FESTIVAL VAN DE FANTASTISCHE FILM

Films tussen nachtmerries en droomlandschappen

The Weinstein Company / BIFFF
De feesteditie van het Internationaal Festival van de Fantastische Film heeft de deuren gesloten. In Tour & Taxis en Cinema Novo spetterde de fantastiek in al zijn vormen van, voor en op het scherm. Moviegids hield de vinger aan de al dan niet kloppende pols en bracht vrijwel dagelijks verslag uit van de films die er draaiden. Ons overzicht is nu volledig. Van erg slecht, tot schitterend, maar steeds met veel plezier bekeken. 

MASTERS OF HORROR: LEGENDEN OP HET WITTE DOEK | TIEN HOOGTEPUNTEN UIT HET PROGRAMMA | SUNSHINE: WE ALL SHINE ON | GASTEN OP HET FESTIVAL | GRINDHOUSE DOUBLE BILL | ALLE RECENSIES

Black Sheep (***) Na de enthousiaste vertoning van Poultrygeist: Night Of The Chicken Dead kreeg het BIFFF-publiek nog een echte partyflick voorgeschoteld met Black Sheep. Waar het onafhankelijke Troma met zijn Poultrygeist zich heeft laten gelden op het ‘so bad it’s good’-departement, schakelt de debuterende regisseur/schrijver Jonathan King alle grote middelen in om zijn origineel - doch behoorlijk onnozel - verhaal op het grote zilveren scherm te brengen. De regisseur trommelde voornamelijk een cast bij elkaar die bestaat uit nobele onbekenden en Nieuw-Zeelandse televisiesterretjes, maar ieder doet zijn ding meer dan behoorlijk. De film blinkt zoals verwacht vooral uit op het technische gebied. Het geheel barst van de sfeer en de knappe shots van de moordende schapen. Het ongerepte Nieuw-Zeelandse landschap brengt bovendien een soort van episch gehalte met zich mee. Ook de rest van deze horrorprent wordt vloeiend in beeld gebracht door de talentvolle Richard Bluck - die niet verwonderlijk ook meewerkte aan de drie Lord Of The Rings-films. Black Sheep bevat gelukkig nergens een spoor van computereffecten, en vergezeld van een schreeuwtje van opluchting konden we ontdekken dat de tovenaars van het beroemde WETA gretig teruggrepen naar de vertrouwde poppen, latex en nepbloed. De make-up ziet er over de hele lijn fantastisch uit en weet overal te overtuigen. Jonathan King is voor zijn debuut duidelijk geïnspireerd door Peter Jacksons eerste werk (zoals Bad Taste en uiteraard het briljante Braindead) en probeert eveneens een midden te vinden tussen sappige toestanden en snedige humor. Hoewel dit niet over de hele lijn gelukt is, kunnen we zijn poging toch prima smaken. En zo dacht de Internationale jury, voorgezeten door de legendarische horrorproducent/regisseur Brian Yuzna, er blijkbaar ook over. Black Sheep werd namelijk bekroond met de Zilveren Raaf voor - en we quoten - ‘its splaterrific fun’. (SDR)

Nightmare Detective (***) Voor de kenners van het meer obscure horror- en cultwerk klinkt de naam Shinya Tsukamoto niet onbekend in de oren. De excentrieke Japanner draait al sinds medio jaren ’80 opvallende films die ook in Europa steevast op een schare fans kunnen rekenen. Zeker sinds het succes van zijn klassieker Tetsuo - The Iron Man is hij niet meer weg te denken uit het moderne filmlandschap. Ook als acteur is Tsukamoto regelmatig te zien. Misschien heeft u hem al opgemerkt als de spierbundel in Takashi Miike’s schokfestijn Ichi The Killer, of als de vreemde eenzaat in Marebito van Takashi Shimizu. En natuurlijk staat Tsukamoto ook met Nightmare Detective weer in de schijnwerpers op het BIFFF, al was het maar omdat hij dit keer iets doet wat we niet van hem verwachten. In essentie is Nightmare Detective namelijk een tamelijk rechtlijnige horrorthriller die nauwelijks afwijkt van de blauwdruk van de gemiddelde Japanse genrefilm. Toch kiest Tsukamoto niet voor de makkelijkste weg. In tegendeel zelfs. Wat begint als een wat voorspelbare variant op Nightmare on Elm Street (seriemoordenaar dringt de dromen van zijn slachtoffers binnen), eindigt in een haast surrealistische ontmoeting tussen moordenaar (Tsukamoto zelf) en slachtoffer, overladen met loodzware symboliek en desoriënterend camerawerk. Het is misschien geen film om vrolijk van te worden, en de beslommeringen over leven, dood en (het in Japan altijd actuele debat rond) zelfmoord, wegen wat zwaar op het gemoed, maar uiteindelijk is Nightmare Detective wel een film die aanmoedigt om het oeuvre van Tsukamoto verder te ontdekken. Maar zeg niet dat we u niet gewaarschuwd hebben... (JW)

