BRUSSELS INTERNATIONAAL FESTIVAL VAN FANTASTISCHE FILM

The BIFFF Chronicles

Ambience Entertainment
De hoektanden netjes bijgevijld, verstoken van zonlicht en gehuld in zwarte cape doolden de moviegids redacteurs naar aloude traditie weer in en rond Tour & Taxis. Het Brussels International Fantastic Film Festival, kortweg BIFFF, was aan zijn 27ste jaargang toe.

Rechtstreeks naar een filmtitel in dit artikel: Låt den rätte komma in (Let the Right One in) | Trailer Park of Terror | Absurdistan | Passengers | Sexykiller, Morirás por EllaFranklynLes Dents de la NuitThe Last House On The Left | The Children | Mum & Dad | Flawless | Deadgirl | Star Trek | Gosa: Piui Junggangosa (Death Bell) | OutlanderRed | Encarnação do Demônio (Embodiment of Evil) | See Prang (4Bia) | Grace | Chugyeogja (The Chaser) | Akumu Tantei 2 (Nightmare Detective 2) | Stoic | The Uninvited | Chung Oi (In Love with the Dead) | Frit Vilt II (Cold Prey 2) | Humains | Dead Snow | Splinter | My Bloody Valentine 3-DBi-Mong (Dream) | The Mutant Chronicles | Dying Breed | Yoroi: Samurai Zombie | Cyborg She | The Gene Generation

Festivalinterviews: John Cho (Star Trek) | Karl Urban (Star Trek) | Uwe Boll (Stoic) | Lucky McKee | Simon Hunter

Palmares: En de Gouden Raaf gaat naar ...

Zeggen dat de Zweedse film Låt den rätte komma in (Let the Right One in) (***½) een vampierfilm is, doet Tomas Alfredsons huzarenstukje oneer aan. De verfilming van het razend spannende boek van de Zweedse Stephen King, John Ajvide Lindqvist, is eigenlijk een sterk opgebouwde jeugdfilm rond thema’s als eenzaamheid, vriendschap en eerste liefde. Dat zijn alvast de typische jongerenproblemen waarmee de twaalfjarige Oskar worstelt. Daar komt nog eens bij: hij wordt op school gepest door een stelletje rotjochies. Alles verandert als Oskar kennismaakt met Eli, een vreemd meisje met lange zwarte haren en donkere ogen. Bijna ongemerkt sluimert een vreemd detail de film in: Eli is een vampier. Niet het soort gedrocht dat je met knoflook en kruisbeeld te lijf moet gaan. Daarvoor is ze te lief. Maar ook bijzonder tragisch. Regisseur Tomas Alfredson bouwt zijn film voorzichtig op. Zijn lange, lijzige shots in de eeuwige sneeuw van Blackeberg stuwen de film rustig vooruit. De keren dat hij plotseling uithaalt met een shot vol grafisch geweld komen des te harder aan. Toch doet hij dat maar met mondjesmaat. Alfredson heeft heel goed begrepen dat suggestie de sterkste vorm van angst uitmaakt. (hdw)

Trailer Park of Terror (*½), gebaseerd op de Imperium Comics serie, opent in een godvergeten stoffig caravanpark vol lelijke, onverzorgde, sigarenrokende mannen met lange bakkebaarden en geen manieren. Eén blond meisje, Norma, probeert zich uit het slijk der aarde los te werken. Met een beetje make-up verbergt ze haast symbolisch de tatoeage die haar bovenarm ontsiert. Het mag niet baten: haar net vriendje dat haar komt oppikken, wordt bruut op een hek gespietst. Norma gaat door het lint. Haar wraakactie op de hillbillies lijkt op een goed georchestreerd videogame. Als in een echte shoot ‘em up slalomt ze doorheen de steegjes en schiet ze iedereen met een welgemikt schot neer. Opgeruimd staat netjes. Tot jaren later een groep probleemjongeren toevallig in het trailer park terechtkomt en ontdekt dat de bewoners niet echt dood zijn. De gedegenereerde zombies zijn nog onbeschofter, havenlozer en lelijker dan hun levende pendanten… Videoclipregisseur Steven Goldmann is een potige regisseur die zijn film monteert als een clip van Metallica. Subtiliteit is niet zijn stopwoord. Hij slaat wild in het rond en amuseert zich te pletter. Af en toe slaat hij de juiste toon, maar meestal zit hij er dik naast. Met de aan stukken gereten zombie die als een arme Humpie Dumpie terug in elkaar gestoken moet worden, hebben wij alvast eens goed gelachen! (hdw)

Absurdistan (***) is wederom het bewijs dat het Brusselse International Festival of the Fantastic Film elk jaar weer de perfecte gelegenheid is om allerhande internationale parels te ontdekken die bij ons in de videotheken, laat staan de reguliere zalen, weinig tot geen kansen krijgen. De titel van deze Duits/Russische coproductie dekt de lading perfect. Absurdistan is op elk gebied dan ook een heerlijk absurde potpourri, vol frisse alledaagse humor, bizarre situaties en oprechte acteerprestaties. De film bevat weinig tot geen dialogen, maar toch slaagt iedereen de juiste emoties over te brengen. Het verhaal is tegelijk simplistisch en briljant, met een verrassend ondeugend randje. De regie van Veit Helmer (Tuvalu) is uitstekend, met een mooie fotografie en een vlot tempo. De prima speciale effecten vormen de kers op de taart van dit originele burleske sprookje. (sdr)

