THE SONG OF SPARROWS

Kop uit het zand

Cinemien
Majid Majidi was één van de vijf internationale regisseurs die door de Chinese regering werd uitverkoren om een inleidende kortfilm over Peking te maken naar aanleiding van de Olympische Spelen 2008. Net als in zijn legendarische langspeelfilms Children of Heaven en The Color of Paradise besloot de getalenteerde Iraniër zijn verhaal door de ogen van kinderen te vertellen. In zijn nieuwste film The Song of Sparrows (Avaze gonjeshk-ha) lijkt Majidi het over een andere boeg te gooien. Alhoewel. Het hoofdpersonage is dan wel een getrouwde vader van drie kinderen, hij bekijkt de wereld met de naïviteit, de verwondering en de verlangens van een kind.

Karim is een norse huisvader die de kost verdient als struisvogelkweker op een boerderij ten westen van Teheran. Op een dag slaat één van zijn vogels op de vlucht. Getooid met een struisvogeldekentje en een ingezwachtelde tak als nek probeert hij het ontsnapte beest urenlang in de val te lokken, maar zijn stukje improvisatietheater blijkt vergeefs. Karim mag zijn boeltje pakken en andere oorden opzoeken.

Zijn besluit om zijn geluk te gaan beproeven in de hoofdstad legt hem geen windeieren. Wanneer een zakenman er achterop zijn motorfiets springt met de vraag hem naar zijn bestemming te rijden, heeft Karim zijn nieuwe roeping gevonden. Hij zal zich voortaan profileren als motortaxichauffeur in Teheran. Hoewel het stadsleven hem in aanraking brengt met de valkuilen van het materialisme en consumerisme, lijkt de protagonist niet veel keuze te hebben. Karim moet een vrouw en drie kinderen onderhouden, en bovendien heeft zijn oudste dochter een nieuw hoorapparaat van doen om haar examens te kunnen afleggen. Altruïsme wordt zijn drijfveer, hebzucht zijn lot.

Majidi schildert zijn personages al even kleurrijk en expressief als zijn landschappen. Hij verenigt de typische stijlkenmerken van de Iraanse cinema met een toegankelijke dramaturgie, personageconstructie, esthetiek en semantiek. Het is overigens in die context dat hij als enige Iraanse regisseur een Oscarnominatie (voor Children Of Heaven) op zijn palmares heeft staan. Maar Majidi kan veel meer dan het grote publiek bekoren. Als een volleerd adept van de Iraanse ‘Nouvelle Vague’ (een filmstroming waartoe o.a. ook Mohsen en Samira Makhmalbaf, Abbas Kiarostami, Jafar Panahi en Darius Mehrjui behoren) levert hij steevast kunstzinnige en intelligente films af, die bol staan van metaforen en politiek-filosofische bespiegelingen. Typisch voor Majidi zijn de krachtige maar sobere beelden, de half-trage cadans, het kleine arsenaal aan personages, en de aandacht voor het humanisme. De regisseur slaat nagels met koppen, maar hanteert trouw de fluwelen hamer. Hij wil eerder ontroeren dan choqueren. Esthetiek is zijn ethiek.

Ook The Song of Sparrows is hoogzwanger van de poëtische metaforiek. Het begint al bij de paradox in de titel van de film. Mussen kunnen immers niet zingen; ze verbeelden het onbereikbare, de hoop, een zweverig maar onuitgesproken idealisme. Maar ook de andere dieren hebben hun betekenis in het verhaal. De struisvogels symboliseren nostalgie en stabiliteit (het is de enige vogel die altijd met beide voeten op de grond staat), de goudvissen zijn vaste figuranten bij Majidi en staan voor een nieuw begin. Een nieuw begin dat ook om offers vraagt. Het beeld van de honderden spartelende goudvissen is zonder twijfel één van de sterkste scènes uit de film. Ze happen naar lucht op het droge, net zoals Karim naar lucht hapt in het verstikkende Teheran.

Laat dat nu net de allegorie zijn die de ondertoon voert. Op een herkenbare manier plaatst Majidi het stedelijk realisme tegenover de plattelandsromantiek (denk: Dovzhenko, maar met struisvogels). De stad is druk, stoffig, grauw en claustrofobisch, het platteland is pittoresk, puur en vruchtbaar. Waar we Teheran door een licht opgefokte camera in grijstinten zien, zien we het platteland met groene en geelbruine schakeringen door een panoramische lens.

De stad staat voor morele decadentie. Karim vervoert er huishoudtoestellen, elektronische apparatuur, maar vooral zakenlui die met hun gsm lijken vergroeid. Zijn motorritten reflecteren zijn karakterontwikkeling. ’s Avonds brengt hij allerlei afgedankte spullen en prullaria uit de stad mee naar huis met de bedoeling er op termijn winst uit te puren. In afwachting daarvan stockeert hij alles in zijn achtertuin, die meer en meer op een vuilnisbelt begint te lijken. Wanneer hij op een dag onder zijn eigen rotzooi bedolven wordt, is het toppunt van de kapitalistische ironie bereikt. Het met duizenden mieren gecontamineerde struisvogelei en de van Karims motorfiets rollende granaatappels – de verboden vruchten van Teheran! – blijken plots zinvolle onheilsprofetieën. Tegenover dit verderf staat de subplot van de hoop en het idealisme, waarin Karims zoon Hossein met enkele vrienden van een stinkende modderpoel een frisse visvijver wil maken.

Naast de interne symboliek bevat de film enkele subtiele knipogen naar de actuele Iraanse cinema. De ongrijpbaarheid van het hectische stadsverkeer in Teheran doet denken aan Crimson Gold van Jafar Panahi (in beide films zijn de protagonisten overigens marionetten op een motorfiets). De scène waarin Karim door de uitgestrekte velden wandelt met een blauwe deur op zijn rug roept dan weer herinneringen op aan Blackboards van Samira Makhmalbaf.

The Song of Sparrows is een film waarin alle puzzelstukjes op hun plaats vallen. Het verhaal is sober maar onderhoudend, de beelden zijn van een adembenemende schoonheid, de poëtische taal is verbluffend, en Mohammad Amir Naji vertolkt zijn rol als getormenteerde huisvader met brio (op het Filmfestival van Berlijn leverde het hem een Zilveren Beer op voor Beste Acteur). Een pareltje uit de wereldcinema.

Gezien op het 35ste Internationaal Filmfestival van Vlaanderen-Gent


Titel: The Song of Sparrows
Genre: drama
Speelduur: 1u36
Regisseur: Majid Majidi
Acteurs: Mohammad Amir Naji, Hossein Aghazi, Maryam Akbari, Kamran Dehghan