Hot Fuzz (***+) Vreemd toch dat net een niet-horrorfilm een van de absolute hoogtepunten van het 25ste BIFFF is gebleken. Toch misstaat Hot Fuzz niet op de affiche, want enkel op basis van de namen op de poster verdient deze uitzinnige actiekomedie een plaatsje tussen het hardere horrorwerk. Makers van Hot Fuzz zijn immers Edgar Wright en Simon Pegg, bij de nerds bekend door hun cultserie Spaced en bij de horrorfans een begrip door hun fantastische zombiekomedie Shaun of the Dead. En met Hot Fuzz bewijst het tweetal dat ze ook flink wat afweten van de bombastische Amerikaanse actiefilm. In ware Bruckheimer-stijl vertellen Pegg en Wright het verhaal van de Londense superflik Nicolas Angel (Pegg), die zo goed is dat hij zijn collega’s volledig overschaduwt. En om te voorkomen dat de Londense politie voor gek staat, wordt Angel zonder meer overgeplaatst naar het slaperige modelstadje Sanford. Volgens de statistieken is Sanford het veiligste dorpje van Engeland, en de voornaamste taken van Angel bestaan voortaan uit het opsporen van de ontsnapte zwanen en het verjagen van hangjeugd van het marktplein. Ook zijn collega’s zijn niet van de snuggersten, en Angel moet optrekken met Danny Butterman, de wat sullige zoon van de inspecteur. Maar ondanks zijn overduidelijke degradatie lijkt Nicolas zich wel op zijn gemak te voelen. Na een aantal opmerkelijke (en bijzonder bloederige) “ongevallen” in het dorp begint Nicolas echter te vermoeden dat Sanford toch niet zo vredig is als het lijkt. Hij opent een onderzoek, en vanaf dat moment trekt regisseur Wright ook alle registers open. Hot Fuzz krijgt echte CSI-allures, alle clichés van de actiefilm worden op z’n kop gezet, en de Sanfordse politiemacht komt in vuurgevechten terecht waar zelfs Michael Mann nog iets van kan leren. Inderdaad, Hot Fuzz is naast een briljante komedie met vlijmscherpe dialogen ook nog eens een blitse actiefilm. Bovendien doen Wright en Pegg extra moeite om ook nog een leuk verhaal te vertellen. Dat doen ze uitstekend, ook al is Hot Fuzz (net als veel van zijn voorbeelden trouwens) net een tikkie te lang. Maar ook met de haken en ogen is Hot Fuzz een wonderlijk absurd hommage aan een genre dat zichzelf eigenlijk iets té serieus neemt. (JW)

Poultrygeist: Night Of The Chicken Dead (***) Met een heerlijke titel als Poultrygeist: Night Of The Chicken Dead zit je gewoon goed op het Brussels International Festival of the Fantastic Film en ja hoor, het nieuwste gedrocht – in de meest positieve zin van het woord! – van Troma-opperhoofd Lloyd Kaufman voldoet aan al de verwachtingen van de liefhebbers. Het dunne verhaaltje lijkt op het eerste gezicht uitsluitend te dienen om de meest gore en over-the-top situaties op de kijker los te laten. Natuurlijk is het dat ook, maar toch slaagt regisseur Lloyd Kaufman er in om tussen alle ontploffende hoofden, foute musicalnummers en blote borsten een niet al te subtiele kritiek te leveren aan het adres van de Amerikaanse fast-foodindustrie en onophoudelijke franchisevorming. Alsof dat nog niet genoeg is laat Kaufman en zijn typisch enthousiaste amateur-cast geen spaander heel van eender welke minderheidsgroep die je ook maar kan bedenken. Dus niet alleen de makkelijkste en meest gebruikte doelwitten als onze roze medemensen moeten eraan geloven, maar ook gehandicapten, andere huidskleuren en uiteraard andere godsdiensten zijn er volledig aan voor de moeite. Het publiek van het 25ste Brussels International Festival of the Fantastic Film kreeg exclusief een wereldpremière voorgeschoteld in de vorm van een exclusieve werkprint van deze Troma-film en het zou ons overigens helemaal niet verbazen als de uiteindelijke bioscoopversie van Poultrygeist er héél wat braver zou gaan uitzien. Met dit nieuwtje kon de dolle pret niet meer op en de hilarische zombiekiekens van Kaufman werden op zo'n spetterend applaus onthaald, dat de Tour & Taxis op zijn grondvesten daverde. Classic BIFFF-stuff! (SDR)