Originaliteit is dan weer nergens te bespeuren in Passengers (**), een dertien in een dozijn Hollywoodproduct met een verrassend sterke cast. De recent voor een Oscar genomineerde Anne Hathaway speelt een therapeute die een handjevol overlevenden (Patrick Wilson, Clea DuVall en David Morse) van een tragische vliegtuigcrash moet begeleiden. Dat klinkt niet echt spannend en dat is het ook niet. Regisseur Rodrigo Garcia (Things You Can Tell Just By Looking At Her, Nine Lives) kiest jammer genoeg liever voor de romantische kant van de verwikkelingen in plaats van de bovennatuurlijke zijde van het verhaal, waardoor de diverse genremomenten aanvoelen alsof ze er maar met de haren werden bijgetrokken. De romantiek werkt nog wel dankzij het prima acteerwerk van de gehele cast, maar dat weerhield ons er toch niet van om de zogenaamd ‘verrassende twist’ al van mijlenver te zien aankomen. (sdr)

Net als gewelddadige horrorfilms zijn ook Spaanse komedies niet voor iedereen. Regisseurs als Álex de la Iglesia of Pedro Almodóvar schuwen in hun komische films de chaotische humor niet en voeren vaak driftig ratelende hoofdpersonages op die zelfs een meester in de Zen-meditatie nog een stresspiek kunnen bezorgen. Ook Sexykiller, Morirás por Ella (**½ ) van regisseur Miguel Martí is een aanslag op de zintuigen. Naast het spervuur aan dialogen en de wild om zich heen zwaaiende personages plundert Martí lustig uit de archieven van de internationale horrorfilm (van Re-Animator, Brainscan en Night of the Living Dead tot een slimme variatie op de beroemde openingsscène uit Scream) en overgiet hij het zaakje met veel gore en stevige knipogen naar meisjesfilms als Clueless en Legally Blonde. Over het plot kunnen we kort zijn: Sexykiller Barbara studeert geneeskunde, is op zoek naar de ideale man en is in haar vrije tijd de enige vrouwelijke seriemoordenaar van Spanje. Moorden doet ze uiteraard in stijl, terwijl ze rechtstreeks tegen de camera haar levensverhaal vertelt. Het klinkt allemaal vreselijk onnozel, en dat is het natuurlijk ook, maar ondanks de chaos is Sexykiller genadeloos vermakelijk. (jw)

Wie het over futuristische thrillers heeft, maakt onwillekeurig de vergelijking met klassiekers als Metropolis, Blade Runner, Dark City en Brazil. De invloed van deze meesterwerken is zo krachtig dat elke film die zich in hetzelfde vaarwater begeeft aan zijn voorbeelden wordt getoetst. Voor regisseur Gerald McMorrow valt deze vergelijking helaas nogal nadelig uit. Zijn Franklyn (*) is visueel een lust voor het oog, maar verhalend zo slordig dat de verveling al snel toeslaat. Het plot speelt zich zowel af in onze realiteit als in een fantasiewereld genaamd Meanwhile City. Het hoofdpersonage Franklyn is in die wereld op zoek naar een voortvluchtige sekteleider die verantwoordelijk is voor de dood van een elfjarig meisje. De combinatie tussen fantasie en realiteit zorgt voor een aantal interessante momenten, maar regisseur McMorrow slaagt er niet in om de vier aparte verhaallijnen tot een coherent geheel te verweven. Ook hoofdrolspelers Ryan Philippe (als Franklyn), Eva Green en Sam Riley weten niet goed wat ze met hun rollen aanmoeten en dat doet hun acteerwerk geen goed. De ontknoping schept nog wat orde in chaos, maar toont helaas ook dat twee van de vier verhaallijnen compleet overbodig zijn. Een interessant curiosum, meer helaas niet. (jw)

Nadat het fel geanticipeerde Humains een absolute scheet in een fles bleek te zijn, hadden we bitter weinig verwachtingen voor Les Dents de la Nuit (***). De film stond aanvankelijk zelfs helemaal niet op ons programma, maar wat bleek? Deze Franstalige horrorkomedie is uiteindelijk één van de meest aangename verrassingen van dit jaar. Niet alleen werkt de perfect afgewogen mix van typisch Franse droge humor met grand guignol uitstekend, maar verder is Les Dents de la Nuit filmtechnisch erg goed gemaakt. De decors, het camerawerk, de effecten en de montage zijn stuk voor stuk vakmanschap. Bovendien hebben de cineasten Stephen Cafiero en Vincent Lobelle een erg vlotte regiestijl, met geweldige beeldovergangen en andere fraaie trucjes. Het is des te indrukwekkender dat Les Dents de la Nuit voor beide heren het debuut is. Het acteerwerk is over-the-top maar degelijk voor dit soort genrewerk, met een heerlijke rol voor Tchéky Karyo als de graaf. Het scenario is soms een beetje onnozel en niet elke grap schiet raak, maar dat kan de pret nergens drukken. (sdr)

Wes Craven lijkt steevast terug te grijpen naar internationale cineasten om zijn klassiekers te hermaken. Voor The Last House On The Left (***) kwam hij uit bij de Griekse filmmaker Dennis Iliadis, die zich enkele jaren geleden in het festivalcircuit in de kijker had gewerkt met het misdaaddrama Hardcore. Opnieuw een uitstekende gok, zo blijkt, want de remake van de gelijknamige horrorklassieker uit ’72 is een robuuste, intrigerende en strak opgebouwde wraakthriller die op veel vlakken het origineel overklast. Het acteerwerk is prima (hoewel we een zwak zullen blijven hebben voor David Hess) en Iliadis was zo slim om de overbodige subplot met de klungelige agenten te laten voor wat het was. Maar waar de nieuwe The Last House On The Left het meest in uitblinkt, is de uitermate verstikkende sfeer en messcherpe spanning. Zelden zagen we het BIFFF-publiek zo op het puntje van zijn stoel kruipen! Alleen jammer dat Iliadis, Craven en Cunningham kozen voor een tegelijk lichter en wat met de haren getrokken einde. (sdr)

