DE ZOMBIES VAN GEORGE A. ROMERO

De levende doden keren altijd terug

Romero-Grunwald Productions
Kunnen zombies lopen? De discussie beheerst al weken de wandelgangen van Moviegids. Ondergetekende weet het zeker: nee! Zombies lopen niet! Ze slenteren, kruipen of slepen hun rottende ledematen achter hen aan. Ze ontpoppen zich post mortem niet tot over hordes springende, de Olympische Spelen ambiërende, hersenzuigende atleten! Einde discussie! We zijn nog wel op onze hoede voor de bloedkotsende onverlaten in de 28 Days/Weeks Later-reeks en de spurtende doden in Zack Snyders Dawn of the Dead. De dreiging van een legertje “ondoden” gaat pas echt uit van de strompelende mensenmassa, vastbesloten om de ongelukkige die in hun midden terechtkomt met dodelijke precisie aan stukken te scheuren.

LEES HIER DE RECENSIE VAN DIARY OF THE DEAD

Niemand begreep dat beter dan de Godfather van de zombiefilm: de 68-jarige, eeuwig in de marge van Hollywood werkende George A. Romero. De man heeft enkele onbetwistbare klassiekers op zijn naam staan maar werd nooit een main stream horrornaam als Wes Craven of zelfs John Carpenter. Romero blijft een enigma en achter dat brave grootvadersuiterlijk (nog versterkt door absurd grote brillenglazen) schuilt een onmiskenbaar zieke geest die temidden van uitpuilende darmen en scheefhangende kaakbeenderen oog heeft voor de sociale problemen in onze maatschappij en de duistere kant van de – nog - levende mens.

Night of the Living Dead uit 1968, Romero’s debuut als regisseur (en als scenarist, cameraman en editor, waarschijnlijk zorgde hij ook voor de catering) – zette aan tot een schokgolf die de internationale horrorwereld tot ver na vandaag zal blijven definiëren. De prent, met zijn sobere zwart-wit fotografie en niet eens zo spectaculaire zombies, wordt door velen beschouwd als een audiovisueel fossiel dat enkel interessant is voor cinefielen en filmstudenten. Toch blijft de film een angstaanjagend effectieve parel. Van de schijnbaar zorgenloze opening (een broer en een zus rijden naar het graf van hun vader) tot de beklijvende, shockerende finale (die we hier, voor de Night of the Living Dead-leken, niet prijsgeven) ontpopt de Romero’s film zich tot een klassieker die het genre ver overstijgt.

Het verhaal – een groep mensen verschuilt zich in een afgesloten ruimte terwijl rondom hen de dreiging steeds sterker wordt – staat nog steeds als een huis en biedt de makers de kans om de personages uit te diepen die met elkaar moeten zien te overleven. Van The Alamo tot The Mist zien we hoe filmmakers dit concept verder uitwerken. Het idee is oersimpel, in de handen van het juiste creatieve team levert het bijna altijd interessante resultaten op.

Met het zinnetje “They’re coming to get you, Barbra” (gesproken door de broer aan het begin van de film die zonder het zelf te beseffen de gruwelijke waarheid onthult) werd de prent een popcultuurfenomeen en een cultfilm. De kritieken waren destijds allesbehalve positief – om niet te zeggen dat ze uitgesproken negatief waren – maar het tijdsverloop (en de vele sequels, remakes, rip-offs en zelfs de misplaatste 30th Anniversary Edition van Night co-auteur John Russo) hebben de status van de film bevestigd. Zelfs wie een hartstochtelijke hekel heeft aan zombie- of horrorfilms is het als filmliefhebber aan zichzelf verplicht minstens één keer in het leven Romero’s debuutfilm te huren. Hij zal hoe dan ook een onuitwisbare indruk achterlaten.

