De “serieuze” (lees saaie) filmhistorici proberen ons al jaren wijs te maken dat Dail M for Murder van Alfred Hitchcock de enige 3D film van waarde is. De kans is groot dat ze die film nooit in het 3D formaat gezien hebben. Maar omdat Hitchcock zo een ontastbaar filmicoon is geworden klinkt dit voor hen waarschijnlijk aannemelijk en het is traditioneel voor academische critici die zichzelf te serieus om neerbuigend te doen over het SF genre. Dail M for Murder verdient zeker zijn status als klassieker en de onverwoestbare reputatie van Hitchcock zal er zeker niet onder lijden. Maar Dail M for Murder is zeker niet de enige geslaagde 3D film. SF fans onder ons weten maar al te goed dat It Came From Outer Space minstens op dezelfde hoogte staat. Ook al hebben we net als die “professionele” filmhistorici deze cultfilm nooit in dat formaat gezien, we zijn er honderd procent van overtuigd dat de film een geweldige 3D ervaring is.
Het geniale aan It Came From Outer Space is dat Jack Arnold niet al te zeer de nadruk op 3D effecten legde zodat de film in de normale “platte” versie even sterk bleek. Andere 3D films zoals House of Wax (1953) van André De Toth gebruikte de techniek zuiver als een “gimmick” door alles wat niet vastgenageld was naar de camera te gooien om een goedkoop schrikeffect te creëren. Als je deze films in hun gewone versie bekijkt dan krijgen we camerastandpunten en lange onbegrijpelijke shots die in een gewone vertoning totaal geen doel hebben. Jack Arnold daartegen gebruikte de 3D techniek in zijn films creatief en spaarzaam.
De SF film uit de jaren ‘50 behandelen op één of andere manier telkens de atoombom. Nucleaire testen in de woestijn creëerde reuzenmieren in Them! (1954, Gordon Douglas) en This Island Earth (1955, Joseph M. Newman) toonde een buitenaardse beschaving die vernietigd werd door jarenlange atoomoorlogen. In dat tijdperk begonnen de Verenigde Staten, de USSR, Frankrijk en Engeland met een enorme voorraad van nucleaire wapens. De VS raakte betrokken in een oorlog in Korea. De toenmalige Amerikaanse president Dwight D. Eisenhower waarschuwde de wereld voor de gevaren van het oprichten van een Militair Industrieel Complex. De enige films die het atoomtijdperk behandelden waren een handvol zwartwitte SF films waarvan de meeste geregisseerd waren door Jack Arnold. Van de zes SF films die Jack Arnold regisseerde voor de filmstudio Universal in de jaren ’50 zijn er vijf klassiekers geworden: It Came From Outer Space (1953), Creature From The Black Lagoon (1954), de sequel Revenge of the Creature (1955), Tarantula (1955) en zijn absoluut meesterwerk The Incredible Shrinking Man (1957).
Jack Arnold is door zijn SF films onsterfelijk geworden. Hij heeft ook komedies en westerns geregisseerd maar die haalden nooit hetzelfde niveau. Enkel de komedie The Mouse That Roared (1959) is een topper in zijn genre, niet toevallig komen er SF elementen in voor. The Mouse That Roared heeft de onvervangbare Peter Sellers in drie hoofdrollen. Dit was vijf jaren voor Dr. Strangelove (1964) van Stanley Kubrick waarin Sellers opnieuw drie hoofdrollen voor zijn rekening nam. Er zijn nog overeenkomsten: The Mouse That Roared is ook een politieke satire en het scenario behandelt een nucleaire dreiging vanuit een komisch standpunt. The Mouse That Roared is wel minder bijtend en sarcastisch dan Dr. Strangelove, maar Kubrick heeft toch wel enkele dingen geleend uit deze ongewone Arnold klassieker.
Het jaar 1951 was het grote keerpunt in de Amerikaanse SF films. In dat jaar kregen we twee bezoekers uit de ruimte die allebei zeer verschillende doelen hadden. In The Day The Earth Stood Still kwam de goedaardige buitenaardse bezoeker Klaatu ons waarschuwen voor onze zelfdestructiedrang (tevergeefs uiteraard). In The Thing From Another World wordt een buitenaards wezen op de Noordpool ontdooid door wetenschappers en militairen. In een extreme vorm van ochtendhumeur terroriseert het wezen het onderzoeksteam voor hun bloed om te kunnen overleven. Pas wanneer de twee tegengestelde groepen hun geschillen opzij schuiven en samenwerken, kunnen ze de buitenaardse vampier overmeesteren. Beide film waren grote kassuccessen en de filmstudio’s eisten uiteraard meer van dat.