Als de films Village of the Damned en The Omen ons één ding hebben geleerd, is het dat kinderen vreselijk eng kunnen zijn. En daarvoor hoeven ze niet eens veel te doen: gewoon even op het juiste moment in een deuropening gaan staan is vaak al voldoende. Ook regisseur Tom Shankland (WAZ) is zich bewust van het griezelpotentieel van onze lieftallige spruiten, maar voor hem hoeft het allemaal niet zo politiek correct te zijn. Samen met scenarist Paul Andrew Williams (The Cottage) gebruikt hij in The Children (***) het engekinderenfenomeen als uitgangspunt voor een bloedserieus griezelspektakel dat meer wegheeft van Dawn of the Dead of 28 Days Later dan van de stijlvolle klassiekers van weleer. Wat begint als een banaal familie-uitstapje naar het platteland, ontaardt met andere woorden in een strijd op leven en dood, waarbij ook de allerkleinsten niet bepaald met fluwelen handschoenen worden aangepakt. Veel plot heeft het allemaal niet (zelfs de reden voor het gewelddadige gedrag van de kinderen wordt nauwelijks verder uitgediept), maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de virtuoos opgebouwde spanningsboog en een permanent gevoel van onbehagen. Gevoelige ouders zijn echter gewaarschuwd! (jw) 

Volgens de Britse filmpers is Mum & Dad (*) een van de meest originele Britse horrorfilms van het jaar. De verwachtingen waren dus hooggespannen, maar als snel bleek dat het om niets meer dan opgeklopte hype ging. In tegenstelling tot die andere Britse horrorfilm The Children is Mum & Dad van regisseur Steven Sheil een zielloos, ongeïnspireerd maar vooral dodelijk saai video-experiment, dat noch zijn low-budgetbeperkingen noch de meest afgezaagde genreclichés kan ontlopen. We zien hoe de jonge Poolse Lena, een poetsvrouw op het vliegveld Heathrow, wordt opgepikt door Birdie en Elby, twee tieners die vlak bij het vliegveld wonen. Ze nodigen Lena uit om bij hun op bezoek te komen, maar zodra Lena hun huis binnenstapt, wordt ze tegen de grond gemept door de akelige patriarch 'Dad' , die haar vastbindt en opsluit. En dat was het. De rest van de film zien we hoe Lena door de familie psychisch wordt gekraakt en mishandeld. Een soort Texas Chainsaw Massacre eigenlijk, maar dan zonder de flair of 'weirdness' die de films in dit subgenre meestal zo kenmerken. Het fletse, digitale camerawerk doet de film trouwens geen goed en maakt die verder compleet oninteressante maakwerkje een echte nachtmerrie om uit te zitten. (jw)

De vreemde eend in de bijt op het BIFFF-programma is dit jaar Flawless (**), een uitermate statig en traag opgebouwd misdaaddrama dat zich afspeelt in het Londen uit de jaren ‘60. Filmmaker Michael Radford (B. Monkey) kiest er resoluut voor om zijn verhaal rustig te ontplooien en pakt uit met diverse lang uitgesponnen shots, waarin verder weinig gebeurt. Hoewel Demi Moore, Michael Caine en Lambert Wilson prima acteren, blijft Flawless te vrijblijvend en te grijs om indruk te maken. Bovendien mist de film spanning en dynamiek Dankzij enkele verrassende (maar niet altijd even geloofwaardige) verhaalwendingen blijft Flawless toch boeiend genoeg en verveelt de film geen moment. Toch had deze film veel beter gewerkt in het comfort van de eigen huiskamer, in plaats van op een horror en sciencefiction festival als het Brussels International Festival of the Fantastic Film. (sdr) 

Een film waar we toch best naar uitkeken was Deadgirl (**), een Amerikaanse horrorfilm die op diverse internationale festivals tegelijkertijd op bijval en controverse kon rekenen. De prent gaat over enkele weinig populaire jongeren die een zombiemeisje ontdekken in een verlaten gesticht en haar gebruiken voor allerhande perverse sekstoestanden. Het onderwerp barst van het potentieel en de insteek van de filmmakers om gewelddadige horror te combineren met coming-of-age dramatiek is hoogst origineel, maar toch werkt de film niet helemaal. De film is vaak verrassend en bevat enkele uitstekende effecten, maar al deze opgebouwde goodwill wordt snel uitgevaagd door een eenzijdig, clichérijk en soms echt onnozel scenario. Bovendien vonden de regisseurs er ook vaak niets beter op om de film te injecteren met misplaatste humor en zwalpt het acteerwerk van de cast tussen tenenkrommend en behoorlijk. (sdr)