Unknown (*+) Net als het desastreuze In The Name of the King bewijst ook de thriller Unknown dat de aanwezigheid van een schare topacteurs niet altijd garant staat voor een interessante film. Het massaal opgekomen publiek in de T&T had daar blijkbaar niet op gerekend. Na de rommelige intro en de oninteressante uitwerking van het eerste halfuur wordt helaas bitter duidelijk waarom Unknown in Amerika rechtstreeks in de rekken van de videotheek belandde. Regisseur Simon Brand slaagt er namelijk niet in het chaotische scenario van Matthew Waynee op een visueel overzichtelijke manier te structureren. Liever pakt hij uit met flitsende montage en irritante drukdoenerij in plaats van even de tijd te nemen het verhaal te laten rijpen. Maar zelfs al had hij dat wel gedaan, is het nog maar de vraag of Unknown er beter van was geworden. Het uitgangspunt mag dan wel boeiend zijn (vijf mannen in een hangar, geheugenverlies, wie-is-wie?), maar de bedenkelijke plotwendingen en een aantal onverklaarbare misplaatste sentimentele uitbarstingen van verschillende personages jagen de film al snel de dieperik in. Eigenlijk loopt het al mis bij de hoofdrol van Jim Caviezel, normaal gezien een betrouwbare acteur, maar in deze film even op autopiloot. Ook de immer fantastische Greg Kinnear weet zich niet veel raad met zijn rol. De rest van de cast, waaronder Jeremy Sisto, Bridget Moynahan en Peter Stormare, wordt resoluut naar de zijlijn verbannen. En dat is eigenlijk jammer, want Unknown barst van het potentieel. (JW)
 
Broken (***) Broken ging een jaar geleden al in première op het Dead by Dawn Horror Film Festival in Engeland en toerde sindsdien met groot succes langs allerlei horrorfestivals. De lowbudget prent van nog geen 9000 euro van regisseurs Simon Boyes en Adam Mason speelt zich bijna volledig af op één locatie en met drie acteurs, maar verveelt nooit. Het verhaal zou gebaseerd zijn op echte feiten en draait rond de alleenstaande moeder Hope die aan het begin van de film wakker wordt in een wel erg penibele situatie. Vastgebonden aan een boom en met in haar maag een scheermesje. Wat zich in eerste instantie aankondigt als de zoveelste variant op Saw, ontpopt zich tot een gruwelijk realistische vertelling waarin een woudloper met brede hoed en lange regenjas de vrouw als gevangene bij zich houdt. De vrouw, met de weinig subtiele naam Hope, heeft maar een doel: overleven en uitzoeken wat er gebeurd is met haar zesjarig dochtertje Jennifer. Broken is door zijn Blair Witch-achtig realisme uitermate effectief en efficiënt. Enkele scènes zijn nauwelijks te bekijken. De knappe hoofdrolspeelster Nadja Brand mag tegen het einde van de film de vreselijke brandblusserscène uit Irreversible nog eens overdoen. De film eindigt met een onverwacht harde mokerslag en laat de toeschouwer verweesd achter. Hard, wreed, maar fascinerend. (HDW)

