Sinds Tsai Ming-liang in 1992 doorbrak met Rebels of the Neon God wordt hij steevast de oosterse Antonioni genoemd. Toen was de vergelijking niet onlogisch en absoluut flatterend. Het niveau van de films die hij tussen 1992 en 2007 draaide is zo duizelingwekkend hoog dat Michelangelo Antonioni net zo goed de westerse Tsai Ming-liang kan genoemd worden. The River en The Wayward Cloud wonnen prijzen in Berlijn; The Hole in Cannes, Vive L’Amour, Goodbye Dragon Inn en I Don’t Want to Sleep Alone in Venetië. Met Kim Ki-duk, Wong Kar-wai en Hou Hsiao-hsien behoort Tsai Ming-liang tot de allerbeste en meest geroemde nog levende Aziatische regisseurs. Nu komt een retorische vraag: “Hoe groot en belangrijk moet een regisseur zijn en hoeveel prijzen op belangrijke filmfestivals moet hij winnen om zijn nieuwste film in meer dan drie Belgische steden geprojecteerd te zien?” I Don’t Want to Sleep Alone is enkel te zien in Brussel, Antwerpen en Gent. Zucht.
Zucht, want I Don’t Want to Sleep Alone is meer dan de moeite waard al is het met voorsprong de minst toegankelijke film uit zijn oeuvre. Tsai filmde voor het eerst in zijn geboorteland Maleisië. Hij werd er geboren en woonde er twintig jaar tot hij naar Taiwan verhuisde en daar zijn carrière lanceerde. Na de economische wildgroei in de jaren tachtig en negentig – met de bouw van de Petronas-torens in Kuala Lumpur als ultiem symbool van rijkdom en macht - stortte de Maleisische economie volledig in. Om die groei mogelijk te maken werd een onbestemd aantal gastarbeiders binnen gehaald. Tegelijkertijd trokken even veel Maleisiërs naar het buitenland om daar het vuile werk op te knappen. I Don’t Want to Sleep Alone speelt zich af in een Kuala Lumpur, in een wijk vol onafgewerkte fabrieken en kantoorgebouwen. Toen de economie nog floreerde, werd gestart met de bouw. Tot er door de crisis geen geld meer was en alle werken werden stilgelegd. Tsai bezocht de sites en prijsde zich gelukkig dat hij geen decors moest bouwen en geen kleurfilters nodig zou hebben om de donkere, verborgen onderkant van de samenleving in de hoofdstad te filmen. In Kuala Lumpur wonen tientallen nationaliteiten bij elkaar, door elkaar is juister, totaal naast elkaar is het pijnlijkst en het meest correct.
Hsiao-kang is een van die immigranten die anoniem in de stad woont. Hij spreekt de taal niet. Wanneer hij een Maleisische voorspeller van lottogetallen op de zenuwen werkt, wordt hij in elkaar geslagen en voor dood achtergelaten. Hij wordt gevonden door Rawang en zijn vrienden die met zijn allen een loodzware, vochtige matras naar hun slaapplaats slepen. Rawang verzorgt zijn wonden, biedt hem een slaapplaats aan en waakt als een moederkloek tot hij helemaal genezen is. Rawang woont met zijn werkmakkers in een verlaten bouwwerf.
Door voor hem te zorgen krijgt Rawang gevoelens voor Hsiao-kang die zich ook bemind weet door Chyi, een dienster in een cafeetje een beetje verderop. Na haar uren verzorgt ze de totaal verlamde zoon van de eigenares van het café. Chyi masseert hem, haar bazin maakt haar duidelijk hoe, waar en wanneer. Terwijl Rawang zijn gevoelens voor Hsiao-kang stil houdt, gaat Chyi haar kans.
In het universum van Tsai Ming-liang is liefde niet vanzelfsprekend. Ook in I Don’t Want to Sleep Alone voelen de personages zich geketend. Wanneer ze actie ondernemen zien ze zich gecounterd door hun eigen onhandigheden of door uitzonderlijke klimatologische omstandigheden. Praten doen de personages haast niet. In zijn rijke symbolentaal toont Tsai hun verlangens en gebreken. Hij opent levendig en scherp met de introductie van zijn personages. En dan, op een derde van de film verandert hij van toon en stijl: extreem lange sequenties – zelfs voor zijn doen – waarin extreem weinig gebeurt begeleid door een soundtrack van luid en onaangenaam omgevingsrumoer. Tsai kapt ze hard af en monteert ze ruw zodat ze keihard tegen elkaar opbotsen. Tsai gooit elke zin voor opbouw van zich af lijkt te gaan voor de ultieme antifilm. Wanneer zijn meesterlijke rust terugkeert, breit hij met verbluffende magische scènes een prachtig, hoopvol en visueel oogverblindend einde aan zijn film.
Het is Tsai Ming-liang wederom niet om de plot te doen. Hij varieert op de verhalen en de thema’s die hij eerder behandelde: eenzaamheid in de grote stad waar miljoenen mensen wonen, stroeve communicatie, de menselijke ziel in nood. Lee Kang-sheng speelt zoals gewoonlijk de hoofdrol. Het is te zeggen: hij speelt twee van de drie mannelijke hoofdrollen. Hij is de in elkaar geslagen Hsiao-kang en de comateuze man. Hsiao-kang is de voornaam van alle mannelijke hoofdpersonages in Tsai’s films, telkens vertolkt door Lee Kang-sheng. Een andere habitué is Shiang-chyi Chen, telkens fris en stralend, ook nu.
Achter de mondkapjes, in het troebele water, tussen de afzichtelijke betonconstructies en onder de verstikkende smog gloort de hoop. Hoop dat het toch nog allemaal goed komt. En zo is I Don’t Want to Sleep Alone het verhaal van de Barmhartige Samaritaan en de doos van Pandora.
Titel: I Don’t Want to Sleep Alone
Genre: Drama
Speelduur: 2u02
Regisseur: Tsai Ming-Liang
Acteurs: Lee Kang-sheng, Chen Shiang-Chyi, Norman Atun, Lu Yi-Ching, Yang Kuei-Mei, Pearlly Chua.