De komst van de nieuwe festivaldirecteur Ivan Corbisier is niet onopgemerkt voorbijgegaan. De competitie is nu opengesteld voor alle Europese films, niet langer alleen voor eerste en tweede films van Europese regisseurs. Het spannende aspect van de vorige edities in daardoor verdwenen. De filmweek in Brussel was ieder jaar een uitstekende gelegenheid om cinefiele ontdekkingen te doen, nieuwe trends te ontwaren en kennis te maken met voorheen onbekende regisseurs, acteurs en actrices.
Het voordeel is dan weer dat de programmatie minder wisselvallig is. Het publiek weet waar het zich aan kan verwachten. Het is misschien een tikkeltje berekender en minder avontuurlijk maar welke filmliefhebber zal daar over klagen als de nieuwe films van György Pálfi en Mika Kaurismäki te zien zijn? Moviegids focust op de competitiefilms die meer dan waarschijnlijk niet bij ons gereleased zullen worden.
Magisch filmduo
De twee belangrijkste prijzen werden gewonnen door een Spaanse en een Nederlandse film. Yo tambièn van Alvaro Pastor en Antonio Naharro won de algemene competitie. Alles Stroomt van Danyael Sugawara werd uitgeroepen tot beste debuutfilm.
Met Yo Tambièn bekroonde de jury de meest klassieke film. Er valt niets op af te dingen. Yo Tambien is een heel integer tragikomisch liefdesdrama waarin Pablo Pineda en Lola Dueñas een magisch filmduo vormen. Dueñas won met haar rol haar tweede Goya. Haar eerste kreeg ze voor Mar Adentro. Ze speelt nu Laura, een bediende op een overheidsdienst werkt die mindervaliden helpt zich te integreren in de maatschappij. Ze is het buitenbeentje van haar afdeling. Haar geblondeerde haar is zelden gekamd, ze rookt als een Turk en van haar blouse is altijd één knoopje teveel open. Ze leeft in totale vrijheid. Sinds ze op haar achttiende naar Sevilla kwam, heeft ze geen contact meer met haar familie in Madrid. Overdag redt ze de wereld. Na de werkuren zoekt ze vooral vluchtig vertier. Ze fladdert door haar leven zonder met iets of iemand rekening te houden. Wanneer ze op kantoor wordt aangeduid om de 34-jarige Daniel in te werken, verandert haar leven.
De film is min of meer gebaseerd op het leven van Pablo Pineda, de eerste Europeaan met het downsyndroom die een universitair diploma haalde. Pineda speelt zichzelf en werd voor zijn vertolking bekroond op het filmfestival van San Sebastián. Zijn personage is een pientere kerel gezegend met een heerlijk droog gevoel voor humor. Dat de twee buitenbeentjes elkaar vinden is niet zo verrassend. De manier waarop wel. Laura en Daniel zijn elkaars gelijken. Ze maken lol, drinken koffie en ergeren zich samen aan de bureaucratie op hun werk. Dat hun vriendschap zo geloofwaardig overkomt heeft alles te maken met de chemie tussen Pineda en Dueñas. Zij nemen moeiteloos alle twijfel weg die gepaard gaat met die soort films. Laura doet normaal tegen Daniel. Hij doet zo normaal mogelijk tegen Laura. Hun spontane, natuurlijke vertolkingen houden valse sentimentaliteit ver uit de buurt.
Dat Laura Daniel op dezelfde manier behandelt als haar andere vrienden, is de kiem van een probleem dat hun vriendschap op de helling zet. Hij wordt verliefd op haar. Kwalijk kan je hem dat niet nemen. Laura is een ferme, sterke vrouw. Er zijn in de film wel meer mannen die naar haar gunsten dingen. Hoe houdt ze Daniel op afstand? Hoe kan ze hem duidelijk maken die ze hem niet wil zonder dat hij denkt dat het downsyndroom de oorzaak is van de afwijzing?
Het intelligente scenario toont een pijnlijke paradox: hoe meer mensen zoals Daniel zich integreren in de normale wereld, hoe meer ze merken dat ze toch anders zijn en nooit helemaal zullen meedraaien. Daniel kan Laura in geen honderd jaar krijgen, maar door zo dicht in haar buurt te komen is het onvermijdbaar dat hij begint te dromen van een seksueel avontuur.
Alle lof voor de hoofdrolspelers die van Yo Tambien een unieke film maken. Complimenten ook voor Pastor en Antonio Naharro die met hun perfect getimede humor en scherpe dialogen de kijker bij de les houden. Yo Tambièn is een crowd pleaser van de edelste soort: intelligent, grappig en gevoelig.