Star Trek (***½) was de (uitgebreid aangekondigde) verrassingsfilm op het BIFFF. De zaal zat tjokvol, zo'n 1200 man, waaronder zelfs juryleden Lucky McKee en Patrick Tatopolous. Hoofdrolspelers John Cho en Karl Urban mochten nog even het podium op om de film in te leiden en een liedje te zingen. Ze waren duidelijk trots, en terecht. Star Trek is nog steeds herkenbaar als Star Trek, maar mikt ook duidelijk op een breder publiek. De statigheid van de oude films heeft plaatsgemaakt voor een luchtigere sfeer (die doet denken aan Firefly), met veel humor, actie en snedige oneliners. Het plot is misschien wat dunnetjes, maar het is wel de ideale kapstok om de vele personages aan op te hangen. De casting is uitstekend: Chris Pine en Zachary Quinto zijn geweldig als Kirk en Spock (hun pittige woordenwisselingen zijn om van te smullen), Leonard Nimoy (Spock in de oude Star Trek-reeks) heeft een verrassend grote rol en Eric Bana gaat helemaal los als überslechterik Nero. Abrams zorgt visueel voor een hoop verrassingen: de vele sets zijn indrukwekkend en het camerawerk is zwierig zonder in Transformers-achtige chaos te hervallen. Erg sterk is ook de manier waarop regisseur J.J. Abrams en zijn scenaristen erin zijn geslaagd om de reeks opnieuw op te starten, zonder de ingewikkelde tijdslijnen van de originele series en films te moeten doorbreken. En een scène behoort nu al tot de leukste filmmomenten van het jaar: de eerste kennismaking met de jonge Kirk. Op de vlucht voor de politie in de gestolen auto van zijn stiefvader, terwijl 'Sabotage' van de Beasty Boys keihard uit de boxen knalt. Misschien geen Star Trek zoals we het gewend zijn, maar genieten is het wel. (jw)

Gosa: Piui Junggangosa (Death Bell) (**) is een hoogst merkwaardige Zuid-Koreaanse kruising tussen een Japanse horrorfilm en een Amerikaanse horrorthiller. Oplettende kijkers zullen de vaste ingrediënten wel herkennen: de enge meisjes met zwart lang haar die uit het niets opduiken zijn typisch Japans; de martelscènes en ingewikkelde puzzels en plotwendingen lijken zo weggelopen uit een Saw-film. Regisseur Chang is in eigen land een veteraan met honderden videoclips op zijn actief en maakt met Death Bell zijn regiedebuut. Hij heeft een scherp oog voor mooie plaatjes, maar echt veel sfeer creëert hij niet. Daarvoor ligt het tempo net iets té hoog en zijn de personages te plat. Bij het oplossen van de lugubere puzzels vormt de cultuurkloof bovendien een groot probleem: het Westerse publiek kan gewoon niet meedenken, en de oplossingen lijken dus volledig uit de lucht gegrepen. De fijne twist op het einde vormt uiteindelijk nog een welkome verrassing, maar helaas is Death Bell geen film die grote oversteek heeft overleeft. (jw)

Op het BIFFF komen we wel vaker vreemde kruisbestuivingen tegen. Nadat regisseur Neil Marshall vorig jaar postapocalyptische Blade Runner-toestanden combineerde met mutanten en ridders te paard in Doomsday, is het dit keer de beurt aan Howard McCain om allerlei genres in de mixer te gooien. Zijn ingrediënten? Sciencefiction, monsters en Vikings. Ook dit is geen voor de hand liggende combinatie, maar McCain bakt er met gemak een avontuurlijk en vooral spannend actieavontuur van. We zien hoe Kainan (gespeeld door Jezus himself, Jim Caviezel) met zijn schip op een vreemde planeet landt en wordt opgepakt door een bende wilde Vikings. Zij denken dat Kainan een heel dorp heeft uitgemoord en willen hem de kop afhakken. Tot ze ontdekken dat de slachtpartij de schuld is van een vreselijk monster. Voor regisseur McCain was deze Outlander (**½) een heus droomproject en dat is eraan te zien. De speciale effecten en decors zijn een lust voor het oog, het monster (ontworpen door Patric Tatopolous) even origineel als angstaanjagend en de cast (waaronder John Hurt en Ron Perlman) amuseert zich uitstekend. Helaas is Outlander net iets té lang om de hele speelduur te blijven boeien en beginnen de clichématige personages na verloop van tijd wat op de zenuwen te werken. Maar dat maakt deze frisse film er gelukkig niet minder genietbaar op. (jw)

Regisseur Lucky McKee is een graag geziene gast op het BIFFF. Uit waardering voor zijn geprezen debuut May en zijn Masters of Horror-bijdrage Sick Girl mocht McKee dit jaar in de jury zetelen én meteen zijn nieuwe film komen voorstellen. Volgens McKee is Red (***) een film over “de verantwoordelijkheden die ouders hebben tegenover hun kinderen”. Red gaat van start met een schijnbaar zinloze gewelddaad: drie jongeren schieten zonder aanwijsbare reden de hond dood van de gepensioneerde oude Ludlow (Brian Cox). Ludlow pikt dit niet en roept de vader van de jongens (Tom Sizemore) tot de orde. Die wil echter niets weten van de “leugens” van Ludlow, en beetje bij beetje begint de zaak te escaleren. Voor het script baseerde regisseur McKee zich op het gelijknamige boek van Jack Ketchum en liet zich voor de regie bijstaan door de Noor Trygve Allister Diesen. De ongebruikelijke samenwerking werpt zijn vruchten af: Red blijft ondanks het schamele budget, het fletse camerawerk en een nutteloos subplot makkelijk overeind. Dat is niet in kleine mate de verdienste van Brian Cox, die als Ludlow een bijzondere acteerprestatie neerzet. Hoogtepunt is ongetwijfeld de ontroerende monoloog over de dood van zijn vrouw en zoon. Die scène werd in één onafgebroken opname gefilmd, de camera enkel gericht op Cox. Tien minuten kippenvel. (jw)

