DROIDMAKER: GEORGE LUCAS AND THE DIGITAL REVOLUTION

De bevlekte ontvangenis van Pixar

Disney/Pixar

Pixar  blijft letterlijk een ongekend fenomeen. Het bedrijf met het Grote Hart dat tegenwoordig onherroepelijk gelinkt is met Disney en waarvan men in de korte samenvatting zal vermelden dat George Lucas het in 1986 verkocht heeft aan Steve Jobs voor de som van pakweg 10 miljoen dollar, nadat die groep computernerds effecten voor onder meer Star Trek II had afgeleverd. Wie er met zijn neus dichter opzit weet echter beter, maar zelfs voor wie in het computer graphics wereldje vertoefde was het soms onduidelijk hoe het verhaal van de legendarische LucasFilm computergroep (en meteen het begin van de digitale cinema) nu echt in elkaar zit. Tot het ronduit schitterende boek Droidmaker: George Lucas and the digital revolution enkele maanden geleden uitkwam.

George Lucas zal wel voor eeuwig met Star Wars vereenzelvigd worden, maar achter de schermen heeft de man een veel grotere revolutie teweeggebracht. Iedereen weet tegenwoordig dat hij het special effectenhuis Industrial Light & Magic oprichtte omdat er in 1975 niemand in staat was om zijn ruimte-epos naar het grote scherm te brengen en zijn niet aflatende strijd om de cinema digitaal te maken is ook al ruimschoots besproken sinds zijn prequels gedeeltelijk digitaal zijn opgenomen en geprojecteerd. De invloed die Lucas heeft gehad op de filmwereld begint echter maar duidelijk te worden na het lezen van deze bijna 500 bladzijden turf. Michael Rubin, die 1985 zelf voor de computergroep van LucasFilm werkte, heeft duidelijk zijn huiswerk gemaakt, en beginnend met de bewogen vriendschap met Francis Ford Coppola die Lucas' leven sterk zou beïnvloeden, begint hij in zalig detail het digitale pad van Lucas te volgen.

Dat pad begon vreemd genoeg aan de oostkust van de States, waar het genie Ed Catmull (nu president van Pixar, president van Disney Feature Animation, in het bezit van een 4-tal technische oscars en uitvinder van enkel van de belangrijkste CG algorithmes waardoor je 3D objecten op een computerschermn krijgt) bezig was om in het New York Institute of Technology (NYIT) een superteam computergrafici bijeen te halen. Die kwamen af op de ongekende financiële mogelijkheden van het instituut om de laatste speeltjes op het gebied van computergrafieken te kopen. Wat ze buiten hun honger naar computerpower gemeen hadden was hun passie om verhalen te vertellen met de computer. We spreken anno 1974, toen het nog een kunst was om 1 puntje op een computerscherm te krijgen. Het was pas jaren later, toen Lucas beroemd was geworden en de middelen had om zijn dromen echt in vervulling te zien gaan, dat Catmull en zijn groep (met onder meer Alvy Ray Smith - waarmee hij later Pixar zou oprichten -, en Ralph Guggenheim - die de procucent van Toy Story zou worden) vanaf 1979 de stap naar LucasFilm maakten, want Lucas was hun toegangsticket om verhalen met computeranimatie te kunnen vertellen. Enfin, zo dachten ze toch.

Catmull kreeg drie opdrachten waarmee Lucas de filmindustrie wou veranderen: het maken van een digitale filmprinter, het ontwikkelen van nieuwe tools voor het editeren van film en een beter geluidssysteem. Rubin beschrijft nauwgezet hoe Catmull verder werkte aan zijn droomteam (zowat iedereen die in het CG wereldje iets betekent, heeft ooit wel onder Catmull bij Lucasfilm gewerkt) en na enkele kalme jaren onder zware tijdsdruk kwam te staan toen al zijn projecten niet echt bleken te vlotten. Enkel het geluidsproject leek wel iets te worden en zag het levenslicht als THX (De initialen staan voor Tom Holman, de uitvinder van het systeem en X voor Crossover), het bekende sound quality system label. Het video editeer systeem (EditDroid) was zijn tijd ver vooruit maar bleek te kampen met technische problemen (de laserdiscs waarmee het systeem werkte kwamen bijvoorbeeld nooit echt van de grond) terwijl ook de software niet echt stabiel was. Ironisch gezien moest de groep, dat een buitenbeentje was in de LucasFilm familie, vechten om een scene van Return of the Jedi te krijgen waarmee ze hun systeem konden demonstreren. Lucas verkocht die technology later echter aan Avid, dat nu nog steeds toonaangevend is in de editeerwereld. Ook de speciale grafische computer die de groep ontwikkelde kwam niet echt van de grond. De Pixar Image Computer (Pixar, omdat pixer vreemd in de oren klonk. Het idee was dat je van pixel, een puntje op uw scherm, een werkwoord kon maken in het Spaans door er "er" achter te plaatsen, dus een pixel maker...) was veel te duur, niettegenstaande het zijn tijd ver vooruit was.