Verfilmd theater
Alles Stroomt is minder geestig dan Yo Tambièn. De erg sterke acteerprestaties hebben de films gemeen. Dat is in het geval van Alles Stroomt broodnodig want de plotontwikkeling in dit psychologische drama is minimaal. Een weduwe (Anneke Blok) en haar 18-jarige zoon Damiaan (Wieger Windhorst) vervreemden van elkaar nadat hij alleen is gaan wonen. Zijn vertrek is onaangekondigd. Het fascinerende is dat Damiaans beweegredenen nooit helemaal duidelijk worden. Het lijkt er op dat hij impulsief het spoor volgt van Desie (Lidewij Mahler), een mooie studente aan de Amsterdamse Rietveld Academie. Hij betrekt een verdieping in hetzelfde kraakpand. Er is geen elektriciteit, geen verwarming, geen comfort. Damiaan slaapt op de grond. Zijn moeder vindt het niet eens zo erg. Zij heeft een man ontmoet, een gescheiden binnenschipper.
Damiaan mijdt het contact met zijn moeder. Hij laat haar zelfs voor de deur staan wanneer ze hem bezoekt. Zijn drang om de band met zijn moeder te verbreken is onweerstaanbaar. Er is geen enkele hint dat zij hem iets aangedaan heeft. Damiaan wil het helemaal alleen doen. Wat hem drijft, weten we ook op het eind van de film nog altijd niet. Dat is ook niet belangrijk. De kracht van de film zit in de tastbare pijn veroorzaakt door al die onuitgesproken woorden en onbeantwoorde vragen.
Achteraf dringt een vraag zich op. Is dit cinema of verfilmd theater? In het begin van de film pakt debutant Danyael Sugawara uit met enkele machtige scènes. Het fantasierijke feest in het kraakpand is spectaculair, ook de transformatie van Damiaans woonst is fotogeniek. Bijna alle andere scènes hadden net zo goed gespeeld kunnen worden op een theaterpodium. Sugawara last te veel close ups in van Anneke Blok die haar pijn en vertwijfelen benadrukken. De dialogen klinken gezwollen en hij had wat zuiniger kunnen zijn met zijn symboliek (het water, het kraakpand, de boot) maar dat is allemaal minder erg dan de manier waarop de film krampachtig toewerkt naar een happy end. Ondanks die beperkingen is Alles Stroomt een film die bijblijft. De personages zijn gelaagd en hun situaties zijn zo herkenbaar dat het haast onmogelijk is niet geraakt te worden door dit fragiele moeder-zoonrelaas.
Onstuimige mozaïekvertelling
Iedere film van György Pálfi is de moeite waard. Zelfs al zou hij 90 minuten tonen hoe het gras groeit dan nog zou dat topcinema opleveren. Het begrip enfant terrible doet hem onrecht aan. Pálfi is geen kind en hij is niet vreselijk. Zijn derde film I'm Not Your Friend (Nem vagyok a barátod) is veel gemakkelijker te volgen dan na te vertellen. Hij opent met een kortfilm die zich afspeelt in een crèche. Hij registreert kleuters die eten, drinken, wenen, spelen en hun snottebellen opeten. Er is geen begin, midden of slot. Er is ook geen voice-over. Het zijn gewoon ongestructureerde beelden van kinderen. Na een paar minuten tekent zich voorzichtig toch een verhaallijn af. De strijd om elkaars beste vriendje te zijn barst los. Wanneer het dramatische hoogtepunt nadert, volgt de aftiteling. Einde verhaal.
Een tweede film begint, deze keer wel met dialogen en volwassen personages. Sara, Mark, Sophie, Andras, Rita, Natasha, Jimmy, Petra en Etele zijn met elkaar verbonden in deze onstuimige mozaïekvertelling. Pálfi startte de opnames zonder uitgewerkt scenario. Hij rekende op het improvisatietalent van zijn cameraman en zijn cast. Daar heeft hij goed aan gedaan. I'm not your friend is een opwindende, spetterende relatiekomedie met een donker randje. Het gaat over ontrouw, verliefdheid, onvervulde verlangens, gangsters die een openstaande schuld hebben bij andere gangsters, verveelde pubermeisjes en nog veel meer. De film speelt zich grotendeels ’s nachts af in een prachtig gefotografeerd Budapest. De film barst van de energie. De levendige, speelse vertolkingen geven zuurstof aan het verhaal dat met de minuut ingenieuzer en spannender wordt. De humor gecombineerd met het offbeat karakter en de spontaniteit maken het niet ondenkbaar dat deze arthouse film een breed publiek aanspreekt.