In bepaalde kringen geniet de obscure Braziliaanse regisseur José Mojica Marins een cultstatus. De man met de krankzinnig lange nagels en de hoge hoed maakte in de jaren '60 een aantal experimentele horrorfilms (de zogenaamde Coffin Joe-films), die met de opkomst van de video ook in onze contreien bekend werden. Eerlijk gezegd hadden wij nog nooit van hem gehoord, en na het zien van dit prul begrijpen we ook waarom. Encarnação do Demônio (Embodiment of Evil) (*) (officieel het derde deel in die Coffin Joe-reeks) is een ondoorzichtige hutspot van occulte rituelen, seksistisch geweld, gratuite marteltaferelen en hersenverlammend slecht acteerwerk. Grootste boosdoener is Marins zelf, die als Coffin Joe overacteert dat het een lieve lust is terwijl hij ondertussen allerlei mooie vrouwen bepotelt. Filmtechnisch is Embodiment of Evil verrassend genoeg wel prima. Het camerawerk is vaardig, de speciale effecten redelijk en als toemaatje herbruikt Marins een aantal scènes uit de oude Coffin Joe-films. Alleen jammer dat net die flashbacks tot de leukste momenten van de film behoren. Voor de rest is Embodiment of Evil de vleesgeworden wensdroom van een vieze oude man. (jw)

See Prang (4Bia) (**½) (spreek uit als 'fo-bia') is een compilatie van vier korte horrorfilms waarin een aantal jonge Thaise regisseurs hun talent mogen etaleren. Zoals wel vaker bij dit soort films zijn de bijdragen van gemengde kwaliteit, maar 4Bia bewijst wel dat er in Thailand nog genoeg nieuw talent te vinden valt. 4Bia opent met Loneliness (***), een slimme variant op de openingsscène van Scream, waarin een meisje vreemde sms-berichtjes krijgt van een onbekende en plots wordt opgejaagd door een onzichtbare dreiging. De spanningsboog staat ongelooflijk strak gespannen, maar helaas heeft het verhaaltje een nogal rommelige twist, waardoor je toch wat op je honger blijft zitten. Hetzelfde geldt voor In The Middle (**½), waarin drie filmgekke jongens na een ongeluk met een raft worden opgejaagd door het spook van hun overleden vriend. Gelukkig wordt dit filmpje nog overeind gehouden door de gekke humor en een paar goedgemikte schrikmomenten. Dat kan helaas niet worden gezegd van Tit For Tat (*), een slordig in elkaar geflanst verhaaltje over een gepeste jongen die wraak neemt op een groepje bullebakken. Op zich een prima uitgangspunt natuurlijk, maar de chaotische montage en matige cgi maken dit het minst genietbare deel van het vierluik. Gelukkig wordt 4Bia in schoonheid afgesloten met Last Fright (****), het waarlijk bloedstollende verhaal van een stewardess die tijdens de vlucht het lichaam van een overleden prinses moet bewaken. En uiteraard wil het lijk maar niet op zijn plaats blijven zitten. De vaardige, soepele uitwerking doet denken aan de kortverhalen van Stephen King, en voor de verrassende clou zou zelfs grootmeester Roald Dahl nog een glimlach overhebben. Ja, er gebeurt wat in Thailand. (jw)

Het BIFFF is niet alleen een ode aan de fantastiek, het is ook een uitgebreide staalkaart van wat er over heel de wereld allemaal gebeurt in het genre. Momenteel zorgen vooral Zuid-Korea, Australië, Frankrijk, Spanje en Thailand voor frisse nieuwe ideeën waardoor ook andere filmmakers zich laten inspireren. Behalve dan de Amerikanen. Want daar lijkt de vernieuwingsdrang helemaal zoek. Op remakes van succesvolle genrefilms na beperken de nieuwe Amerikaanse releases zich tot sequels en duizend-in-een-dozijn thrillertjes. Ook Grace (*) hoort helaas thuis in dat rijtje. Regisseur Paul Soret scoorde een aantal jaar geleden een bescheiden succesje met de gelijknamige kortfilm en harkte vervolgens het budget bij elkaar om er in ware Sean Ellis-stijl een langspeelversie van de maken. Helaas is het resultaat van een bedroevend laag niveau. Soret slaagt er niet in om zijn film ook maar een beetje pit te geven, met als gevolg dat Grace het niveau van een oersaai tv-thillertje nooit overstijgt. De premisse van Grace (een moeder ziet haar dode baby plots weer tot leven komen) is nog best aardig, maar er zit gewoon te weinig vlees aan om er anderhalf uur mee te vullen. (jw)

Op het eerste gezicht lijkt Chugyeogja (The Chaser) (*** ½) in dezelfde vijver te vissen als het veelgeprezen Memories of Murder van Joon-ho Bong. Gelukkig gaat die vergelijking niet helemaal op, en regisseur Hong-jin Na kiest resoluut voor een andere insteek. In The Chaser zien we hoe een pooier op zoek gaat naar een verdwenen hoertje en per toeval op het spoor komt van een seriemoordenaar. Hij slaagt er zelfs in de maniak in te rekenen en over te dragen aan de politie, maar dan stuit hij op een onverwachts probleem: er zijn geen bewijzen, wat betekent dat de vermoedelijke moordenaar slechts 12 uur vastgehouden kan worden. En wat de politie niet weet, is dat hij een van zijn slachtoffers nog levend bij hem vasthoudt. Dit vormt het startschot voor een meeslepende race tegen de klok waarbij debuterend regisseur Hong-jin Na meteen zijn kwaliteiten als verteller toont. Hij jongleert moeiteloos met de verschillende verhaallijnen, en geeft uiteindelijk de genadeslag met een bloedstollende ontknoping die zelfs de meest doorgewinterde genrefan niet had zien aankomen. (jw)