In The Name Of The King: A Dungeon Siege Tale (*+) Na desastreuze aanvallen op het netvlies van House Of The Dead, Alone In the Dark en Bloodrayne is “The Master of Error”, beter bekend als Uwe Boll, back in full force. In The Name Of The King: A Dungeon Siege Tale is wederom een videogameverfilming (dit keer van het PC-spel Dungeon Siege). Het kostte naar verluidt bijna 60 miljoen dollar om te maken. De beruchte regisseur heeft voor dit Lord Of The Rings-aftreksel overigens een behoorlijk indrukwekkende cast bij elkaar gekregen. Wat dacht u van: Jason Statham, Ray Liotta, Burt Reynolds, John-Rhys Davies, Ron Perlman, Leelee Sobieski, Claire Forlani, Matthew Lillard, Kristanna Loken en Brian J. White? Buiten deze waslijst is het overigens ook aan de speciale effecten en locaties te zien dat er redelijk wat geld voorradig was. Maar at the end of the day wil dat met “Herr Broll” aan het roer uiteraard niets zeggen.Ondanks zijn doktersdiploma slaagt de Duitse cineast er namelijk nog steeds niet in om een verhaal boeiend, logisch én vooral vlot te vertellen. Sommige scènes springen van de hak op de tak en Boll pakt keer op keer uit met dezelfde afgeleefde trucjes. Met uitzondering van enkele korte scènes waarin de personages worden voorgesteld, start de prent bijna onmiddellijk met actie en tussendoor probeert Boll de kijker dan toch nog te laten investeren in zijn filmkarakters. En dan hebben we het nog niet gehad over enkele onbedoeld hilarische dialogen uit de film. Dat acteurs die met afgestreken gezicht konden overbrengen is een pluim op de hoed van de cast. De actiescènes komen – hoewel gechoreografeerd door Siu-Tung Ching, bekend van onder meer House Of Flying Daggers – nogal rommelig over. Het beste aan de hele ervaring is de exclusieve teaser van Postal, Bolls volgende film waar hij nog verdere investering voor zoekt. Iemand kandidaat? (SDR)

The Messengers (*+) Vroeg of laat lijkt iedereen ten prooi te vallen aan de lokroep van Hollywood. Zelfs de onmetelijk getalenteerde tweeling Danny en Oxide Pang (ook wel bekend onder hun spetterende pseudoniem The Pang Brothers) wilde wel eens ontdekken hoe het is om in Amerikaland met grote budgetten te mogen spelen. En dat terwijl ze het in Azië niet bepaald moeilijk hadden om aan de bak te komen, zij het als scenaristen, cameramannen of monteurs van andermans klassiekers (zoals de Infernal Affairs-trilogie). Maar tot op heden verdiende het tweetal voornamelijk zijn strepen met het inblikken van originele, verrassende genrefilms. Tot hun meest bekende films behoren ongetwijfeld The Eye en hun visitekaartje Bangkok Dangerous. Maar ook hun minder bekende projecten (waaronder twee vervolgen op The Eye en het verbluffende Ab-Normal Beauty) kunnen steevast op bijval rekenen van de fans. Het is dan ook jammer dat net hun grote Hollywooddebuut een beetje flets uitvalt. The Messengers heeft weliswaar een aantal sterke momenten (in het bijzonder een bloedstollende ontmoeting tussen hoofdrolspeelster Kristin Johnson, haar kleine broertje en een spook in de gang van hun afgeleefde boerderij), maar over de hele lijn is The Messengers iets té veel op de Hollywoodleest geschroeid om echt op te vallen. Ook de typische Pang-stijl (gekenmerkt door staccato montage en pompende muziek) is grotendeels afwezig. Ongetwijfeld moesten de broertjes voor hun eerste Amerikaanse uitstapje keurig binnen de lijntjes kleuren. Helaas valt The Messengers net daardoor niet langer op tussen de lading horrorfilms die de afgelopen jaren in de bioscopen te zien was. Gelukkig is het BIFFF vergevingsgezind en mochten de broertjes een paar dagen later nog eens hun kunsten demonstreren met hun (in Azië gedraaide, en aanzienlijk betere) Re-Cycle. (JW)
 
