De stripheld is altijd enorm populair geweest bij het bioscoopgaande publiek. Er is dan ook bijna geen enkele graphic novel die nog niet verfilmd werd. Cineasten moeten tegenwoordig onbekende, duistere strips aanroepen om er toch nog een goede film uit te puren.
Vaak zijn dit de beste stripverfilmingen omdat geen hond er ooit al van gehoord heeft. Het publiek zal altijd kritischer staan tegenover bekende stripverfilmingen (Batman, Spider-Man, Superman) omdat ze hier een zekere connectie mee hebben. Meestal hebben ze in hun jeugd deze karikaturen nog bewonderd en hebben ze een fysieke band geschept met het hoofdpersonage. Het is dan ook voor regisseurs een ondankbare taak een bekend stripverhaal met de vereiste flair op het witte doek te toveren. De laatste jaren is dit echter makkelijker geworden omdat striphelden mensen van vlees en bloed zijn geworden, geen onoverwinnelijke idealisten die water in vuur kunnen veranderen. Alles blijft echter surrealistisch genoeg om over een stripverfilming te kunnen praten. Laten we even teruggaan in de tijd naar de eerste echte stripverfilming waar het publiek plat voor ging.
In 1977 deden speculaties de ronde dat er een verfilming zou komen van Superman. Heel de filmwereld stond op zijn kop want welke regisseur zou dit voor elkaar krijgen; wie had de capaciteiten om een man met een rode cape door het zwerk te doen vliegen zonder dat het al te lachwekkend zou worden? Uiteindelijk viel de keuze op Richard Donner die met The Omen al had bewezen dat hij in staat was een oerdegelijke film te maken zonder te veel te vervallen in goedkope effecten of cheap thrills. Maar Superman zou natuurlijk heel andere koek worden; de special effects waren in die tijd nog zeer primitief en de Man Van Staal een waardige entree bezorgen op het witte doek zorgde dan ook voor de nodige kopbrekers. Na lang wachten ging de film uiteindelijk eind 1978 in première en hij werd een geheid succes. Geen meesterwerk zoals sommigen wel eens durven beweren, maar een goede verfilming van een zeer populaire strip. De film kreeg nog drie vervolgen waaronder Superman II in 1980 waar er twee versies van bestaan. Na onenigheid op de set tussen Donner en producers Ilya Salkind en Alexander Salkind werd Richard Lester onder de arm genomen om het karwei te vervolledigen. In 1983 en 1987 volgden nog twee teleurstellende vervolgen en daarna hield het gelukkig op. Tot in 2003 het licht op groen werd gezet voor Superman Returns, ditmaal in een regie van Bryan Singer, die met The Usual Suspects en Apt Pupil twee sterke thrillers had gemaakt maar zich nog nooit aan een actiefilm waagde. De film oogstte lovende kritieken maar kon nauwelijks tippen aan het origineel dat qua impact Superman Returns duidelijk naar
de kroon stak.
Natuurlijk kon een verfilming van die andere grote stripheld niet uitblijven. Batman was in 1966 al verfilmd geweest met Adam West in de toenmalige hoofdrol. De film werd zowel op artistiek als commercieel niveau een flop vanwege de beperkte technische middelen en het kleinschalige budget. Hoog tijd dus voor een update en die kwam er in 1989 met Tim Burton achter de camera. De studio die Batman financierde, Warner Bros. Pictures, bood Burton de kans om na Beetlejuice uit 1988 een grimmige, haast gotische wereld te scheppen. De grens met het surreële is nooit veraf bij Burton maar bij Batman werkt die formule wonderwel. Ook het tweede deel, Batman Returns, baadt in diezelfde grimmige sfeer en past eigenlijk perfect bij de gespleten persoonlijkheid die Batman is. In 1995 en 1997 volgden er nog twee campy kitschfestijnen, Batman Forever en Batman & Robin, die haast niet om aan te kijken waren. De reeks had dringend een nieuwe boost nodig en in 2004 contracteerde Warner Christopher Nolan om de klus te klaren. Nolan had geen introductie nodig; hij is immers het brein achter Memento en Insomnia, twee films waarin het hoofdpersonage eveneens met een dualistische persoonlijkheid worstelt. Een regisseur met een aparte visie op karakteruitdieping en psychologische diepgang, die Nolan. Het werd de donkerste maar meteen ook de beste Batman-verfilming tot op heden en het is afwachten of het vervolg, The Dark Knight in 2008, even goed wordt als zijn voorganger.
In 2000 kregen we X-Men in de zalen, een film over onsterfelijke mutanten en intussen ook een onsterfelijke franchise; films die niets essentieels bijdragen aan de filmgeschiedenis maar met een hoge amusementswaarde. In 2002 maakte Spider-Man zijn opwachting met Peter Parker die de strijd mocht aangaan met The Green Goblin; dient het nog gezegd dat de kassa’s geen seconde rust kenden? Maar dit blijft slechts amusement, wel redelijk goede verfilmingen maar niets meer dan dat. Tussendoortjes als Daredevil, Elektra of Resident Evil zijn stripgewijs absoluut niet relevant meer maar toch worden ze nog eens door de mangelmolen van Hollywood gehaald. Waarom? Is de inspiratie dan zo ver zoek?
Meesterlijke stripverfilmingen zijn zoals eerder vermeld films waarin het hoofdpersonage kan gekwetst worden, zijn emotionele principes opzij kan schuiven en af en toe eens flink te diep in het glas kan kijken. Het is haast niet te geloven dat Sam Mendes in 2002 met zijn Road To Perdition het heeft aangedurfd de stripheld, in dit geval Tom Hanks als Michael Sullivan, zo’n menselijk gezicht te geven. Bij deze film kan je dan ook onmogelijk afleiden dat hij is gebaseerd op een strip omdat er geen surrealistisch kantje aan is. Ook bij V For Vendetta uit 2005 is het hoofdpersonage V een vrijheidsstrijder die niet op miraculeuze wijze al vliegend een kind uit een brandend flatgebouw haalt maar strijdt voor een democratie. En dat is wat er bij veel stripverfilmingen ontbreekt; relevante maatschappijkritiek die alleen op verbloemde wijze kan worden getoond.
STRIPHELDEN IN FILMS
Helden zijn ook maar mensen