Tien jaar later kwam Romero op de proppen met Dawn of the Dead; een net als Night of the Living Dead al even indrukwekkende zombiefilm die de beperkingen van het genre niet alleen overstijgt maar ze helemaal wegblaast. Bij deze productie wordt Romero’s “meesterplan” duidelijk. Niet alleen wil hij het publiek angst aanjagen; hij vertelt vooral een aanzwellende saga over de afbrokkeling van onze maatschappij, over het einde der tijden, over de Apocalyps. In Night of the Living Dead worden de personages op kleine schaal beïnvloed door de gebeurtenissen uit de film. In Dawn of the Dead zien we meteen de chaos op grote schaal. De film opent met een televisie-uitzending waarin panelleden discussiëren over de zombieplaag die de wereld treft. Niet ver daar vandaan valt een zwaarbewapend SWAT-team een appartementsgebouw binnen. Ze zoeken de verborgen - en ontwakende – lijken van familieleden die hun doden niet willen prijsgeven. De hele actie loopt beangstigend vlug uit de hand en het duurt niet lang voor de vier protagonisten in een helikopter vluchten voor de zombies. Als ze uiteindelijk halt houden in een verlaten winkelcentrum besluiten ze – na de nodige zombiezuivering – het oord tot hun nieuwe woonst om te dopen. De tijd verstrijkt en de vier wennen aan hun nieuwe levensstijl. Als een van hen het slachtoffer wordt van een zombiebeet komt er een einde aan hun idyllische leven. De hel breekt helemaal los wanneer een gevaarlijke motorbende het winkelcentrum betreedt (en daarmee ook een massa zombie’s naar binnen laat)… Wat volgt is een spetterende en bloederige survival of the fittest.

In tegenstelling tot de zwart-wit wereld van Night of the Living Dead toont Dawn of the Dad het bloed zoals het echt is: scharlakenrood en spuitend uit groteske hoofdwonden. De zombies zijn nog steeds niet bijzonder knap vormgegeven (Tom Savini’s make-up beperkt zich vooral tot een saaie grijze en/of blauwe kleur maar de gore-effecten maken veel goed) maar er werden wel pogingen gedaan om de ondoden een persoonlijkheid en identiteit mee te geven (de Hare Krishna-zombie).

In zijn tweede film heeft Romero het ook nadrukkelijk over de mens als soort. Net als in Night of the Dead is zijn mensbeeld eerder deprimerend. Romero is duidelijk een misantroop. Hij biedt weinig mogelijkheden op hoop en verlossing (een zombiefilm mag eigenlijk nooit goed aflopen). De lange speelduur van Dawn - afhankelijk van welke versie je bekijkt: er zijn er maar liefst vijf; waaronder een gesuperviseerd door Dario Argento voor de Europese markt - toont hoe mensen met elkaar een minimaatschappij trachten op te bouwen en werpt, niet altijd even subtiel, een steen naar de consumptiemaatschappij van toen (en nu): het beeld van de voor zich uit starende zombies op roltrappen en in winkels laat weinig aan de verbeelding over.

In 2004 regisseerde Zack Snyder (300, Watchmen) een op voorhand al verketterde remake van deze film. Het resultaat, dat de sociale commentaar van het origineel bijna volledig negeerde, is een verrassend efficiënte en vooral spannende horrorfilm die het origineel niet besmeurde. De zombies waren “lopers” maar in het genre van de moderne zombiefilm is Dawn anno 2004 een sterk staaltje terreurcinema.

Romero’s Dawn of the Dead werd in 1985 gevolgd door Day of the Dead; een film die algemeen beschouwd werd als het einde van een trilogie. Day of the Dead; in alle opzichten een jaren ’80 project, is de minste uit de reeks (wat voordien nog enigszins onderhuidse misantropie had geleken, heeft baan geruimd voor spectaculaire, bloederige effecten en schreeuwerige personages). De openingsscène, waarin de wandelende doden de steden beheersen, zet meteen de donkere toon. De in een ondergrondse bunker schuilende personages, waaronder een manische wetenschapper en geschifte militairen, lijken voer voor de naar hersenmaterie verlangende slenteraars. Een nieuwe vondst in Romero’s zombiemythologie is de introductie van Bub; een “lerende” zombie. Dit wezen werkt met zijn gemompel vooral op de lachspieren maar slaagt er toch in om in enkele cruciale scènes dieper in te gaan op de vragen: “Op welk punt beginnen zombie’s te evolueren? Wanneer vervangen ze ons als de dominante levensvorm?”

In een poging om het succes van de remake van Dawn of the Dead te evenaren werd een remake van Day of the Dead klaargestoomd. Steve Miners film met Ving Rhames (die ook al in Dawn 2004 zat maar hier een totaal ander personage vertolkt) in een van de hoofdrollen verscheen in april in de States rechtstreeks op dvd en belooft, dankzij de vernietigende kritieken die we er hier al over hebben gelezen, weinig potten te zullen breken.