De derde langspeelfilm die Jack Arnold regisseerde was zijn eerste stap in het SF genre: It Came From Outer Space. Net als in The Thing From Another World stort er een ruimteschip neer, maar ditmaal in de Mojave woestijn in het westen van de Verenigde Staten. It Came From Outer Space was de eerste “woestijn” SF film. Arnold creëert een sterke sfeer door gebruik te maken van de locaties in Mojave. Deze locaties doen op zich al buitenaards aan en waren goedkoop om op te filmen. Vele SF films zouden hierna nog regelmatig gebruik maken van deze plaatsen. Verder combineert Arnold melodrama met zwartwit fotografie uit het film noir genre (veel schaduwen). Hij gebruikte ook regelmatig de “hand-komt-plots-opzij-van-het-scherm” schrikeffect. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat we de buitenaardse wezens nooit te zien kregen, enkel de vervormde “point of view” shots (ook een primeur voor de Amerikaanse SF). Maar Universal wou hun monster in beeld om de film beter te kunnen verkopen. De creatie van de wezens zijn zeker geslaagd en Arnold gebruikte de 3D-techniek zeer effectief in de close ups van de aliens.
In tegenstelling tot The Thing hebben de aliens oorspronkelijk geen kwaadaardige bedoelingen. Ze willen gewoon hun schip herstellen en zo vlug mogelijk vertrekken. Pas wanneer hun overleving bedreigd wordt zullen ze (terecht) geweld gebruikers tegen de domme aardbewoners. Het verhaal van It Came From Outer Space werd hoofdzakelijk geschreven door SF auteur Ray Bradbury. Het prototypische hoofdpersonage in deze prototypische SF film werd vertolkt door Richard Carlson, de wetenschapper die tevens een actieheld kan zijn. Daarvoor waren wetenschappers in speelfilms steeds zonderlingen, asociaal of gewoon krankzinnige doctor Frankenstein types. Carlson zou nog enkele malen terugkeren als acteur in SF films en TV series.
The Creature From the Black Lagoon (1954) was opnieuw een 3D onderneming. Deze SF film van Arnold was nog beter was geweest in kleur. Het monster en de jungle locaties in het Amazonewoud hadden er in kleur geweldig uitgezien. Voor zijn tijd waren vooral onderwater scènes baanbrekend. De meest opmerkelijk scène is de erotisch getinte zwempartij van hoofdactrice Julie Adams, waarin het zeemonster haar zwembewegingen begint te imiteren. Steven Spielberg heeft meermaals verteld dat hij deze film heel wat schuldig is voor zijn eigen monstermeesterwerk Jaws (1975).
Enkele maanden later werd er al een 3D sequel uitgebracht onder de titel Revenge of the Creature (1955). Hierin komt het monster in de beschaafde wereld terecht in een pretpark in Florida. Wanneer men beide films achter elkaar bekijkt is het maar al te duidelijk dat het model voor het plot uit King Kong (1933) komt. Het Beauty & the Beast stramien uit deze oerklassieker blijft werken: een monster krijgt een obsessie met een blondine, wordt uit zijn milieu gehaald, naar de corrupte moderne beschaving gebracht en breekt er de boel af. De derde film werd niet geregisseerd door Jack Arnold maar door John Sherwood met als titel The Creature Walks Among Us (1956). Zoals in de meeste trilogies is de derde film ook de minste. Hij werd ook niet in 3D gefilmd, die trend begon toen al te vervagen. Maar The Creature Walks Among Us is zeker een geslaagde afsluiting van de trilogie, zij het onderontwikkeld.
Om even terug te komen op Revenge of the Creature, wat deze sequel filmhistorisch ook belangrijk maakt is dat het eveneens het filmdebuut is van een zekere Clint Eastwood. Hij heeft één scène als een onhandige laboratorium assistent. In hetzelfde jaar had Eastwood opnieuw één scène in de volgende Jack Arnold klassieker: Tarantula (1955). Maar ditmaal is hij moeilijk te herkennen omdat hij een pilootmasker draagt in de climax waarin hij de reuzenspin bombardeert. Om het voedseltekort uit de wereld te helpen doet een wetenschapper onverantwoorde proefnemingen. Door nucleaire besmetting groeit een spin uit tot gigantische proporties. In de rol van gekke wetenschapper geeft eeuwige bijrolspeler Leo G. Carroll zijn beste vertolking. In Tarantula maakt Arnold opnieuw effectief gebruik van de woestijnlocaties.
