CULT CORNER

Frank Tashlin: It'$ Only Money

Paramount
De eerste regisseur die succesvol de overgang maakte van cartoons naar live speelfilms was Frank Tashlin. Hierdoor moet hij gezien worden als de voorloper van regisseurs zoals Tim Burton en Terry Gilliam die eveneens hun origine hadden in het animatiegenre. Frank Tashlin tekende comic strips, schreef kinderverhalen, was bedenker van gags, scenarist, cartoonist (als tekenaar én regisseur) en uiteindelijk regisseur van langspeelfilms. Maar zijn “point of view” bleef steeds animatie.

Frank Tashlin regisseerde zijn live speelfilms als Looney Tunes cartoons. Het extreme kleurenpalet, het komisch geweld waar nooit iemand iets aan overhield, onweerstaanbare slapstick en satires op eigentijdse trends. Tashlin begon als een cartoonist bij een krant onder de naam Tish Tash. In 1936 werd hij regisseur bij Warner Bros cartoons en definieerde mee de dolle tekenfilmstijl en personages die kenmerkend zou worden voor de grootste sterren bij Looney Tunes: Daffy Duck, Porky Pig, Elmer Fudd en later ook Bugs Bunny. Zijn grootste filmsuccessen kende hij door zijn samenwerking met Jerry Lewis. Hij regisseerde acht speelfilms met Jerry Lewis in de hoofdrol en was een voorbeeld voor Lewis die in het begin van de jaren ’60 zijn eigen films begon te regisseren. Maar niemand regisseerde een Jerry Lewis komedie beter dan Frank Tashlin. Zelfs Jerry Lewis himself kon het niet beter.

Wanneer Jerry Lewis zichzelf regisseerde was het duidelijk dat regisseur Lewis een grote fan was van acteur Jerry. Het scenario met een dun verhaaltje diende eigenlijk om komische sketches aan elkaar te breien. Meestal waren ze briljant en hilarisch, maar er zaten er altijd een paar mislukte of gedateerde grappen tussen. Lewis had ook altijd de neiging om zijn sketches te mengen met ongemakkelijk sentimentele scènes, een kenmerk dat hij gemeen had met zijn idool Charles Chaplin. Regisseur Tashlin daarentegen legde niet al het accent op Lewis en gaf genoeg ruimte aan het verhaal en zijn tegenspelers. De enige uitzondering is The Nutty Professor (1963), een film die door de kenners terecht beschouwd wordt als het meesterwerk van Jerry Lewis op gebied van acteur en regisseur. Het is ook zijn meest narcistische film. The Nutty Professor was meer dan alleen maar de som van zijn delen en de invloed van Frank Tashlin was duidelijk merkbaar.

De eerste keer dat Frank Tashlin en Jerry Lewis samenwerkten was met de film Artists and Models (1955), één van de laatste films van hun toen enorm populaire komisch duo Dean Martin en Jerry Lewis. De filmcarrière van Martin & Lewis bestond uit 16 speelfilms op nauwelijks zeven jaren tijd. Ze begonnen als een komische act op te treden in nachtclubs tot ze werden ontdekt door de Hollywood producent Hal B. Wallis. Die gaf hen een filmcontract die zorgde dat er elk jaar met de zomer- en kerstvakantie een Martin/Lewis film in de zalen draaide. In hun eerste twee speelfilms vertolkten ze nog bijrollen: My Friend Irma (1949) en My Friend Irma Goes West (1950). Hun eerste echte speelfilm als duo was At War With The Army (1950). Hun volgende films in chronologische volgorde zijn: That’s My Boy (1951), Sailor Beware (1951), Jumping Jacks (1952), The Stooge (1953), Scared Stiff (1953), The Caddy (1953), Money From Home (1953), Living It Up (1954), Three Ring Circus (1954), You’re Never Too Young (1955), Artist and Models (1955), Pardners (1956) en Hollywood or Bust (1956). Daartussen deden Martin & Lewis ook nog eens optreden in nachtclubs, op tv en radio.

