Omdat we vorig jaar niet altijd even enthousiast waren over de kwaliteit van enkele eindwerken (op Steve Van Damme’s Beloofd en het later voor een Joseph Plateau Prijs genomineerde Love’s Lost & Happiness van Lieven van Droogenbroeck na is er ons bitter weinig bijgebleven) zijn onze verwachtingen vaak vrij laag maar we mogen toch niet ontkennen dat de producties in deze editie over de hele lijn solide waren, met enkele verrassende uitschieters (voor de goede orde moeten we wel bekennen dat we niet alle eindwerken onder ogen kregen. Toch menen wij met deze selectie een goed beeld weer te geven van de nieuwe talenten).
Wij zijn niet altijd grote fans van de “artistieke” animatiefilms die uit de filmscholen tevoorschijn komen. In veel gevallen gaan de door opdringerige geluidseffecten geteisterde, bewust beverig geanimeerde “tekenfilms” ons gauw irriteren en ontgaan ons de ongetwijfeld “hogere” kunstzinnige doeleinden die de regisseur of regisseuse ter verdediging aanwendt. Voor animatiestudenten dwaalt het spook van de in Cannes in de prijzen gevallen Jonas Geirnaert nog steeds door de gangen van de Academie (Geirnaert dook zelf op in de filmminnende massa aan de ingang van de Sphinx, in het gezelschap van enkele van zijn Neveneffectenkompanen) maar dit jaar kregen we toch de indruk dat de animatiestudenten aan de hoge druk van hun voorganger wisten te ontsnappen en met leuke, originele films voor de dag kwamen. Les Bains De Budapest van Hermien Verstraeten bleef nog even in de valstrik van pseudo-kunst steken (compleet met vervelende sound effects, competente maar oninteressante animatie en een langdradige “sfeerschepping”) maar daarna werden we aangenaam verrast door het positief ludieke Mikelélé and the Ukelele van Michèle De Feudis. In Ukelele volgen we de belevenissen van een mannetje dat met de hulp van een overal in het beeld opduikende aap en een besnorde agent op zoek gaat naar zijn geliefde, door een “bandido” gestolen ukelele. De Feudis toont haar film alsof het om een kinderprogramma zoals we er allemaal wel eens op televisie gezien hebben gaat (Pipi Time), voegt er hilarische geluidseffecten van een naar een poppenkast kijkende meute kinderen aan toe en lijkt de Teletubbies, Plopperdeplops en Piet Piraten van deze wereld ook nog eens keihard te parodiëren. Wij konden een schaterlach amper onderdrukken bij de Super Mario. Bros- achtige videogamezoektocht naar de verdwenen ukelele. De Feudis bewijst hiermee over een flinke brok fantasie en komische timing te beschikken en we hopen in de toekomst nog iets van haar te horen. Minder knap maar ook vrij interessant vonden wij Seven Times Upon A Time van Michèle Vanparys, een misschien iets te ambitieus samenraapsel van sprookjes dat uiteindelijk wegzinkt in overbodige complexiteit en uitdooft met een pijnlijk flauwe grap. Simon Everaerts La Grande Vente is visueel weinig boeiend maar hij bewijst wel dat er soms niet meer dan een zwarte vlek met ogen nodig is om een personage neer te zetten. Vente is leuk maar voorspelbaar en blijft achter in de schaduw van Mikelélé.
Vervolgens trokken twee korte fictiefilms aan ons netvlies voorbij. Met Nowhere toont Tim Blancke dat hij met een indringende geluidsband en een claustrofobische cameravoering een beklemmende sfeer weet op te roepen. Hij kan met zijn verhaal over een stille jongen die met lede ogen moet toezien hoe zijn broer zijn vriendin afranselt voorspelbaarheid niet vermijden (iedereen die een beetje films bekeken heeft weet dat zwijgzame types die met een mes rondwandelen en er een gesuggereerde incestueuze relatie met hun moeder op nahouden vroeg of laat ontploffen) maar Blancke is alvast omwille van zijn visuele stijl iemand om in de gaten te houden. Wij hadden het echter meer voor Alexander Van Waes’ Fernsehturm, waarin twee broers (Tom Van Dijck en Wim Willaert) hun leven veranderd zien met de komst van een nieuwe buurvrouw (An Miller) én een door hen opgeknapte wagen. Van Waes’ film mag dan wel niet de pretentie hebben een antwoord te bieden op grote levensvragen maar zijn film ademt een opgewekte joie de vivre uit. Vlaanderens populairste acteur Van Dijck is uitstekend als het zwijgzame, ietwat trage hoofdpersonage en zijn minimalistische vertolking, die haaks staat op de soms uitbundige personages die we kennen uit Het Eiland en Matroesjka’s, blijft ingetogen en grappig (de leuke openingsscène zet meteen de toon). Ook Wim Willaert is sterk als de broer die meer over het leven denkt te weten. An Miller (ook al uit Het Eiland) vervolledigt het trio als de jongedame die het rustige leven van de twee broers even opschudt. Fernsehturm is in alle opzichten een kleine film; visueel en narratief weinig ambitieus maar daarom niet zonder charme, inhoud en sfeer. De personages staan er, de plot wordt beheerst uitgewerkt en de laatste scène is er een om niet meteen te vergeten.
Het hoogtepunt van de eindwerken was ongetwijfeld het exclusief in de nieuwe bioscoopzaal van het KASK zelf vertoonde eindwerk van Elias Grootaers. Lignes is een ontroerend mooie documentaire over ouder worden. Drie met stokken door de sneeuw strompelende oude mannen banen zich een weg naar een bijna ondergesneeuwde spoorweg en halen herinneringen op aan de tijd dat ze voor de Belgische spoorwegen werkten. Het lijkt banaal maar Grootaers weet de juiste toon te treffen en schetst temidden van enkele onvervalste hilarische momenten (zoals het schitterende verhaal van de oude José die de belevenissen van elke dag opschrijft in een schrift) een beeld van wat ons allemaal te wachten staat: ouder worden, de nostalgie en spijt die daarmee gepaard gaan en de herinneringen aan een tijd dat het misschien beter was. Verder is de fotografie ronduit schitterend, komt toeval de film versterken (de vos in het sneeuwlandschap) en zorgen de nog lang niet gedoofde pretoogjes van José dat Lignes na afloop niet gauw uit het geheugen verdwijnt. Wat wij aanvankelijk als typische, enkel voor cinefiele filmstudenten gemaakte docudrek zagen ontpopte zich bijna meteen tot een eerlijk en warm karakterportret dat ongetwijfeld aan de start ligt van een mooie carrière in de filmwereld.
Deze zagen we niet maar de andere eindwerken waren Administrators van Roman Klochkov; Pandora’s Box van Zoé Schelfthout; L'Octorella van Charlotte Winne; The Piano, Her Shoes and His Lover van Barend Weyens; Zu Stramm van Levi Tack; Lijn 72 van Regina Demartelaere; Floaters: A Documentary van Phavin Verly en Headless van Dario van Vree.
Of er ook dit keer een mogelijke Joseph Plateau Prijs winnaar bij de afstudeerprojecten zit valt nog af te wachten maar dat we enkele films vroeg of laat op een niet nader genoemde cultuurzender en een of twee regisseurs met een langspeelfilm opnieuw in de zalen mogen aantreffen staat – hopelijk – als een paal boven water.
Pipi Time!