Hij vermoedt dat Allen’s vermeende klassiekers, waaronder Manhattan, met belangstelling en interesse gemaakt werden maar tegenwoordig meer gegaap opleveren dan goed is voor de kijker, met slechts een enkele leuke scène of een sporadische niet gedateerde oneliner als lichtpunten. Grunberg wordt tot zijn ergernis en vanwege zijn ‘joodse’ humor soms vergeleken met ‘hobbyist’ Allen, maar voelt meer verwantschap met Christus, de ware kunstenaar. Hij beweert dat Kunst een offer vereist en de kunstenaar staakt zijn werkzaamheden zeker niet voor een interessante basketbalwedstrijd, zoals Allen dat vaker doet. Deze analogie met Christus lijkt overigens gejat uit Manhattan zelf: als zijn vriend Yale (Michael Murphy) hem toeschreeuwt: “Je denkt dat je God bent”, antwoordt Isaac (Woody Allen) verontwaardigd: “Ik moet toch iemand als rolmodel hebben.” (I have to model myself on somebody.)
Grunberg’s attaque op Manhattan is geen 9/11, maar verwerpelijk. Ik vond het bovendien curieus aangezien ik deze prent nog altijd beschouw als de volmaakte film. Ik heb hem vaak gezien, maar na het lezen van Arnon's amusante onzin besloot ik hem toch weer te gaan bekijken. Enfin, bedankt Arnon het was weer genieten geblazen.
Manhattan is een soort intellectuele ‘Friends’ met een aura van lichtelijk decadentie. Het verhaalt over verraad en overspel onder welgestelde, intellectuele New Yorkse liberalen. Centraal staat de driehoeksverhouding tussen Yale (Michael Murphy), Isaac (Woody Allen) en Mary Wilkie (Diane Keaton) en Isaac’s verhouding met de vroegwijze zeventienjarige Tracy (Mariel Hemingway) speelt een belangrijke rol. Het is een van de geestigste scenario’s uit de filmgeschiedenis, geschreven door Woody en vriend Marshall Brickman die ook aan Annie Hall meeschreef, cinematografer Gordon Willis, ook verantwoordelijk voor The Godfather trilogie, draaide in zwart-wit en het resultaat is verbluffend. En de acteerprestaties: ongelofelijk maar waar, iedereen steelt de show. Meryl Streep als Jill, Isaac’s venijnige en rancuneuze ex en Michael Murphy als Yale, Isaac’s beste vriend. Een weergaloze Diane Keaton als Mary Wilkie, een intellectueel uit Philadelphia, maar vooral Mariel Hemingway, kleindochter van de grote schrijver, als Tracy de zeventienjarige vriendin van Isaac.
De ouverture van deze rapsodie in zwart-wit wordt begeleid door Gershwin’s Rhapsody in Blue en is pure magie; de eerste zinnen van de voice-over even onvergetelijk als Henry Hill in Scorsese’s Goodfellas: “As far back as I can remember I always wanted to be a gangster.” In Manhattan is Isaac offscreen aan het schrijven en hij corrigeert zijn beginzin voortdurend terwijl wij kijken naar aanzichtkaart mooie beelden van de metropolis. Uiteindelijk roept hij met volle overtuiging. “Chapter one: he was as tough and romantic as the city he loved… New York was his town and it always would be.”
En Ja, Arnon, er zijn niet gedateerde, geestige oneliners te over. Een vrouw op een feest vertelt dat ze eindelijk een orgasme heeft gehad, maar haar psychiater zei dat het helaas het verkeerde soort was. Isaac dient haar van repliek: Isaac: I’ve never had the wrong kind, even my worst one was right on the money
Isaac in gesprek met Mary Wilkie:
Mary: my ex was a
genius
Isaac: He was a genius, Dennis was
a genius too, you said. You know a lot of geniuses. You should meet some stupid
people once in a while, you could learn something
De meest ontroerende scène: als Isaac weinig zachtzinnig het uitmaakt met Tracy die bijna sprakeloos, maar zo treffend melancholisch haar verdriet tentoonspreid.
De meest hilarische ruziescène: Isaac en Yale twisten in een leslokaal over wie het meeste recht heeft om verder te gaan met Mary, dit alles gade geslagen door een tussen hen in opgesteld skelet.
De slotscène en Tracy’s laatste zin zijn ook overrompelende hoogtepunten. Isaac (42) is tot inkeer gekomen en wil toch verder met Tracy ondanks het grote leeftijdsverschil. Maar zij moet naar Engeland, haar vliegtuig staat klaar. (Woody kent zijn Casablanca als geen ander). Tracy kijkt Isaac aan door trieste ‘Bambi’ ogen, maar ondanks zijn smeekbede zet zij door en zegt dat ze over zes maanden terug in Manhattan zal zijn, dan kunnen ze verder. Begeleid door de langzame passage uit Gershwin’s Rhapsody in Blue fluistert deze door de neurotische Isaac bijna vermoorde onschuld: “You have to have a little faith in people”.
‘Je moet een beetje vertrouwen in de mensen hebben.’ Deze zin lijkt het enige waardevolle overblijfsel na dit gruwelijke feest van cynisme en decadentie onder deze New Yorkse intellectuelen. De prachtige, weerloze Tracy en haar troostende woorden voor de neurotische, rijpere man die ze voor geen meter verdient blijven lang hangen.
In het licht van Grunberg’s arrogantie hoor ik Tracy die zin herhalen tegen hem, de begenadigde schrijver die columns uitsluitend voor het geld in elkaar frutselt. Hij diskwalificeert een grote regisseur als kunstenaar, maar de hamvraag luidt: hoe serieus moeten wij Grunberg nemen als kunstenaar wanneer hij zoveel tijd verspilt aan het sturen van matig geschreven e-mails aan veel grotere talenten.
Maar uiteindelijk zegt Grunberg’s ‘Geachte Woody’ column alles over deze over het paard getilde spamverspreider en helemaal niets over Allen’s unieke, schitterende en tijdloze hommage aan zijn geliefde Manhattan.
In de column 'Eyes Wide Open' kijkt de redactie met wakkere blik naar de wondere wereld van de film. Actuele thema's, opvallende trends of persoonlijke verzuchtingen rollen hier uit ons toetsenbord.