In 1957 draaide Jack Arnold zijn meesterwerk en een onverwoestbare klassieker in het SF genre: The Incredible Shrinking Man. De film is gebaseerd op het boek van SF auteur Richard Matheson en de studio was zo slim om hem zelf zijn roman te laten verwerken tot een filmscenario. Tijdens zijn vakantie in zijn boot komt Scott Carey op zee in contact komt met een radioactieve mist. In tegenstelling tot de mieren in Them en de spin in Tarantula die beginnen te groeien door radioactieve besmetting begint Carey te verkleinen. In de eerste helft raakt hij emotioneel en seksueel gefrustreerd door zijn toestand. De tweede helft is spectaculair spannend en wordt een soort van omgekeerde monsterfilm waarin de alledaagse wereld levensgevaarlijk wordt voor Carey. Nadat de huiskat hem wilde verslinden komt hij terecht in zijn eigen kelder dat een surrealistisch jungle wordt van gevaren en ontdekkingen. Waaronder een waterval (een lekkende boiler) en een spin. Het gevecht tegen de spin is een klassieker in de filmgeschiedenis geworden. Het inzoomen op de spinnenmuil tijdens het hoogtepunt van het gevecht zal de arachnafobieërs onder u doen krimpen. Grant Williams is geweldig in de hoofdrol. Zijn onuitputtelijke overlevingsdrang is zeer aandoenlijk. Wanhopig vasthoudend aan zijn menselijkheid, hoe microscopisch hij ook wordt.
Wat The Incredible Shrinking Man uniek en groots maakt zijn de existentiële elementen in het scenario en het ongewoon metafysisch einde. Waarin de held zijn lot aanvaardt, verdwijnt in het niets en ontwaakt in een nieuw universum (of gewoon sterft naargelang uw eigen interpretatie). Zijn laatste woorden zijn zelf poëtisch: "I looked up, as if somehow I would grasp the heavens...the universe...worlds beyond number...God's silver tapestry spread across the night. And in that moment, I knew the answer to the riddle of the infinite. I had thought in terms of Man's own limited dimension. I had presumed upon Nature. That existence begins and ends is Man's conception, not Nature's. And I felt my body dwindling, melting, becoming nothing. My fears melted away, and in their place came...acceptance. All this vast majesty of creation - it had to mean something. And then I meant something too. Yes, smaller than the smallest, I meant something too. To God, there is no zero. I STILL EXIST!"
Het is verbazingwekkend wat Jack Arnold allemaal presteerde met het kleine budget voor The Incredible Shrinking Man. Zijn creatief gebruik van camera effecten, achtergrondprojectie, decors, montage en fotografie is een schoolvoorbeeld voor huidige verwende big budget regisseurs. In 1981 kreeg de film een remake, maar dan als komedie met The Incredible Shrinking Woman met Lily Tomlin in de hoofdrol. Deze versie is af en toe grappig, maar het zal niemand verbazen dat de film nergens het niveau haalt van de Arnold klassieker.
In de jaren ’60 schakelde Jack Arnold over naar TV waar hij afleveringen regisseerde van ondermeer Rawhide (1959-1966) en Gilligan’s Island (1964-1967). Later in de jaren ’70 keerde hij regelmatig terug naar het SF genre door episodes te regisseren van The Bionic Woman (1976-1978), Wonder Woman (1976-1979) en Buck Rogers in the 25th Century (1979-1981). De meeste SF films van Jack Arnold uit de jaren ’50 zijn verkrijgbaar op DVD. Kijk er naar uit want ze zijn zeker de moeite. Deze klassiekers zijn goedkoop gerealiseerd, hebben sterke scenario’s, ze zijn grappig, visionair en intelligent.
In Cult Corner dalen we elke maand af naar de kelders van Hollywood: lang vergeten tv-series, obscure langspeelfilms of bizarre acteurs worden op die manier weer in het voetlicht geplaatst.