Slapstickfilms en deurenkomedies
Seks en misdaad bemoeilijken het leven van de personages in het Finse The House of Branching Love (Haarautuvan rakkauden talo). Eerst is er het gebrek aan seks in het huwelijk van Juhani en zijn vrouw Tuula. De relatietherapeut en de keiharde zakenvrouw stevenen af op een bittere vechtscheiding. Tot hun villa verkocht is, wonen ze nog een tijdje onder hetzelfde dak. Het leidt tot een minioorlog. Juhani huurt via het prostitutienetwerk van zijn halfbroer een luxehoertje dat moet doen alsof ze zijn nieuwe minnares is. Zijn toekomstige ex legt het aan met een afgetrainde piloot.
Mika Kaurismäki maakte een doldwaze prent die echo's bevat van goede ouderwetse slapstickfilms en deurenkomedies. Terwijl Juhani en Tuula elkaar aan de lopende band kleineren, zit een misdaadsyndicaat uit Estland het hoertje op de hielen. Mika Kaurismäki is de broer van Aki Kaurismaki maar deze film heeft niets te maken met de droge, donkere humor van zijn gelauwerde broer. De sfeer tijdens de opnames moet uitstekend geweest zijn want het plezier spat van het scherm. De grappen volgen elkaar op in sneltreinvaart. Het stevige scenario zet de kijker meerdere keren op het verkeerde been. De grootste verrassing is dat Finnen blijkbaar echt gevoel voor humor hebben. The House of Branching Love is een pretentieloze publieksfilm zonder grootse artistieke bedoelingen. Een om eens lekker bij onderuit te zakken.
Antihelden
Onderuitzakken is uitgesloten bij Der Räuber, een Oostenrijkse film gebaseerd op het leven van een de opmerkelijkste bankovervallers aller tijden. Johann Kastenberger was geen gewone. Hij was niet enkel een extreem efficiënte crimineel maar ook een beresterke marathonloper. Hij verdeelde zijn tijd tussen trainen en de planning van een nieuwe klus.
De film over zijn leven is a-typisch voor dit genre. Regisseur en scenarist Benjamin Heisenberg creëert een ijzige, haast klinische sfeer. Het is niet duidelijk of je met het hoofdpersonage mag en wil sympathiseren. Hij liegt tegen zijn reclasseringsofficier en vertelt ook aan zijn lief niet de volledige waarheid. Het aller-vreemdste is dat een verklaring voor zijn gedrag uitblijft. Johann beleeft geen zichtbaar plezier aan zijn criminele activiteiten. Hij gaat koel en berekend te werk, zonder een spier te verreken. Zeven op zeven, vierentwintig op vierentwintig verstopt hij zich achter een ondoorgrondelijke pokerface. De buit schuift hij onder zijn bed, alsof het geld maar een bijkomstigheid is.
Andreas Lust heeft de perfect kleurloze en uitdrukkingsloze uitstraling voor deze rol. Hij is quasi onzichtbaar. Der Räuber boeit van begin tot einde en wordt erg spannend wanneer Johann ontsnapt uit de gevangenis en het op een lopen zet, achterna gezeten door de voltallige Oostenrijkse politiemacht. De minst blinkende gangsterfilm van het jaar blijft nog een tijdje hangen. Wie is in godsnaam die rare onzichtbare gast toch? Benjamin Heisenbeger is een naam om aan te kruisen. Hij prikkelt de nieuwsgierigheid, bouwt zijn film geduldig op en heeft zijn acteurs goed in de hand.
Antiheld nummer twee is Franck, een student geneeskunde die zich op een kleine flat in Göteborg voorbereidt op zijn examens. Hij is niet geïnteresseerd in zijn medebewoners en hoopt dat het wederzijds is. Zijn rust wordt verstoord door Lotte, zijn bovenbuurmeisje. Ze heeft waspoeder nodig. Een dag later is haar suiker op. De volgende keer vertelt ze hem in paniek dat haar vriendje erg gewelddadig is en dat ze zich niet langer veilig voelt. Franck kijkt de andere kant uit. Bij hun volgende ontmoeting staat Lotte vol schrammen en blauwe plekken.
Het jonge regisserende Zweedse duo Johan Lundborg en Johan Storm kiest voor een lafbek als centraal personage. Zijn schijterigheid zal hem zuur opbreken want hij zal heel deze claustrofobische genrefilm lang achtervolgd worden en ware doodsangsten uitstaan. Franck wordt langzaam gek. De muren komen op hem af. Achter iedere hoek schuilt gevaar. Lundberg en Storm hebben het wijze besluit genomen niet te hoog te mikken met hun eerste film. Hun ambities zijn beperkt: een spannende thriller maken. Hun missie is zonder meer geslaagd. Ze filmden in hun eigen appartement met een beweeglijke camera. Uit Barton Fink en The Shining leerden ze hoe een simpele gang een paranoïde personage de stuipen op het lijf kan jagen. Corridor is vakkundig gemaakt maar snel vergeten omdat de gebruikte technieken en trucs al te opzichtig zijn. Met een groter budget en deze eerste ervaring rijker moeten deze gasten beter kunnen.
