MON COLONEL

Grootse Gourmet in een slappe film

Pathé
Met de actieve steun van de gebroeders Dardenne en de familie Gavras spat de geloofwaardigheid van het regiedebuut van Laurent Herbiet. De verfilming van de gelijknamige roman van Francis Zamponi haalt het deksel van een stinkend potje van de Franse geschiedenis.
 
Kolonel Duplan krijgt in de openingsscènes een kogel door zijn hoofd. De politie krijgt hulp van een anonieme briefschrijver die de moord op de gepensioneerde militair (Olivier Gourmet) linkt aan zijn verleden in Algerije: “De kolonel is gestorven in Saint-Arnaud” luidt de hint. Op drie vragen zoekt Mon Colonel het antwoord. Wat heeft de kolonel in godsnaam in Algerije uitgevreten dat iemand bijna vijftig jaar later nog razend genoeg maakt om hem koelbloedig te liquideren? Wie is de geheimzinnige tipgever van de politie? En wie is de moordenaar? Een uitermate klassieke montage van scènes uit het heden en flashbacks levert de antwoorden.
 
Aan conflictstof heeft Mon Colonel geen gebrek. De legerleiding wil het moordonderzoek low profile houden. Hoe minder gespit wordt in het verleden van de kolonel hoe minder boven komt over de vuile rol die de Franse strijdkrachten speelden in hun voormalige kolonie. Het leger zet de jonge Luitenant Galois (Cécile De France) op de zaak. Ze voert haar onderzoek parallel met dat van de politie. Ze werkt niet tegen, maar helpen doet ze zeker niet.
 
Een eerste flashback introduceert Guy Rossi (Robinson Stévenin), een jonge rekruut die zich overmand door liefdesverdriet vrijwillig aangeboden heeft om zijn militaire dienst te doen in Algerije. Als rechterhand van de kolonel moet de vers afgestudeerde rechtenstudent zich buigen over de volmachten die het Franse parlement de overzeese troepen gegeven heeft. In werkelijkheid moet hij zoeken waar de uiterste legale grens ligt. Zijn conclusie is kort en duidelijk: zelfs bevelen die indruisen tegen de Franse wet moeten opgevolgd worden. Met andere woorden: het leger heeft vrij spel. De politici sluiten hun ogen. Wat niet weet niet deert. Rossi wordt verantwoordelijk voor de ondervragingen van Algerijnse opstandelingen en zal snel ondervinden hoe zijn eigen conclusies in de praktijk omgezet worden. Rossi - de idealistische snotaap – komt in conflict met zijn geweten en zijn hiërarchische overste: kolonel Duplan. In het heden krijgt luitenant Galois stukken uit Rossi’s dagboek van dezelfde man die ook de politie van nieuwe tips voorziet. Zo zapt Mon Colonel van het heden naar het verleden en terug.
 
Een westers bezettingsleger in een Arabisch land, oncontroleerbare rebellenbewegingen, terroristische aanslagen, officieren die zich onaantastbaar wanen, misdaden tegen de menselijkheid, een uitzichtloos conflict… de link met de huidige situatie in het Midden-Oosten is niet moeilijk te leggen. De plaatsen in Mon Colonel zouden even zeer Abu Ghraib en Guantánamo Bay kunnen zijn. De bevelhebbers zouden Dick Cheney of Paul Wolfowitz kunnen heten.
 
Met geëngageerde filmers – en Gouden Palm-winnaars – Costa-Gavras en de broertjes Dardenne was niets anders te verwachten dan cinema met een stekelige boodschap. Wat ze vertellen, houdt zeker steek. Vooral de verhaallijn in Algerije dan. De productieploeg wachtte zeven jaar om in Algerije zelf te kunnen filmen. De authentieke decors zetten het verhaal kracht bij. Met de bomaanslag op het volgepakte marktplein bereikt een film een emotioneel hoogtepunt. Het onderzoek naar de moord op de kolonel is weinig soeps. Telkens de actie verspringt naar het politiekantoor, verslapt de spanningsboog. Eén voor één schuiven de nog levende getuigen van de gebeurtenissen in Saint-Arnaud voorbij, flink onder handen genomen door de make-up afdeling. De verhoren brengen ons geen stap dichterbij. De scènes zijn tijdverlies, ze voegen niet genoeg toe aan het verhaal. Het is telkens wachten op een nieuwe sprong naar het verleden.
 
Mon Colonel leidt sterk onder de veel te voorspelbare structuur en de weinig originele keuzes van regisseur Herbiet: het heden filmde hij in kleur, het verleden in zwart-wit. Avontuurlijk is zijn beeldvoering niet te noemen en zijn hoofdpersonages missen nuance. Het ligt niet aan de cast. Robinson Stévenin is een veelzijdige acteur die Rossi zo goed als mogelijk speelt. Hij krijgt te vaak pompeuze dialogen in de mond gelegd en de scènes die zijn afkeer van het geweld uitdrukken liggen er veel te dik op. Olivier Gourmet is altijd goed, altijd. Hij is opnieuw uitmuntend in een rol als een hardvochtige man met een hart van steen. Hij is de man die Mon Colonel op zijn eentje redt. Hij is net charmant genoeg om zijn medewerkers uit zijn hand te doen eten, maar ook onverbiddelijk cynisch als het moet. Hij doet alles binnen de wet. Natuurlijk: de wet geeft hem onbegrensde vrijheid. Het is verbluffend hoe vanzelfsprekend hij de hypocrisie en de willekeur van de machthebber een gezicht geeft.
 
Is de verhouding tussen Rossi en de kolonel al onsubtiel en clichématig opgebouwd, een nog groter probleem vormen de personages gespeeld door Eric Caravaca en Cécile De France. Caravaca speelt een Franse in Algerije geboren leraar die de rebellen steunt. Hij is het enige niet-militaire contact van Rossi. De weinige keren dat hij in beeld komt en zijn mond open trekt, bewandelt hij platgetreden paden. De France loopt er al helemaal bij voor spek en bonen. Jammer allemaal want uit een dergelijke cast was veel meer te halen.
 
Wat op papier zo veel belooft, is op het grote scherm een dikke tegenvaller. De ontknoping komt uit de lucht vallen. Op geen moment heeft de film een aanwijzing gegeven of nog maar het bestaan van de dader vernoemd.  Een superinteressant thema met een sterke band met de actualiteit en een rits topproducers volstaan niet om een sterke film te maken. Mon Colonel is nauwelijks beter dan een veredelde televisiefilm. Gelukkig overstijgt Gourmet het niveau van de film vele keren. Hij is de beste levende Belgische acteur, daar kan geen twijfel meer over bestaan.
 

Titel: Mon Colonel
Genre: Drama
Speelduur: 1u30
Regisseur: Gabriel Range
Acteurs: Olivier Gourmet, Cécile de France, Robinson Stévenin, Eric Caravaca, Charles Aznavour, Bruno Solo, Guillaume Gallienne