The Invisible (**) Nick Powell is een aantrekkelijke, intelligente jongeman, maar het lot dat hem te wachten staat, is allerminst benijdenswaardig. Vlak voordat hij in het geniep naar Londen wil vertrekken om tegen de zin van zijn moeder een literatuurcursus te volgen, wordt hij na een uit de hand gelopen ruzie in elkaar geslagen door de ontspoorde tienermeid Annie. Erger nog: Annie geeft hem zo’n pak rammel dat hij verkeerd terechtkomt en zijn nek breekt. Annie vindt er niets beters op dan het lijk te verstoppen en haar gruwelijke misser zo snel mogelijk te vergeten. Maar dat is buiten Nick gerekend, die op geheimzinnige wijze weer tot leven komt. Alleen is hij de enige die zichzelf kan zien, voor de rest van de wereld is hij plots onzichtbaar. Maar dat weerhoudt hem er niet van op zoek te gaan naar de reden voor zijn plotse herrijzenis. Voor dit boeiende gegeven ging regisseur David S. Goyer de mosterd halen bij de Zweedse thriller Den Onsynlige (wat, uiteraard, De Onzichtbare betekent). Maar helaas wordt zijn remake geplaagd door dezelfde problemen als het origineel. Wat begint als een boeiende en spannende thriller verandert halverwege in een melig tienerdrama dat wel lijkt op een verstandshuwelijk tussen Ghost en The Sixth Sense. Regisseur Goyer (bekend als scenarist van onder meer de Blade-films en Batman Begins) pakt weliswaar uit met een aantal indrukwekkende shots, maar smeert de emoties zo breed uit (onder meer door middel van een aantal drammerige popsongs), dat je er uiteindelijk een beetje lacherig van wordt. Zelfs de uitstekende acteerprestaties van Margarita Levieva als Annie en Justin Chadwick als Nick kunnen niet verhinderen dat The Invisible verdrinkt in zijn eigen tranendal. (JW)
  
Jadesutori (Jade Warrior) (*) Het is het proberen waard, moet de Finse regisseur Antti-Jussi Annila gedacht hebben toen hij op zoek ging naar geldschieters voor zijn grootse wuxia-spektakel. Maar in plaats van een traditionele genrefilm a la Crouching Tiger, Hidden Dragon wilde Annila iets heel nieuws proberen. Jade Warrior zou namelijk elementen uit zowel Chinese als Finse mythologie met elkaar vermengen tot “een groots epos over de onsterfelijke liefde en de eeuwige strijd tussen goed en kwaad”. Blijkbaar kon hij deze premisse goed verkopen, want uiteindelijk schraapte hij dankzij de hulp van een aantal internationale geldschieters (waaronder Zwartboek-producer San Fu Maltha) een niet onaardig budget van 2.7 miljoen euro bij elkaar. Alleen jammer dat dit budget uiteindelijk werd verkwanseld aan een van de meest onoverzichtelijke filmrommeltjes die wij ooit hebben gezien. Jade Warrior is weliswaar een lust voor het oog, maar het verhaal is met geen mogelijkheid te volgen. En dan drukken we ons nog zacht uit. Zelfs het publiek in de zaal begon zich na een halfuurtje hardop af te vragen wat er nu eigenlijk aan het gebeuren was. “Iets met reïncarnatie”, werd er geopperd. “En daar is Agent Smith uit The Matrix”. “En is die Chinees nu die Fin?” “Of is het soms een trilogie waarvan we de eerste twee delen hebben gemist?” Afijn, om maar te zeggen dat we niet de enigen waren die er geen touw aan vast konden knopen. In dat opzicht heeft Jade Warrior trouwens veel weg van gelijkaardige ondingen als de Russische blockbuster Nightwatch of het Japanse hyperspektakel Casshern: veel cameratrucs en gegoochel met speciale effecten, maar een verhaal dat je tussen het gestunt door met geen mogelijkheid kunt ontwarren. En waarbij je je uiteindelijk alleen maar begint te vervelen. Toch had zelfs Jade Warrior nog één pluspuntje: de bij ons onbekende Finse schoonheid Krista Kosonen. Haar acteerprestatie is zo subtiel, zo naturel, dat ze moeiteloos elke scène steelt. Alleen jammer dat ze dat niet in een betere film mocht doen. (JW)
 