Na Day of the Dead bleef het opvallend stil rond Romero’s zombies. Hij maakte nog enkele films (waarvan de Stephen King adaptatie The Dark Half nog de meest interessante is) maar het bleef toch wachten op zijn volgende zombiefilm. Die kwam er uiteindelijk in 2005 met Land of the Dead; Romero’s grootste en duurste versie van de zombieplaag. In Land breekt Romero met een van zijn zombiefilmtradities en zet het gebruik van een Afro-Amerikaanse hoofdrolspeler in een heldenrol (Duane Jones in Night, Ken Foree in Dawn en Terry Alexander in Day) op zijn kop door Eugene Clark te casten als de zelfverklaarde leider van de zombies: Big Daddy.

In Land of the Dead hebben de laatste menselijke overlevenden zich verscholen in van de buitenwereld afgesloten steden. De rijken, onder leiding van de door Dennis Hopper gespeelde megalomane tycoon Paul Kaufman, hebben onderdak gevonden in het luxueuze hart van de stad: Fiddler’s Green. De armen moeten zien te overleven in de sloppenwijken. De populairste vorm van ontspanning zijn de brutale brood-en-spelen waarin misdadigers en pechvogels (op het verkeerde moment op de verkeerde plaats...) in kooien op leven en dood vechten tegen uitzinnige zombies. In een poging om in de buitenwereld goederen en voorraad te halen stuurt Kaufman een team naar de straten buiten de versterkte stad. In de tot de tanden bewapende oorlogsmachine Dead Reckoning banen deze strijdkrachten zich een weg tussen de zombies en schieten de “wandelaars” genadeloos door het hoofd.

Als Big Daddy, getuige van al dit geweld tegen zijn “soort”, het lichtbaken aan de horizon – Fiddler’s Green – als de boosdoener verantwoordelijk voor de ordeverstoring herkent, leidt hij een opmars van zombies naar de stad. Daar loopt alles ondertussen mis; Dead Reckoning-heethoofd Cholo (John Leguizamo), vernederd door Kaufman, steelt de gepantserde truck en dreigt ermee om Fiddler’s Green met de grond gelijk te maken. Deze combinatie van gebeurtenissen leidt naar het onvermijdelijke: de zombies overrompelen de straten van de stad en rukken op naar Fiddler’s Green; waar navelpiercings worden uitgerukt en ledematen in het rond vliegen.

Ondanks het duidelijk hogere budget en het feit dat Land lang niet de beste uit de reeks is, gutst de liefde voor het genre en het onderwerp uit elke scène. Romero vertrouwt op gags en massaal veel bloed om het verhaal te vertellen en niemand laat zombies zo overtuigend door het landschap strompelen als hij. Met Big Daddy creëert hij een charismatisch hoofdpersonage dat als gezicht van de zombies fungeert en met inside jokes als Simon Pegg en Edgar Wright (respectievelijk de ster en de regisseur van het door Romero’s werk geïnspireerde Shaun of the Dead) bewijst Romero dat hij nog steeds voeling heeft met zijn fanbase. Het is daarom jammer dat de menselijke personages weinig te vertellen hebben (ondanks de aanwezigheid van de knappe Asia Argento) en dat de finale aan intensiteit verliest (Kaufman en Cholo zijn de dreiging hier; de zombies lijken eerder een nagedachte, een manier om de plot aan te zwengelen).

Voor het allernieuwste zombiefilm gooide Romero het over een andere boeg. In het deze week bij ons in de zalen opduikende Diary of the Dead (dat in 2009 ook al zal worden opgevolgd door een sequel!) worden filmstudenten tijdens de realisatie van hun eigen horrorfilm geconfronteerd met zombies. Terwijl ze zichzelf in veiligheid willen brengen, zien ze rondom hen het uiteenvallen van de maatschappij. Romero heeft zijn film vermomd als een documentaire. Dit concept lijkt na The Blair Witch Project, Cloverfield en recent nog [Rec] (ook al een zombiefilm) volledig achterhaald en ook niet alle critici waren even mals, inclusief onze huisrecensent wiens bespreking je hier kan lezen.

Donkere onweerswolken pakken zich dreigend samen boven dit huis. Uit het raam, enkele tientallen meters voorbij de tuin, zien we een kerkhof onder de regenbui liggen. De doden leken nooit zo dichtbij.