Verveling
Of Martijn Smits beter kan, is onduidelijk. Zijn debuut C'est déjà l'été stelt weinig voor. Smits installeerde zich met zijn crew in Seraing waar hij het leven volgt van een gezin. De gescheiden vader is net ontslagen. De zoon spijbelt. De tienerdochter heeft een baby wiens natuurlijke vader in de gevangenis zit. Wat we te zien krijgen? Tandenloze werklozen die Jupiler zuipen, stelende en rokende kinderen, beelden van walmende schoorstenen en morsige wijven. De armoede en miserie in sommige wijken van sommige gemeenten rond Luik is echt. Smits mag die 19de eeuwse toestanden ook tonen, als hij ook een interessant verhaal vertelt. Dat doet hij niet. Er is geen evolutie, drama, spanningsboog of conflict. Wat overblijft is een lange montage van beelden die de ellende benadrukt en het record van clichés over Luikse werklozen verpulvert. De aanwezigheid van de imposante Patrick Descamps zet geen zoden aan de dijk want hier was geen regisseur aan het werk maar een ramptoerist.
Miss Mouche is een vermoeiende Waalse low budgetfilm over een meisje dat constant filmt met de camera in haar fototostel. Ze is vooral gefascineerd door het leven van vliegen. Haar ouders filmt ze enkel als ze zeker weet dat ze hen daarmee ernstig in verlegenheid brengt. De filmpjes komen goed van pas wanneer haar moeder een ongeval krijgt en comateus in bed ligt. Haar vader toont de filmpjes om een hersenreactie af te dwingen. In de flashbacks zien we hoe de familiezaak ten onder gaat na een foute investering. De filmpjes onthullen belangrijke familiegeheimen en stellen het recente verlenden in een ander daglicht.
Met een minimum aan middelen bereikt regisseur Bernard Halut een maximaal resultaat. Een aantal filmpjes is geestig. Dat Miss Mouche maar half overtuigt komt door het onevenwicht tussen de vele plotwendingen in het verleden en het statische heden. Het enige dat in het heden gebeurt is de vader die een nieuw filmpje aanklikt. Door de vorm blijft de armoede van het scenario lang verborgen maar halverwege slaat de verveling finaal toe en wordt Miss Mouche een hele uitdaging.
Bibliothèque Pascal is de tweede Hongaarse film in competitie. Veel Hongaars is er niet aan. De regisseur is dan wel een Hongaar maar de cast is Roemeens en het verhaal speelt zich gedeeltelijk af in Londen. Belangrijker is dat Bibliothèque Pascal een straffe, uitdagende film is gemaakt door een man die perfect weet wat hij wil.
Het begint met Mona die een aanvraag indient om terug de voogdij te krijgen over haar dochter. Ze liet haar kind achter bij een tante toen ze in Londen ging werken. De ambtenaar die het dossier behandelt stelt de meest vanzelfsprekende vragen: “Waarom heb je haar achtergelaten? Wat heb je in Londen gedaan?” Eén lange flashback geeft het antwoord.
Regisseur Szabolcs Hajdu is een conceptuele denker die de werelden van Emir Kusturica en Stanley Kubrick samenbrengt in zijn film. Mona’s herinneringen aan haar tijd in Roemenië zijn verfilmd in intense, warme kleuren. De magisch-realistische elementen geven de bitter-realistische vertelling de allure van een sprookje. Eens Mona aangekomen is in Londen, veranderen het kleurenpalet en de toon. Ze komt terecht in een luxebordeel voor intellectuelen. Het bordeel is een parel van interieurdesign. Prachtig, maar ijskoud met neonlicht, veel maagdelijk wit en metaalkleurige tinten. Iedere kamer is ingericht volgens een literair thema. De hoertjes leren dialogen uit het hoofd die ze aframmelen voor hun klanten.
Het verschil tussen Roemenië en Londen is groot, zowel voor Mona als voor de kijker. Te groot eigenlijk want het verhaal verliest aan spankracht. De scènes in het bordeel zijn te arty farty en beredeneerd om de ziel te raken. Het ziet er fantastisch uit maar het is oppervlakkig. Gelukkig is die inzinking kortstondig want Hajdu laat Mona op een briljante manier ontsnappen aan haar bestaan als luxehoer. Bibliothèque Pascal bevat te veel net-niet momenten om de lof te rechtvaardigen die hij op andere festivals kreeg. Niettemin is het een geestig filmpje.
Het Europees Filmfestival Brussel liep van 23 tot 30 juni in Flagey, Brussel.