Gwai Wik (Re-Cycle) (***) Zoals eerder aangehaald: de broertjes Pang hebben talent. Ook al mag dat na het zien van The Messengers misschien niet meteen duidelijk zijn. Maar met (het eerder gedraaide) Re-Cycle bewijzen de heren ruimschoots dat ze hun reputatie niet hebben gestolen. In Re-Cycle speelt Angelica Lee de succesvolle schrijfster Tsui Ting-Yin, die net een succesvolle romantrilogie heeft afgerond. Voor haar nieuwe boek wil ze echter eens iets nieuws proberen: een horrorverhaal. Helaas vlot het werk niet zoals ze dat wil, en telkens opnieuw gooit ze haar ideeën in de prullenmand. Tot er op een gegeven moment een geheimzinnige schim in haar appartement opduikt. Tsui is verstijfd van angst, maar besluit haar paniek te kanaliseren en begint dapper aan een nieuwe versie van haar verhaal. Helaas begint ze steeds vreemdere dingen te zien, en als ze na het zoveelste enge geluid in de gang voor haar flat beland, is voor haar de maat vol. Ze neemt de lift naar beneden en wil er vandoor. Maar dat lijkt makkelijker gezegd dan gedaan, want de lift brengt haar uiteindelijk naar een geheimzinnige wereld. Een wereld die, zo blijkt, enkel bestaat uit de ideeën en herinneringen die Tsui de afgelopen jaren heeft weggegooid. En om die wereld vorm te geven, halen de Pang Brothers letterlijk alles uit de kast. Wat begint als een traditionele Japanse spookthriller, evolueert gaandeweg naar een hallucinante variatie op Alice in Wonderland, met uitstapjes naar verroeste pretparken, lugubere wouden en een reusachtige baarmoeder met geaborteerde foetussen. Re-Cycle is soms misschien wat warrig, en niet alle ideeën komen even goed naar voren, maar zelfs in het slechtste geval is dit een onvergetelijke filmervaring, propvol merkwaardige landschappen, hartverlammende shocks en wonderlijke wezens. (JW)

Sunshine (***) De regisseur van de openingsfilm op het BIFFF is een oude bekende: Danny Boyle. Met zijn glibberige zombies was hij een paar jaar terug de favoriet van het festival. In Sunshine valt hij zonder pardon met de deur in huis. Een ruimteschip is op weg richting zon om er een nucleaire cocktail in te droppen. De reden? De zon is moe, heel erg moe, en kan wel een opkikkertje gebruiken voor ze helemaal uitdooft en de aarde van pure kilheid bevriest. Boyle is een veelzijdig regisseur die met even veel gemak gitzwarte komedies, een stevige portie horror of een episch stukje sciencefiction regisseert. In Sunshine heeft hij wat tijd nodig om de boel in gang te trekken. Boyle zoomt in eerste instantie in op de (morele) dilemma's waar de achtkoppige, multiculturele crew voor komt te staan. Hij is niet te beroerd om de prent in goede 2001-traditie filosofische en metafysische proporties aan te meten. Ging de Griekse held Icarus niet ten onder aan hybris toen hij te dicht bij de zon kwam? Boyle toont zich verder als een prachtig schilder die de felgele zon tegelijk bedreigend en wonderschoon in beeld brengt. Helaas wringt er zich op het einde een overbodig thrillerelement in de film, wat Sunshine even lijkt te degraderen tot een slap afkooksel van Alien. Niet getreurd: Boyle trekt meteen de regieteugels weer strak aan en eindigt met een big bang van jewelste. (HDW)

Roman (***) Lucky McKee is de talentvolle, veelgeprezen regisseur van May uit 2002. Voor Roman wisselde hij van plaats met zijn toenmalige hoofdactrice Angela Bettis: zij mocht regisseren, hij ging acteren. De keuze van McKee om zelf het titelpersonage te spelen in Roman is een gouden zet. Hij speelt een Paul Giamatti-achtige eenzaat die elke dag op hetzelfde uur thuiskomt, voor zijn raam gaat zitten, een biertje opent en begint te fantaseren over het mooie maar onbereikbare buurmeisje. Zijn muze in het rode, strakke T-shirt en het korte, blauwe rokje wordt een obsessie, tot ze hem aanspreekt. Roman draait door en vermoordt haar. Met die informatie geven we geen twist weg, want het eigenlijke verhaal moet dan nog beginnen. Roman geraakt gefascineerd door een ander meisje, Eva. Hij is van plan het rustiger aan te pakken, maar nu blijkt het Eva die een donker, geheim kantje heeft. De met een digitale camera opgenomen low budget film kruipt tergend langzaam vooruit. Bettis speelt vooral met licht en donker. De flat van Roman baadt soms in verblindend Californisch zonlicht, terwijl andere keren één enkele lamp voor een sfeervolle gloed zorgt. Ook de pingelende, tokkelende, minimalistische soundtrack ademt een en al sfeer uit. Lucky McKee, die zelf het scenario schreef, is perfect als Roman: hij is zielig, aandoenlijk en beangstigend tegelijk. Kristen Bell (Veronica Mars, en recent nog te zien in Pulse) is de goddelijke girl next door. Nectar Rose (Serenity) kreeg terecht lof voor haar rol als dubbelzinnige Eva. Zij neemt de eenzame, vastgeroeste, timide Roman mee uit naar het toneelstuk Hedda Gabler, maar met die mooie scène geeft McKee iets te expliciet het einde van zijn film prijs. Toch is Roman een uitstekende genreoefening en een intrigerend portret van liefde, leven en dood. Enkel voor de liefhebbers van trage, fascinerende, poëtische en bijna surrealistische cinema. (HDW)

