Maar het tijd keert snel in dit wereldje. Leo krijgt competitie van maffioso Johnny Caspar, een niet al te snugger Italiaans heethoofd dat de macht wil overnemen. Dit doet hij trouwens niet zo slecht: in een oogwenk veranderen burgemeester en commissaris van locatie voor hun zondagse theekransjes. Caspar ontvangt hen met open armen. Tom, die voorheen Leo’s raadsman was, krijgt het met hem aan de stok en mag beschikken. Reden: een vrouw natuurlijk, hoe kan het ook anders. Op die manier komt Tom tussen beide rivaliserende bendes terecht, de lijn tussen goed en slecht vervaagt. Wie is nog te vertrouwen? Wie staat aan zijn kant? En aan welke kant staat hijzelf? Miller’s Crossing wenkt...
Miller’s Crossing is grotendeels gebaseerd op de roman The Glass Key van Dashiell Hammet, een Amerikaans auteur uit het begin van de 20ste eeuw. De gebroeders Coen zetten het misdaadverhaal volledig naar de hand. Ongelofelijk dat dit misdaadmeesterwerk zo gemakkelijk over het hoofd werd gezien door het grote publiek. Miller’s Crossing is net zo cynisch en donker als Fargo, artistiek de gelijke van O Brother where art thou en brengt diezelfde sublieme galgenhumor als in The Big Lebowski. Dit cinematografische pareltje doet niet onder voor het bekendere Coen-werk, en mocht dan ook geheel verdiend het New York Filmfestival openen in 1990. Immer intelligente – bij wijlen zelfs ronduit geestige – dialogen worden naadloos afgewisseld met magistrale plotwendingen en fijne actiescènes. Deze film noir zit verdomd goed in elkaar, en verveelt geen seconde. Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, is het geheel – we verwachten niets anders van de gebroeders Coen – prachtig in beeld gebracht, in hun geheel eigen stijl.
Over de vertolkingen hoeven we ook niet te klagen. De hoofdrol is weggelegd voor de keiharde Ier Gabriel Byrne, die later zou schitteren in The Usual Suspects. De scènes zonder Byrne zijn op een hand te tellen. Zelfs zijn hoed krijgt een centrale rol. “Nothing more foolish than a man chasin' his hat”, orakelt hij halverwege de film, waarna hij zijn eigen hoed geen seconde uit het oog verliest. Als is het zijn enige zekerheid in bange dagen.
Eén van de kleurrijkste personages uit Miller’s Crossing is ongetwijfeld de Italiaanse maffiabaas Johnny Caspar, gebracht door een onweerstaanbare Jon Polito. Caspar probeert zijn gebrek aan koelbloedigheid en hersencellen te compenseren door de nodige ‘vakethiek’, maar wordt méér dan eens in de zak gezet. Wat die koelbloedigheid dan weer niet ten goede komt... Aan koelbloedigheid echter geen gebrek bij zijn rechterhand Eddie ‘The Dane’, een cynische ‘tough guy’, die zichzelf zo ‘tough’ vindt dat het lachwekkend wordt. Deze rol was oorspronkelijk weggelegd voor Peter Stormare, die wel vaker mag aantreedt in Coen producties. Stormare moest in extremis afhaken, maar J.E. Freeman bleek een meer dan waardig vervanger te zijn.
Verder passeren enkele vaste Coen-acteurs weer de revue. John Turturro speelt Bernie en hij doet dat goed. Steve Buscemi en Frances McDormand – ofte mevrouw Joel Coen – zijn van de partij. Al blijft hun bijdrage beperkt tot een cameo.
Miller’s Crossing heeft alles wat een gangsterfilm nodig heeft om een instant cultstatus te verdienen. De juiste ‘feel’, snedige dialogen, strakke acteerprestaties en een ijzersterk scenario. The Godfather blijft natuurlijk oppermachtig in dit genre, maar Miller’s Crossing is een zeer goede tweede. I’ll make you an offer you can’t refuse: kijk en oordeel zelf! Een teleurstelling zal het in ieder geval niet zijn...