Kerstmis 1944 aan de Donau. Stalag 17 opent met de ontsnappingpoging van twee Amerikaanse krijgsgevangenen uit een nazi-kamp vlak bij de grens met Tsjechië.
Het duo ploetert zich een weg doorheen een glibberige, met prikkeldraad afgezette tunnel en bereikt de rand van het kamp. Maar daar blijkt alle moeite tevergeefs. Met de vrijheid in het vizier worden de voortvluchtigen genadeloos afgeknald door een groepje in hinderlaag liggende kapo’s. Al snel reist onder de barakbewoners het vermoeden dat er een spion in hun midden is. Niet alleen blijken de Duitsers verdacht goed op de hoogte van alle vluchtplannen, ook de clandestiene kampradio wordt vrij snel geconfisqueerd.
De hoofdverdachte is sergeant J.J. Sefton (William Holden), een cynische opportunist die nu eens loopwedstrijden voor muizen organiseert, dan weer de bewakers omkoopt voor een fles Riesling, een handvol sigaretten of een blik sardientjes. Verder verkoopt Sefton jenever gebrouwen op basis van aardappelschillen, en laat hij zijn medegevangenen tegen betaling vrouwen begluren in de Russische ontluizingshut. Bovendien maakt hij er geen geheim van de winst van zijn lucratieve handeltjes met de kampoversten te delen. Maar zijn medegevangenen spuwen hem uit. De snode antiheld wordt verguisd, getreiterd en in elkaar getimmerd, maar houdt zijn onschuld staande. De koele Stefton likt zijn wonden, observeert en wacht geduldig af, in de hoop zo de echte mol te kunnen ontmaskeren.
Stalag 17 behoort samen met The Great Escape, The Bridge on the River Kwai en King Rat tot het kruim van de zogenaamde POW-films (van het Engelse prisoner of war, krijgsgevangene) die zich afspelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wat de pioniersfilm echter van zijn opvolgers onderscheidt, is onder meer het subtiele gebruik van slapstick-humor als medicijn tegen de waanzin van het kampleven.
Die kolder is niet alleen verfrissend maar ook enigszins gewaagd voor een film die nauwelijks 8 jaar na het einde van de krijgsverrichtingen in de Tweede Wereldoorlog is opgenomen. Zo wordt zonder veel schroom een hilarische groepsimitatie van Hitler opgevoerd (alle kampgevangenen hebben zichzelf een vals snorretje opgekleefd), en moet Kolonel Von Scherbach voor een telefoontje met de generaal altijd eerst zijn laarzen aantrekken om beter met de hielen te kunnen klappen. Maar de show wordt gestolen door het duo Harry ‘Sugar Lips’ Shapiro (Harvey Lembeck) en de naïeve bruut Stanislas ‘Animal’ Kasava (Robert Strauss). Zo is er een memorabele scène waarin Shapiro Kasava probeert te verleiden door zich te verkleden als de wulpse blondine Betty Grable, de bekendste pin-up girl van haar generatie.
De acteurs Lembeck en Strauss zijn met Stalag 17 overigens niet aan hun proefstuk toe. Beiden waren ook te zien in de originele Broadway-hit waarop regisseur Billy Wilder zich voor deze film baseerde. Maar ook de andere rollen worden met brio vertolkt. William Holden incarneert als het ware de tot op het bot doortrapte Sefton, een prestatie die hem de Oscar voor Beste Acteur zou opleveren die hij 3 jaar eerder onterecht aan zijn neus had zien voorbijgaan (Holden was toen genomineerd voor zijn glansrol als Joe Gillis in de eveneens door Wilder geregisseerde noir-klassieker Sunset Blvd.). Holden had Wilder nochtans herhaaldelijk verzocht om zijn personage wat minder egoïstisch te maken, maar de regisseur hield – heel terecht, zo bleek later – voet bij stuk. Stalag 17 is bovendien één van die zeldzame films waarin de legendarische Oostenrijkse cineast Otto Preminger (River of No Return, Anatomy of a Murder) als acteur voor het voetlicht treedt. Met een flinke dosis sarcasme vertolkt hij de goedlachse, maar immer volgzame nazi-kolonel Von Scherbach. Ook Gil Stratton voelt zich duidelijk kiplekker in de rol van Clarence Harvey Cook of ‘Cookie’, de stotterende offscreen-verteller door wiens ogen we het verhaal volgen.
Regisseur Wilder slaagt erin om de spanning heel zorgvuldig op te bouwen. In het eerste deel wijst hij Sefton als hoofdverdachte aan door hem met de camera te viseren. Die suggestieve beeldvoering komt nog nadrukkelijker tot zijn recht in het tweede luik van de film, wanneer de charmante komedie plots omslaat in een donkere thriller. Tegelijk verhuist Sefton van de beklaagdenbank naar de detectivestoel. Samen met het hoofdpersonage gaat de kijker nu meezoeken naar relevante details en aanwijzingen in de donkere hoekjes van de muffe barak. Elke beweging en elk voorwerp wordt verdacht. Zo leren we samen met de protagonist dat de barakofficier en de informant met elkaar communiceren via minuscule briefjes in een uitgehold schaakstuk (niet toevallig opteerde noir-meester Wilder voor ‘de zwarte dame’ als medium). De aandachtige toeschouwer ziet bovendien letterlijk (!) de kink in de kabel.
Stalag 17 is doorspekt met cinefiele knipogen naar eigentijdse steracteurs. Zo zijn er de kapsones van sergeant Bagradian, die enkele geslaagde imitaties van Clark Gable, Cary Grant en James Cagney ten beste geeft. Ook de echo van Sunset Boulevard is nooit ver weg: in beide films vertolkt Holden het hoofdpersonage van de vleesgeworden antiheld (hij zou dat later nog eens overdoen in o.a. The Bridge on the River Kwai), en in beide films krijgen we een subtiele mix van drama en humor voorgeschoteld.
Wilder dartelt inderdaad tussen genres met de souplesse van een jonge hinde. Stalag 17 is een smeltkroes van filmstijlen, die zowel nagelbijtende suspens, snorrenmoppen, als oorlogsretoriek overspant. Bovendien is het geheel strak geregisseerd, en kan het scenario bogen op scherpe dialogen en een stevige cast die welomlijnde, bijna karikaturale personages neerzet. Voeg daar nog eens een strijdvaardige soundtrack (“When Johnny Comes Marching Home Again”, een compositie die later ook de makers van Dr. Strangelove inspireerde) aan toe, en je zit gebeiteld voor twee uur filmplezier. Een must-see, en niet alleen voor genrefans.