The Hills Have Eyes 2 (**) Een resem onervaren cadetten van de National Guard komen terecht in het ruwe testgebied van Yuma Flats, New Mexico, en stuiten op de gruwelijke praktijken van een nieuwe bende mutanten… Deze fel geanticipeerde sequel op Alexandre Aja’s briljante update van The Hills Have Eyes kan spijtig genoeg niet aan de hoge verwachtingen voldoen. De film opent uitermate ruw en het lijkt er even op dat Martin Weisz (bekend van Grimm Love, over de real-life kannibaal van Rohtenburg) de teugels even strak in de handen heeft als Aja en zo van het geheel opnieuw een intense ervaring zal maken. Jammer genoeg blijkt dat het niet al goud is wat blinkt. Zo zijn de personages niet alleen ééndimensionaal, maar ook nog eens behoorlijk ongeloofwaardig. Wat denk je bijvoorbeeld van karakters met namen als “Stump”? In The Hills Have Eyes 2 ook geen ronkende namen zoals Kathleen Quinlan, Ted Levine en Emilie de Ravin, maar een handjevol onbekende doch goeduitziende jongeren - die moeten doorgaan voor keiharde soldaten. Enkel mutant Michael Bailey Smith keert terug voor dit tweede Hills-avontuur. Het scenario is van de hand van Wes Craven en zijn zoon Jonathan. Niet alleen is het verhaal behoorlijk plat, extreem clichérijk en met weinig verrassingen, maar ook de dialogen zijn van zo’n simplistisch niveau dat je regelmatig plaatsvervangende schaamte voelt. Weizs gooit de Goonies-achtige mutanten al erg snel voor de camera en neemt hierdoor veel van de intensiteit weg. The Hills Have Eyes 2 blinkt wel uit in gore. Hoewel er geen grenzen verlegd worden zoals in de voorganger, worden de slachtoffers op erg sappige manieren om zeep geholpen. (SDR)

Gruesome (0) Deze lowbudget shocker valt het best te omschrijven als de horrorversie van de Bill Murray-classic Groundhog Day. Het verhaal gaat als volgt: de knappe Claire Parker (Lauren Curie Lewis) wordt op een dag koelbloedig vermoord door een lokale seriemoordenaar. De volgende dag ontwaakt ze levend en wel en blijkt alles een droom te zijn geweest. Of toch niet? Want dan komt Claire tot de gruwelijke ontdekking dat ze steeds ontwaakt op dezelfde dag, met alle bloedige gevolgen van dien… We moeten het de makers, het regisseursduo Joshua en Jeffrey Crook, nageven dat ze tenminste probeerden om van hun film iets speciaal te maken. Helaas bezwijkt Gruesome al héél snel onder zijn ambities. De twee heren proberen hun film namelijk tot aan de nok vol te proppen met enkele zogenaamd intelligente plotkronkels en verliezen hiermee alle andere zaken uit het oog. Zo hebben de karakters de diepgang van een bierviltje en wordt de spanning totaal tenietgedaan door enkele beschamend incompetente schokscènes. Het acteerwerk bereikt bovendien soms niet eens het niveau van een derderangs soapreeks en de cinematografische kwaliteiten doen denken aan die van een gemiddelde trouwfilm. Al wie dan ook op zoek is naar charmante Troma-achtige lowbudget toestanden is eraan voor de moeite, want daarvoor is de gorequotiënt te zwak en neemt Gruesome zichzelf véél te serieus. De film werd naar verluidt goed ontvangen op het welbekende Sundance filmfestival, maar we zijn benieuwd wat het doorgewinterde publiek van het 25ste Brussels International Festival of the Fantastic Film ervan zal vinden. (SDR)

