TAKING WOODSTOCK

Een routineus tussendoortje

Kinepolis Film Distribution
De veertigste verjaardag van het legendarische muziekfestival in Woodstock is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Na de tientallen heruitgezonden documentaires is er nu de frustrerende film van Ang Lee die de hippiedriedaagse vanaf de zijlijn bekijkt.

Taking Woodstock is de verfilming van een boek van Elliot Teichberg en Tom Monte. Die Teichberg is de man die het festival min of meer redde. Oorspronkelijk zou het massaconcert plaatsvinden in het plaatsje Wallkill maar de onderhandelingen met de plaatselijke autoriteiten liepen vast. Teichberg pakte zijn telefoon, belde de organisatoren en haalde het festival naar zijn eigen dorp.

Het onooglijke Bethel is de plaats waar Elliot Teichberg – tegenwoordig gebruikt hij zijn veramerikaniseerde naam Tiber – opgroeide met zijn uit de voormalige Sovjet-Unie joodse ouders. Ze baten er El Monaco uit, een half vervallen hotelletje dat veel te weinig klanten heeft om winstgevend te zijn. Elliots eigen carrière als binnenhuisarchitect loopt al evenmin gesmeerd. In de gegeven omstandigheden is het idee om het Woodstockcircus naar Bethel te halen dus niet eens zo dwaas. Wat Elliot, zijn ouders, buren en medebewoners van Bethel op dat moment nog niet weten, is dat er meer dan één miljoen muziekliefhebbers hun dorp zullen overspoelen. Bethel zelf telt hoop en al 5000 inwoners.

Een film over Woodstock zonder muziek? Ang Lee heeft hem gemaakt. Zijn film biedt zelfs geen blik achter de schermen van het festival maar toont vooral wat er naast de festivalweide gebeurt. Hoofdpersonage Elliot Teichberg speelt namelijk maar een erg beperkte rol in de spectaculaire ontstaansgeschiedenis van het festival. Hij heeft een telefoontje gedaan en was een paar weken de verbindingspersoon tussen de festivalorganisatie en de lokale bevolking. Ook na het festival heeft hij nauwelijks iets gepresteerd dat het vermelden waard is. Teichbergs ervaringen zijn eigenlijk niet interessant genoeg om een film over te maken. Ang Lee is dan ook snel uitverteld. Het verhaaltje over het treurige hotel is flauw. De fletse vertolking van Demetri Martin maakt het banale personage alles behalve boeiender.

Over de echte initiatiefnemers van Woodstock komen we al evenmin iets te weten. Grote baas Michael Lang (gespeeld door Jonathan Groff) komt redelijk sympathiek over maar heeft te weinig scènes om over hem een gefundeerde mening te kunnen vormen. Eventjes suggereert de film dat de drijvende krachten achter de onderneming veeleer gewiekste ondernemers waren dan de peace, love and understanding-types die ze pretendeerden te zijn. De film gaat er jammer genoeg niet dieper op in.

Zo raakt Taking Woodstock halvelings een heleboel potentieel interessante onderwerpen aan: vrije liefde, drugs, protest tegen de oorlog in Vietnam, antisemitisme, homoseksualiteit, ondernemerschap, vrijheid blijheid en voor de rest alles dat van dicht of ver geassocieerd kan worden met de hippiebeweging aan het eind van de jaren zestig.

Ang Lee toont het allemaal maar hij vangt er niets met aan. Zijn film is de oppervlakkigheid zelve. Het vrijblijvende karakter past natuurlijk perfect bij de tijdsperiode waarin de film zich afspeelt. In die zin is de keuze te verdedigen. De camera zwerft rond het festivalterrein. Het is allemaal om de sfeer te doen. Taking Woodstock is een lange opeenstabpeling van scènes met een beperkte dramatische opbouw. Lee observeert en registreert, zapt dan vlug naar een ander tafereeltje.

Hij laat de kijker op zijn honger. Bij het gedeelte over de praktische problemen – er zijn te weinig wc's, het terrein is moerassig, bij regenweer dreigt het publiek geëlektrocuteerd te worden – krijgt het verhaalt schwung maar het duurt niet lang.

Ook al is het niet het hoogtepunt uit zijn carrière, toch is de Ang Lee-touch onmiskenbaar aanwezig. Dit is de dubbele strijd van de outsider tegen de niet-begrijpende buitenwereld. Enerzijds is Teichberg de jonge gast met diploma's die in tegenstelling tot zijn achterlijke dorpsgenoten beseft dat er iets unieks staat te gebeuren. Ten opzichte van de Woodstock-crew is hij de naïeve boerenpummel. Het is wat schematisch uitgewerkt maar het is en blijft een dankbaar thema waar Lee als geen ander raad mee weet. Hij houdt het tempo hoog genoeg en pakt een paar keer flink uit met magische taferelen. Het element dat het beste uit de verf komt, is de gestage toestroom van muziekliefhebbers. Ze druppelen Bethel binnen tot het dorpje meer dan overbevolkt is.

Mocht Taking Woodstock niet door een gerenommeerde regisseur zijn gedraaid dan was hij waarschijnlijk nooit uitgebracht zijn in Europa. Hij is zeker bekijkbaar, bij vlagen amusant maar weinig meer dan dat. De karikaturale portrettering van de inwoners van Bethel en vooral van Elliots gierige moeder is ver beneden Ang Lee's niveau. Het ontbreekt de film aan spanning, persoonlijk conflict en drama. De grootmeester draaide op routine en dat is te duidelijk te merken. Er zijn te veel beelden en te weinig film.