Dat regisseur Shinya Tsukamoto niet vies is van een experimentje wisten we al langer. De man werd bekend met films als Tetsuo, A Snake of June en Vital, en ook de eerste Nightmare Detective werd op het BIFFF goed ontvangen. Het was dan ook een van Tsukamoto's meer toegankelijke films: een klassieke Japanse tienerthriller doorspekt met wat surrealistische elementen. Voor de sequel Akumu Tantei 2 (Nightmare Detective 2) (*) gooit Tsukamoto het echter over een totaal andere boeg en gaat hij weer de experimentele toer op. En da's jammer, want Nightmare Detective 2 is zo rommelig, dat we in het programmaboekje moesten lezen waar het nu precies over ging. Het heeft iets te maken met een meisje dat via haar dromen wraak neemt op haar klasgenootjes die haar in een schuur hebben opgesloten, maar hoe de vork verder precies in de steel zit, laat Tsukamoto het publiek ontdekken. Hij vindt het leuker om op de kijker in te hameren met chaotisch camerawerk, desoriënterende montage en willekeurige droomsequenties. Toegegeven, een aantal scènes zullen ons bijblijven (zoals de Nightmare Detective die letterlijk uit een van de hoofdpersonages komt gekropen), maar enkel de allergrootste Tsukamoto-fans zullen aan deze beeldenbrij plezier kunnen beleven. (jw)

De vaste bezoekers van het BIFFF zijn ongetwijfeld vertrouwd met het werk van regisseur Uwe Boll. De man maakte naam met onbeschrijfelijk slechte verfilmingen van videogames en werd al snel een van de paria's van de filmindustrie. Met zijn nieuwste thriller Stoic (**) probeert hij zijn reputatie weer wat te herstellen. Daarvoor zocht hij vier jonge acteurs bij elkaar (waaronder Edward Furlong, bekend als John Conner uit Terminator 2) en sloot hen zes dagen lang op in een nagebouwde gevangeniscel om hen het verhaal te laten naspelen van drie gevangenen die hun celgenoot op gruwelijke wijze mishandelen en uiteindelijk vermoorden. Verrassend genoeg laat Boll zien dat hij tot meer in staat is dan het belachelijk maken van Hollywoodsterren: het verhaal heeft pit, het (volledig geïmproviseerde) acteerwerk is uitstekend en het psychologische en fysieke geweld komt hard aan. Het enige probleem met Stoic is dat er geen maat op staat: zeker naar het einde toe is de film dermate luguber, nihilistisch en afstompend (om nog maar te zwijgen van de misselijke verkrachtingsscène), dat Boll de zorgvuldig opgebouwde goodwill weer verspeelt. Vooral omdat hij vertikt het geweld en de personages wat beter te kaderen. Maar toch (en dat mag gezegd), zijn aanpak werkt. En da's al meer dan we hadden verwacht. (jw)

Een remake van Ji-woon Kim’s A Tale Of Two Sisters? Ai, dat liet lange tijd het slechtste vermoeden. Gelukkig maken de jonge Britse regisseurs Charles en Thomas Guard er geen rommeltje van. Ze benaderen het originele verhaal met het nodige respect, maar bewijzen zich ook als getalenteerde regisseurs die heus wel weten hoe ze een scène spannend moeten maken. The Uninvited(**½ ) vertelt het verhaal Anna, die na een verblijf in een instelling eindelijk weer naar huis mag. Daar aangekomen, moet ze toezien hoe de vroegere verzorgster van haar moeder nu een stel vormt met haar vader. De vrouw blijkt een waas van mysterie over zich te hebben. Heeft zij misschien iets met de dood van Anna’s moeder te maken? Wie A Tale Of Two Sisters zag, weet dat het mooi uitgekiende scenario pas in de laatste tien minuten alle geheimen prijsgeeft in een ultieme twist die al het voorgaande op losse schroeven zet. Echt origineel is het door de Guard Brothers opgevoerde trucje niet, maar het werkt gelukkig wel. Lees ook de uitgebreide recensie! (hdw)

Het BIFFF zou niet compleet zijn zonder minstens één film van het bijzonder productieve Thaise regisseursduo de Pang Brothers (Bangkok Dangerous, The Eye). Voor Chung Oi (In Love with the Dead) (***) stond Danny Pang dit keer alleen achter de camera, bijgestaan door zijn broer Oxide als producent. En het levert opnieuw een unieke, eigenzinnige film op. In Love with the Dead is geen horrorfilm in de meest strikte zin van de betekenis, wel een romantisch drama met een aantal goed gedoseerde bovennatuurlijke elementen. De typische Pang-stijlkenmerken (flamboyant camerawerk, pompende muziek) zijn zelfs grotendeels afwezig en worden enkel tijdens de zinderende finale even uit de kast gehaald. Het meest opvallende aan In Love with the Dead is echter hoe vaardig de Pangs de pakkende (en bijzonder sterk geacteerde) dramatische verhaallijn combineren met de bovennatuurlijke elementen, zonder daarbij voor een stijlbreuk te zorgen. (jw)

Frit Vilt II (Cold Prey 2) (***) is het directe vervolg op de uitermate succesvolle Noorse ‘slash & stalk’-prent uit 2006. De eerste was een sfeervolle, spannende en vooral technisch goedgemaakte horrorprent, maar toch vonden we de film net iets te glad om echt tot het ultieme “slasherpantheon” toegelaten te worden. De debuterende Mats Stenberg bewijst echter opnieuw dat sommige sequels beter kunnen zijn dan het origineel en levert een spannende en intense horrorfilm af. Het budget was veel groter, wat resulteert in een boel ambitieuze panorama’s en geweldige speciale effecten, maar toch bewaart Stenberg genoeg rauwe kracht om de film net dat scherpe randje te geven dat het origineel miste. Bovendien weet de regisseur enkele geweldige visuele vondsten uit zijn mouw te schudden, die de spanning naar ongekende hoogte brengen. (sdr)