The Host (***) De nieuwe film van Joon-ho Bong (van het ijzersterke Memoirs of Murder) zal dankzij A-Film dan toch een reguliere bioscooprelease krijgen en dat is maar goed ook. In het subgenre van de monsterfilm is The Host een verademing. Joon-ho Bong weeft doorheen de typische Hollywoodelementen (een supermonster rijgt onschuldige slachtoffers aan de staart) een voor Europa of Amerika ongewone droefgeestige sfeer. Dat levert een ietwat vreemde en bevreemdende film op, die echter op geen enkel ogenblik verveelt. Een soundtrack vol ritmisch aanzwellend tromgeroffel is een uitstekende begeleiding voor het door Kevin Rafferty (The Phantom Menace, The Mummy Returns) digitaal getemde monster. Vooral de eerste verschijning van het Godzilla-achtige ding uit de Han Rivier laat grote indruk na. Maar aan de andere kant raakt Joon-ho Bong de gevoelige snaar met enkele levensechte personages op zoek naar vriendschap, familie, troost en zichzelf. (HDW)
 
Plane Dead (*) Zombies zijn sinds recente toppers als 28 Days Later en Dawn of the Dead 2004 back from the grave. Maar als het van Scott Thomas' filmische kwaliteiten afhangt, zal het snel gedaan zijn met de bloederige pret. Zijn Plane Dead is helaas een miserabele poging tot splatter and gore met een knipoog à la Snakes on a Plane. Hoewel de plot bol staat van de platgereden clichés is het basisgegeven best leuk, maar Thomas slaagt er in om elk beetje potentie er genadeloos de kop in te drukken. De regisseur vindt het leuker om tot vervelens toe uit te pakken met zijn enige money shot (een nog steeds behoorlijk gamel CGI-vliegtuig!), dan Plane Dead te voorzien van essentiële zaken als spanning of interessante personages. De cast bestaat voornamelijk uit nobele onbekenden, die overigens bijna allemaal een prijs verdienen voor overacteren. Genreliefhebbers zullen wel enkele bekende koppen opmerken: zoals Kevin J. O’Connor (The Mummy), Richard Tyson (Kindergarten Cop) en Dale Midkiff (Pet Sematary). Helaas zorgen ook zij – en Midkiff op kop – voor krullende tenen. Naar het einde toe worden de bloederige toestanden opgedreven, maar de make-upeffecten weten bijna nergens te verrassen en heb je al duizend keer beter gezien in goedkopere horrorfilmpjes. Zelfs op “camp”-niveau schiet deze Plane Dead tekort. De humor krijgt nergens voet aan grond en ook qua bloot zullen de fans op hun honger moeten blijven zitten. En met zoveel schoon vrouwvolk aan boord is dat best zonde! Undead at 30.000 feet? Eerder dead before take-off! (SDR)
 
The Return (**+) De nieuwe film van Sarah Michelle Gellar – met zwart haar! – is niet de enge horrorfilm die de marketingcampagne laat uitschijnen. Met genrefilms als The Ring of The Grudge heeft The Return niet veel overeenkomsten. De schrikmomenten zijn beperkt en van een gore portie bloed is al helemaal geen sprake. Regisseur Asif Kapadia (The Warrior) legt de nadruk op de psychologie en ontwikkeling van zijn hoofdpersonages, maar slaagt zeker niet vlekkeloos in die opzet. Interessanter dan de verhaallijn – Gellar die een rusteloze ziel speelt die geconfronteerd wordt met een trauma uit haar verleden – is de visuele flair die Kapadia ten toon spreidt. Het rijke kleurenpalet, de mooie overgangen tussen heden en verleden en de knappe regietechnische ingrepen maken de film boeiend genoeg om naar te kijken. Helaas weegt Sarah Michelle Gellar te licht om een zware, dramatische rol te dragen. Matigheid troef. (HDW)


Het 25ste Brussels Internationaal Festival van de Fantastische Film loopt van 5 tot 17 april. Alle informatie op de officiële site van het festival: www.bifff.be