Frank Tashlin kwam er pas bij als regisseur bij hun 14e en 16e film: Artist and Models (1955) en hun zwanenzang Hollywood or Bust (1956). Het werden de beste films van het duo ondanks het feit dat het toen al lang niet meer boterde tussen Dean Martin en Jerry Lewis. Het intensief leef- en werkniveau van de afgelopen jaren begon zwaar door te wegen op hun relatie en bij de opnames van hun laatste films praatten ze nog enkel tegen elkaar op de filmset. Het is een algemeen gekend feit dat Jerry Lewis ook niet de gemakkelijkste persoon is om mee samen te werken. Beiden zaten te springen om een solocarrière te starten wat hun zeer goed lukte, in tegenstelling tot veel andere komische duo’s die uit elkaar gingen. Frank Tashlin zou een grote rol spelen in de solocarrière van Lewis. Maar ook tussen Lewis en Frank Tashlin kwam het ook wel eens tot een botsing. Tijdens de opnames van Hollywood or Bust gedroeg Lewis zich zo onaangenaam dat Tashlin hem van de filmset verbande en enkel toegelaten werd als hij nodig was in de scène. Gelukkig voor ons konden beiden heren hun geschillen opzij schuiven en zouden zenog zesmaal samenwerken met: Rock-a-Bye Baby (1958), The Geisha Boy (1958), Cinderfella (1960), It’$ Only Money (1962), Who’s Minding the Store (1963) en The Disorderly Orderly (1964).

Artist and Models is een geweldige satire op stripverhalen en spionagefilms. Volgens klein denkende sociologen in de jaren ’50 waren één van de oorzaken van jeugdcriminaliteit te wijten aan de negatieve invloed van strips (vandaag is de voorlopige zondebok computer games). Lewis vertolkt een aan strips verslaafde debiel die 's nachts luidop droomt waarvan Martin notities neemt en zijn eigen succesvolle strips schrijft. Omdat Lewis in zijn dromen een raketformule opsomt krijgen de strips de aandacht van Russische spionnen. Ook het televisiemedium krijgt een paar satirische steken. Artist and Models blijft vandaag de grote favoriet van de Martin & Lewis film. De muzikale intermezzo’s van Dean Martin zijn van een beter niveau dan gebruikelijk en zijn scènes met femme fatale uit die periode Dorothy Malone zijn uitstekend, terwijl Lewis een eigen waardige tegenspeelster krijgt met een piepjonge Shirley McClaine. De laatste Martin & Lewis film Hollywood or Bust haalt net niet het niveau van Artist & Models maar kan zeker gerekend worden tot het beste werk van het duo.

Televisie en bioscoopfilms waren in de jaren ’50 gescheiden mediums. Er heerste een grote minachting vanuit de cinema voor televisie en het werd beschouwd als een inferieur medium. De tijden zijn zeker veranderd. Zijn satire op TV en andere jaren ’50 trends zouden tot zijn beste films leiden, zonder Lewis maar met seksbom Jayne Mansfield in de hoofdrollen: The Girl Can’t Help It (1956) en Will Success Spoil Rock Hunter? (1957). Net als de Martin & Lewis komedies zijn deze twee speelfilms live versies van een Looney Tunes cartoon. Beide films zijn geweldige tijdsdocumenten geworden over het Amerika van de jaren ’50. Jayne Mansfield die beschouwd werd als een tweederangs Marilyn Monroe creëerde dankzij Tashlin haar eigen iconisch imago.

“There’s nothing funnier than big breast,” zei Tashlin ooit waardoor Mansfield met haar enorme boezem perfect paste in zijn unieke filmfantasie. Tashlin kreeg af en toe wel problemen met de censuur door zijn seksueel getinte grappen. Het beste voorbeeld hiervan is de scène in The Girl Can’t Help It waarin Mansfield twee flessen melk aan haar borsten houdt. Of wanneer ze aan tegenspeler Tom Ewell vraagt of ze wel geschikt is voor moederschap terwijl ze voorover buigt en de camera ons een blikt gunt in haar diepe decolleté. Vandaag komen deze grappen onschuldig en mak over. The Girl Can’t Help It heeft ook veel gastoptredens van de eerste rock ‘n roll artiesten zoals Fats Domino, Little Richard (vertolkt ook de titelsong) en The Platters. In Will Success Spoil Rock Hunter? wordt vooral televisie reclame op een hak genomen.

