor Cole wordt de zaak persoonlijk als zijn ex-vrouw één van de slachtoffers is én als hij zelf één van de verdachten wordt. Cole trekt er dan op uit zijn onschuld te bewijzen, en ontdekt dat zelfs de Russische maffia bij de zaak betrokken is.
En zo komen we meteen bij het grootste probleem van een Seagalprent in het algemeen en The Glimmer Man in het bijzonder: het acute gebrek aan tegenstand. Seagal walst ze gewoonweg allemaal plat en doet dat bovendien met een rimpelloos gezicht en zonder zelf ook maar de kleinste schram op te lopen (behalve in de finale, daar houdt Seagal zowaar een bloedneus aan over). Het wordt tijd dat men eens gaat beseffen dat een held zonder tegenstander geen held is. En oersaai om naar te kijken.
Het gebrek aan een waardige opponent, werd dan maar opgevuld met het inmiddels ook al clichématige maatje, de buddy. Campbell is namelijk in alles het omgekeerde van Cole en dat zou voor wat typische humor moeten opleveren. Schrijver Kevin Brodbin doet ook pijnlijk hard zijn best wat andere films in het geheel te betrekken: Casablanca, Kung-Fu, Sesamstraat. Het werkt echter maar zelden: Seagal is te weinig acteur om Wayans van repliek te dienen en het scenario is te mager om dat te verbergen. Waarom krijgen we het gevoel dat we in herhaling vallen?