Nu de Franse horrorfilm zijn welverdiende renaissance beleeft (met klappers als Frontière(s), A L'Interieur en Martys) mag u het ons niet kwalijk nemen dat ook wij ons van alles voorstelden bij de horrortriller Humains (*). Alle ingrediënten waren immers aanwezig, van een klassieke horrorpremisse (een groepje wetenschappers verdwaalt in de Alpen) tot een debuterend regisseursduo dat wel eens zou uitpakken met allerlei schokkends. Helaas is Humains een misser van formaat: regisseurs Molon en Thevenin slagen en niet in om ook maar een grammetje sfeer te creëren en krijgen de wild schmierende cast nooit onder controle (zelfs Dominique Pinon weet zich geen raad met zijn suffe dialogen). En na een uurtje doelloos gedwaal door de bergen moet het ergste nog komen: de monsters. Geen kannibalen, mutanten of marsmannetjes deze keer, maar… ja u leest het goed, neanderthalers! Op zich verrassend (wat dàt hadden we nog nooit gezien), maar zodra de eerste verbazing is verdampt, blijkt ook deze gimmick de film niet te kunnen redden. Nee, Humains doet de evolutie van de Franse horrorfilm geen goed. (jw)

In Dead Snow (***) zorgt een oude goudschat ervoor dat een bataljon rottende soldaten een gezellig tripje van een groepje geile tieners laat uitdraaien op een helse overlevingstocht. De Noorse zombiefilm houdt de tong gedurende heel de film stevig in de kaak geplant, met enkele slimme referenties naar diverse horrorklassiekers. Terwijl de humor niet altijd even fijnbesnaard is, slaagt Tommy Wirkola er toch mooi in om een netjes afgewogen mix tussen horror en komedie te vinden. Het eerste deel is bij momenten best angstaanjagend en sfeervol, terwijl het bloed feestelijk in het rond spuit in de tweede act. De overigens vakkundig gecreëerde ingewanden en ledematen hebben sinds Peter Jackson’s Braindead niet meer zo feestelijk rondgezwierd als in Dead Snow. Wat kan tellen als een referentiepunt. (sdr)

De Engelsen draaien sterke horrorfilms. Ze huisvesten jonge, talentvolle regisseurs met meer visie dan geld. Dat dwingt hen tot inventieve scenario’s en maar precies zoveel speciale effecten als nodig zijn. Ze hebben tijd noch geld om grootse, wild om zich heen slaande concepten uit te denken. Die strikte focus speelt ook in het voordeel van Splinter (***), het sterke langspeelfilmdebuut van Toby Wilkins, eerder al verantwoordelijk voor de visuele effecten van onder meer Red Dragon en Bulletproof Monk. In Splinter zet hij drie pionnetjes vast in een kleine supermarkt op de vlucht voor een uit de kluiten gewassen egelachtig ding, de splinter uit de titel. Veel verklaring over het hoe en waarom van deze parasiet krijgen we niet. Wilkins focust zich eerder op de menselijke relaties en verstandhoudingen tussen een softe bioloog (Paulo Costanzo), een damsel in distress die echter wel van aanpakken weet (Jill Wagner) en een misdadiger op de loop (Shea Whigham). Wilkins baadt zijn film in een seventies sfeertje en laat zijn personages heerlijk ouderwets aan de slag gaan met alle materiaal dat ze in de supermarkt vinden. Af en toe kan de regisseur het niet laten behoorlijk uit de bocht te glijden, maar met een perfect uitgekiende soundtrack, sterke acteerprestaties en een oerdegelijke regie kiest hij toch subtiliteit boven ranzigheid in deze The Mist-kloon met een groen randje. (hdw)

De befaamde Fantastic Night start dit jaar stevig met My Bloody Valentine 3-D (**½), de remake van de onderschatte horrorklassieker uit ’81. Hoewel de film helaas in 2-D getoond wordt en het vanaf de eerste shots duidelijk wordt dat het verhaal (en Patrick Lussiers regie) in dienst staan van de 3-D gimmick, gaat het dak van het Tour & Taxis gebouw er compleet af. Vergeet de halfzachte remake van Friday The 13th van enkele maanden geleden, want de moderne herwerking van My Bloody Valentine blaast deze op alle vlakken uit het water. De film heeft het genrehart duidelijk op de juiste plaats, met bakken sfeer, ontelbare creatieve moordscènes en een iconische killer die je adem regelmatig doet stokken. De film raast voorbij met het tempo van een achtbaanrit en is ook te vergelijken met een wilde attractie in één of ander pretpark. De loeiharde soundtrack, de montage met de snelheid van het licht en de ‘easy on the eyes’-casting zijn er dan ook allemaal om de zintuigen op de juiste manier te bespelen. Snel vergeten, maar o-zo leuk horrorvertier! (sdr)

De Zuid-Koreaanse regisseur Kim Ki-Duk geniet ook bij ons een stevige reputatie. En terecht, want met films als The Isle, Spring Summer Fall Winter Spring en vooral Bin-Jip bewees Ki-Duk dat hij over uitzonderlijk veel talent beschikt. Helaas zijn geen van deze superlatieven van toepassing op zijn nieuwste prent Bi-Mong (Dream) (*). In tegendeel zelfs: Dream is dermate onnozel dat je je soms afvraagt of je wel écht naar een film van Ki-Duk zit te kijken. Alle vaste ingrediënten zijn aanwezig (inclusief loodzware thema's als schuld en boetedoening), maar worden op zo’n puberale, onhandige manier gepresenteerd dat je als kijker soms onwillekeurig in de lach schiet. Zelfs het interessante uitgangspunt (de bovennatuurlijke band tussen een man en een vrouw die zich manifesteert via dromen) en één ijzersterke scène (een ruzie waarbij vier hoofdpersonages voortdurend van lichaam verwisselen) is niet genoeg om dit slaapverwekkende, stuurloze en groteske rommeltje nog enigszins genietbaar te maken. (jw)