The Nutty Professor mag dan nog beschouwd worden als het levenswerk van Jerry Lewis, het is zeker niet zijn grappigste. Onze favoriete Frank Tashlin/Jerry Lewis film is It’$ Only Money uit 1962, een zwart/wit parodie op de film noir- en het private eye genre. Lewis was nooit grappiger dan in de hoofdrol van naïeve tv-technicus die te weten komt dat hij de verloren zoon is van een magnaat. Om de erfenis voor zichzelf te houden zal de ontrouwbare verloofde van zijn tante hem proberen uit de weg te ruimen. In It’$ Only Money geeft Jerry Lewis zijn beste en meest ongedwongen komische vertolking. Deze komedie is verrassend donkerder en wreder dan andere Lewis komedies en er is nergens een spatje sentiment te bespeuren. Lewis heeft ook betere tegenspelers dan gebruikelijk. Vooral Jack Weston is geweldig als de kinderlijke moordenaar die steeds gefrustreerder raakt door zijn mislukte moordpogingen op Jerry. Verder in de cast is er Zachary Scott, een acteur die in de jaren ’40 een gekend gezicht was geworden in thrillers met het vertolken van dubieuze personages. Als de slijmerige verloofde in It’$ Only Money doet hij een geweldige zelfparodie. Verder legde Tashlin opnieuw linken naar zijn cartoon achtergrond met zijn typische visuele humor en in het casten van Mae Questel als de tante van Jerry. De actrice Questel was de stem van cartoon figuren Betty Boop en Olive Oyl.

De laatste Lewis/Tashlin samenwerking was een hoogvlieger voor beiden: The Disorderly Orderly (1964). Opnieuw een perfecte mix van slapstick, cartoon humor en sentiment. De film eindigt met één van de beste slapstick achtervolgingen uit de filmgeschiedenis. Daarna gingen Lewis en Tashlin hun eigen weg. Het niveau van hun beste speelfilms zouden geen van beiden niet meer halen.

In de tweede helft van de jaren zestig begon de smaak van het bioscooppubliek te veranderen en kwamen er op gebied van acteur/regisseur nieuwe komische talenten op de voorgrond zoals Mel Brooks en Woody Allen. Toen de populariteit van Jerry Lewis zakte raakte de reputatie van Tashlin steeds meer in de vergetelheid. Vandaag is een Jerry Lewis komedie een aparte smaak geworden en valt zo onder de cultstatus. Filmhistorici erkennen de bijdrage van Tashlin niet aan het genre waardoor hij niet zo een grote naam is geworden zoals Billy Wilder en Blake Edwards.

Niet dat we hier afbreuk willen doen aan de bijdrage van Jerry Lewis. Hij was zeker een vernieuwer op technisch gebied. Toen hij zijn regiedebuut maakte met The Bellboy in 1960 was hij de eerste filmregisseur die een monitor gebruikte op de set (toen genoemd “video-assist”), waarmee hij onmiddellijk kon controleren wat er opgenomen was. Sindsdien is dit een onmisbaar element geworden bij het draaien van speelfilms en tv-series.

Na The Disorderly Orderly regisseerde Tashlin nog enkele komedies met filmsterren in de hoofdrollen die hun beste tijd al voorbij waren: zoals The Private Navy of Sgt. O’Farrell (1968) met Bob Hope en de twee Doris Day komedies The Glass Bottom Boat (1966) en Caprice (1967). Doris Day vertolkte in deze films nog steeds het onschuldige “girl-next-door”-type terwijl ze de veertig gepasseerd was. Over Caprice kunnen we niet veel goeds zeggen, maar The Glass Bottom Boat is opnieuw een geweldige parodie op het spionage genre en kunnen we beschouwen als het laatste hoogtepunt van Tashlin.

Frank Tashlin stierf in 1972. Hij was er nog geen zestig en was zo goed als vergeten. Enkel door de Nouvelle Vague beweging in Frankrijk werd hij erkend als een belangrijk filmauteur. Hij verdient zeker een revaluatie. Op import DVD zijn enkele titels van hem verkrijgbaar, maar van de Jerry Lewis-films enkel Cinderfella (1960). Een handvol komedies uit het begin van de jaren ’60 die Jerry Lewis zelf regisseerde zijn op DVD uitgebracht met commentaar van Lewis. Door vergevorderde leeftijd (hij is er 80) en gezondheidsproblemen is Lewis niet meer zo spraakzaam als destijds. Over zijn samenwerking met Frank Tashlin vertelt hij maar weinig. Jammer. Voor sommige filmlegenden komt het DVD-medium enkele jaren te laat. Er is een periode geweest dat Jerry Lewis urenlang over zichzelf kon praten.