Catmull begon rond 1982 ook spelletjesprogrammeurs aan te trekken en ging later met Atari in zee, maar raakte ook meer en meer gefrustreerd omdat zijn echte animatiedroom niet dichter kwam. Samen met zijn team kon hij zich uiteindelijk uitleven in de beruchte Genesis sequentie van Star Trek II (omdat ILM, die neerbuigend neerkeek op de computernerds, niet wist hoe ze aan het effect moesten beginnen), maar toen hij in 1984 de jonge animator John Lasseter aanwierf kwam hij eindelijk dichter bij zijn droom. Catmull was niet verondersteld om een animator aan te nemen en daarom kreeg Lasseter de naam Interface Designer opgeplakt. Die regisseerde Andre and Wally B., een kortfilm die bedoeld was om het technisch kunnen van de computergroep aan de buitenwereld te bewijzen. Het zou een traditie zijn die Pixar jaren later nog menig juweeltjes en Oscars zou opleveren. Lasseter zou later Toy story regisseren en wordt nu nog steeds geroemd als de redder van de animatiekunst.

In de achtergrond was LucasFilm zelf in tumult. George Lucas had heel wat energie gestoken in het bouwen van zijn Skywalker Ranch, de Star Wars films waren afgewerkt en de opbrengsten van de films begonnen op te drogen, en vermits de projecten van de computergroep niet echt tot succesvolle producten leidden, volgden er managementwissels, strijd tussen ego's en liep Lucas ten slotte tegen een dure echtscheiding aan. Om die te kunnen betalen plaatste hij zijn animatiegroep te koop, en na heel wat manoeuvreerwerk werd Steve Jobs, die toen bij Apple buiten lag, in 1986 de nieuwe eigenaar. Catmull en Alvy Ray Smith stichtten Pixar en daarmee was het gouden tijdperk van de computergroep van LucasFilm afgelopen.

En dat is meteen het enige minpunt van Michael Rubin's schitterende boek. Na 500 pagina's, en een laatste hoofdstuk waarin Rubin heel kort het lot van de verschillende afdelingen en projecten afgaat, heb je wat het gevoel dat de wereld wat ineenstort en wil je in dezelfde gedetailleerde vertelstijl het vervolgverhaal horen van alle afgespinde bedrijven, waarvan Pixar duidelijk het grootste succes was. Gelukkig is er door een andere schrijver een boek in de maak over Pixar en we kunnen alleen hopen dat dit meer wordt dan een opsomming van hun films en ook diep in de zeer tumultueuze beginjaren van Pixar gaat duiken, waarbij het vaak heel kantje boord was. Voor Toy Story een succes werd, moesten ze zich jaren van water en brood voorzien met enkele reclamefilmpjes, tot ze met het commercialiseren van hun Renderman software pakket de standaard werden in de animatie- en effectenwereld.

Wie aan Droidmaker begint met de hoop om meer te weten te komen over het maken van Star Wars of ander filmnieuws die zal bedrogen uitkomen, en  ook wie prachtige kleurenfoto's verwacht kunnen we nu al van een teleurstelling behoeden. Dit is duidelijk een boek voor de mensen die ergens iets in het wereldje in aanraking zijn gekomen met computer graphics of een van de andere projecten van LucasFilm. Of voor wie nu eens echt het fijne wil weten over het beste experiment van Lucas, en het begin van de digitale cinema wil meemaken. Voor hen is dit het walhalla. Buitengewoon warm aanbevolen.


Droidmaker: George Lucas and the Digital Revolution
Michael Rubin
Triad Publishing Company, 2006
ISBN: 0-937404-67-5
34.95 dollar