We hadden het niet verwacht maar pulpregisseur Uwe Boll heeft er een concurrent bij. Zijn naam is Simon Hunter en zijn nieuwste “epos” The Mutant Chronicles (*½) is een overrijp samenraapsel van onnozelheden waar Dr. Boll jaloers op zou zijn. Het verhaal speelt zich af in de verre toekomst, en gaat over een of andere legendarische machine die gewone mensen in gruwelijke monsters verandert. Prima voer voor een rechttoe-rechtaan genrefilm, ware het niet dat Hunter er op geen enkel moment in slaagt om het boeltje wat bij elkaar te houden. Het grootste probleem zit hem in de slechte casting (Ron 'Hellboy' Perlman als priester, gelooft u het zelf?), de warrige montage, de middelmatige speciale effecten en debiele dialogen (de filosofische monoloog van Perlman over het bestaan van God is om te gieren). The Mutant Chronicles heeft gelukkig wel voldoende vaart om niet te gaan vervelen, en hoofdrolspeler Thomas Jane zet opnieuw een prima prestatie neer. Alleen jammer dat het niet zo opvalt tussen al dat lawaai. (jw)

Geen BIFFF zonder een zoveelste variant op The Texas Chain Saw Massacre. Uit Australië dit keer. Op het eerste gezicht verschilt Dying Breed (**½) weinig van zijn talloze voorgangers en debuterend regisseur Jody Dwyer maakt gretig gebruik van de ingrediënten die dit subgenre zo typeren: jongeren die er alleen op uit gaan in een onbekende omgeving, autopech, een geheimzinnige verdwijning en achterdochtige dorpsbewoners die het zaakje niet vertrouwen. Gelukkig slaagt Dwyer erin zijn film voortdurend spannend te houden. Net als landgenoot Greg McLean (Wolf Creek) neemt hij voldoende tijd om de toon te zetten en zorgt hij ervoor dat zijn hoofdpersonages geen al te debiele dingen doen (al kunnen ook zij het niet laten om er alleen op uit te gaan terwijl ze beter bij elkaar zouden blijven). Het venijn van Dying Breed zit hem echter in de staart. De aandachtige kijker ziet de twist misschien al van ver aankomen, maar de ultieme ontknoping zal zelfs de meest doorgewinterde genrefan doen huiveren. (jw)

Regisseur Ryûhei Kitamura is een van de grote helden van de BIFFF-meute. Met Aragami viel hij een paar jaar geleden in de prijzen en zijn andere films werden in Brussel steevast goed onthaald. Ook achter de schermen is Kitamura productief, al is zijn script voor deze Yoroi: Samurai Zombie (*½ ) helaas geen uitblinker. Want hoe krankzinnig het uitgangspunt ook mag zijn (een eeuwenoude samoerai wordt tot leven gewekt door een zelfmoord op zijn graf), Kitamura verspilt eindeloos veel tijd met misplaatst geneuzel over lotsbestemming, dood en liefde, terwijl we eigenlijk (we geven het toe) zitten te wachten op een gevecht met die zombie. Regisseur Tak Sakaguchi (de ster van het gelijkaardige zombie-samoerai-epos Versus) weet gelukkig wel hoe hij een actiescène moet inblikken en schuwt de typisch Japanse geweldtaferelen niet: afgehakte ledematen, hoofden die rondvliegen als champagnekurken en gigantische fonteinen bloed. Helaas sleept de rest van de film zich voort als een zombie op prozac en maakt een reeks flashbacks op het einde het verhaal nog rommeliger dan het al was. (jw)

Gelukkig blijkt de nieuwste borreling van Jae-young Kwak (My Sassy Girl) het perfecte tegengif voor al de voorgaande nonsens. Cyborg She (***) is een hartverwarmende mix van de meest uiteenlopende filmgenres die je je maar kan inbeelden. De film start als een charmante romantische komedie met het beeldschone Japanse glamourmodel Haruka Ayase in de hoofdrol. Kwak laat het verhaal rustig openbloeien, terwijl Ayase bewijst een sterke ‘leading lady’ te zijn. Net als je denkt dat je in een mooi, maar alledaags stationsromannetje verzeild bent geraakt, steekt de eigenzinnige cineast/scenarist van wal met enkele pittige actie- en sciencefictionscènes om even later te eindigen in een onvervalste rampenfilm. Dankzij de scherpe pen van Kwak, zijn inventieve regie, de frisse humor en het uitstekende acteerwerk, laat je jezelf gewoon meevoeren in deze soms vreemde kruisbestuiving van allerhande genres. Zo goed zelfs, dat je het de regisseur helemaal vergeeft dat de film een handvol eindes kent. (sdr)

The Gene Generation (*) was de eerste BIFFF-productie die we dit jaar op ons bord kregen en we hoopten al na vijf minuten dat dit geen indicatie zou zijn voor de rest. Het filmdebuut van Pearry Reginald Teo is namelijk een half gebakken allegaartje van betere sciencefiction- en genrefilms zoals Underworld, The Crow en The Matrix, maar dan met een fractie van het budget en talent. Bai Ling staat wat sexy te wezen, terwijl de rest van de cast, in lachwekkende outfits, klungelt dat het niet mooi meer is. De dialogen zijn opgeklopte onzin en terwijl de regisseur zich compleet laat gaan in een explosie van amateuristische CGI-effecten, is het enige dat echt blijft hangen de blote reet van Bai Ling. (sdr)


De 27ste editie van het Brusselse International Festival of the Fantastic Film loopt van 9 tot en met 21 april. Alle info: http://www.bifff.net