ALL THE INVISIBLE CHILDREN

Here’s lookin’ at you, kid

Cinemien
Soms, heel zelden, zijn wij gevoelloze cynici. Het overkwam ons eerder bij een emotioneel geladen toneelstuk waar de hele zaal na afloop vol lof over doortaterde terwijl wij in een hoekje onze gal spuwden. Toen wij in oktober vorig jaar zagen hoe de vertoning van deze met UNICEF verbonden All the Invisible Children ingeleid werd door een om gehoor smekende (en naar een betere platenverkoop hengelende) Adamo (hij is ambassadeur van de organisatie) voelden we onze maag samen krampen (al had het feit dat we door zijn ten beste gebrachte liedje onze laatste bus huiswaarts zouden missen daar ongetwijfeld ook wel iets mee te maken had). Het punt is dat een film die soms met de beste bedoelingen gemaakt wordt, niet altijd de hoge verwachtingen inlost. En dat is bij All the Invisible Children zeker zo.
 
In de tweede film met “Children” in de titel die deze week in onze zalen gedropt wordt staan zeven kinderen in zeven kortfilms centraal. De prent – een zogenaamde “anthology” film - is vooral opgevat als een aanklacht tegen het nodeloze geweld, armoede en onrecht waar veel kinderen over de hele wereld mee geconfronteerd worden. Dat is op zich een lovenswaardige reden en veel regisseurs waren dan ook enthousiast om hun steentje bij te dragen. En hoewel sommigen onder hen er toch in slagen om, met een tijdsduur van ongeveer zestien minuten per kortfilm, een beklijvend portret af te leveren blijven de meeste in een zwak en doorzichtig verhaaltje steken dat ze, tussen twee langspeelfilms door, schijnbaar haastig op een bierkaartje in hun lokale kroeg gekrabbeld hebben.
 
Tanza, van Mehdi Charef, zet al meteen de grimmige toon. Een Afrikaans jongetje wordt omgeschoold tot een soldaat en krijgt instructies om een gebouw op te blazen. Charef maakt een goed punt door te benadrukken dat het belangrijk is om een kind zijn eigenheid (en jeugd) te laten behouden maar mist, in deze overigens fraai in beeld gebrachte opener, subtiliteit en daardoor gaat Tanza een beetje de mist in als een zelfophemelend fait-divers, terwijl een brutale uppercut een beter effect had bereikt om onze Westerse zieltjes te sensibiliseren.
 
Veel beter, althans aanvankelijk, is Emir Kusturica’s Blue Gypsy, waarin de belevenissen van een uit een jeugdinstelling ontslagen telg uit een roversfamilie centraal staat. Dit vreemde, absurd-komische filmpje bracht meteen een glimlach op ons gelaat met een openingsscène waarin een net niet op hol geslagen, uitgelaten huwelijksstoet genadeloos op een rouwende dodenmars afdendert. De onvermijdelijke botsing wenkt naar het conflict binnen het jongetje dat een toekomst als kapper ambieert maar door zijn vader steeds opnieuw in de misdaad gedreven wordt. Onvergetelijk, grappig (en ook wel enigszins onrustwekkend) is de scène waarin de familie nietsvermoedende slachtoffers met muziek overrompelt terwijl een van de kinderen, met zijn hand onophoudelijk op zijn kruis, hiphop-achtige danspassen uitvoert.
 
Het hoogtepunt van de productie komt in de vorm van Spike Lee’s keiharde Jesus Children of America. Daarin moet een jong meisje zien te overleven tussen pestkoppen op school en haar aan harddrugs verslaafde ouders (zeer knap vertolkt door “terug van weggeweest” Rosie Perez en Andre Royo). Lee verenigt zijn typische stijlkenmerken en inhoudelijke aanklachten probleemloos in de korte tijdspanne en levert het enige echt beklijvende werk uit de reeks af.
 
Joao and Bilu van Kátia Lund, over twee Braziliaanse kinderen die elke dag vuilnis gaan ophalen om toch maar een beetje geld te kunnen verdienen, is aardig maar blijft oppervlakkig en Jonathan (van Ridley Scott en zijn dochter Jordan Scott), met David Thewlis als een getormenteerde oorlogsfotograaf die zijn jeugd herbeleeft en Kelly Macdonald als zijn vrouw blijft een beetje in hetzelfde vaarwater trappelen.
 
Stefano Veneruso’s Italiaanse Ciro is eenvoudig maar werkt wel en verhaalt over een jong boefje dat zijn buit in een afgeleefd pretpark gaat verkopen; om ritjes te maken op een draaimolen. Het is een van de weinige films die het belang van een onbezonnen en speelse jeugd, waarin de wereld van de “grote mensen” niet thuishoort, belicht. Veneruso slaagt erin te ontroeren en bouwt meteen een stevige spanning op (die achtervolging door een hond!).
 
Eindigen doet All the Invisible Children met Song Song and Little Cat; een onvervalste tranentrekker van niemand minder dan John Woo, die zijn neerwaartse spiraal en verlieslatende geloofwaardigheid hiermee verder zet. Zijn film lijkt eindeloos lang te duren, handelt over twee kleine meisjes in China (het ene meisje arm maar gelukkig, het andere rijk maar droevig) wiens paden vluchtig zullen kruisen. Als het arme meisje haar voogd, een oude man, verliest en ze in opdracht van een wrede bendeleider op straat bloemen moet gaan verkopen zet Woo alle melodramatische, melige registers open en wringt hiermee elk vleugje oprechte ontroering uit de prent.
 
Het is een zwaar teleurstellend einde van een middelmatige productie die meer miss dan hit is. Toch smeekt Spike Lee’s Jesus Children of America om gezien te worden en raden we voorzichtig een uitstap naar de bioscoop aan. Met uw kaartje steunt u hoe dan ook een goede zaak, maar zeg niet dat we u niet gewaarschuwd hebben.     
  

Titel: All the Invisible Children
Genre: drama
Speelduur: 1u56
Regisseur: Mehdi Charef, Emir Kusturica, Spike Lee, Ridley Scott, Jordan Scott, Kátia Lund, Stefano Veneruso, John Woo
Acteurs: David Thewlis, Rosie Perez, Andre Royo, Kelly Macdonald, Francisco Anawake, Vera Fernandez, Wenli Jiang, Jake Ritzema, Hannah Hodson