Gelukkig kunnen we de geschiedenis in om betere spionagefilms te gaan kijken. Het stikt ervan. Zeker ten tijde van de koude oorlog, in de jaren vijftig en zestig, liepen mensen voortdurend in films rond te rennen met geheime filmrolletjes in hun zakken. En wat is nou mooier om spionagefilms te zien in een tijd dat er echt volop werd gespioneerd?
Stofzuigeronderdelen
In Our man in Havana uit 1959 wordt een Britse stofzuigerverkoper in Havana, Jim Wormold, gemaand om geheim agent te worden voor de Britten. Hij moet daarvoor 'contacten' werven. Hij gaat akkoord want hij kan best wat geld gebruiken.
Maar hij weet niets van het geheime dienst werk af. Hij wordt wanhopig en begint ontmoetingen met contactpersonen te verzinnen. Het lukt hem zijn bazen ervan te overtuigen dat zijn schetsen tekeningen zijn van geheime raketlanceerinstallaties. Zijn superieuren: ‘Hmm… ze doen me denken aan stofzuigeronderdelen.’
Het script is zeer vermakelijk. Het is eigenlijk een parodie op het spionagevak. Het scheelt denk ik dat schrijver Graham Greene zijn eigen roman voor deze film herschreef als script.
Het resultaat is weergaloos mooi. Carol Reed, de regisseur, was een perfectionistisch filmer. Dat zie je goed af aan Our man in Havana, met zwartwitbeelden van Havana en Cuba in een pré-communistische setting, terwijl de film net na de revolutie werd gemaakt. Liepen er misschien Cubaanse geheim agenten rond op de set?
Een leuk gegeven in deze film vind ik het geloofwaardig laconieke karakter van hoofdpersoon Wormold. Fantastisch in de huid gekropen door Alec Guiness. Zelden verlangde een hoofdpersoon meer naar zijn eigen ontmaskering.
Maar alle Cubaanse spionagekarakters uit het fantasierijke brein van Greene vond ik zeldzaam interessant. Zo hebben we daar de mysterieuze dokter Hasselbacher, de machtige kapitein Segura (‘One never tortures except by a kind of mutual agreement’), en de Britse agentenwerver Hawthorne. Ze worden allemaal met veel smaak neergezet.
Halfcriminele spion
Een ander MI5-agent is Harry Palmer. Hij wordt in Funeral in Berlin uit 1966 naar Berlijn gestuurd om een Russische korporaal te helpen overlopen. Dan blijkt dat een ex-nazi en de Israëlische geheime dienst er ook mee te maken hebben. Er zijn documenten die constant in andere handen terecht komen, wat een cliché van jewelste is in de spionagewereld, maar wat in deze film de boel wel aan de gang houdt.
Net als Wormold heeft Palmer helemaal geen zin in zijn klus. Het enige wat hem bevalt aan het spionnenvak is dat hij wordt geschaakt door een agente van een of andere geheime dienst. Hij laat zich dat schaken welgevallen zonder zich over zijn veiligheid te bekommeren. Hij is ook al een belediging van het beroep, hetzij een wat meer uitgekookte belediging dan Wormold.
De film kijkt prettig weg, wat in de eerste plaats te danken is aan Michael Caine, die al eens Harry Palmer speelde in het net zo leuke The Ipcress file (uit ’65). Deze rol van sarcastische, onconventionele, halfcriminele spion zat hem als gegoten. Misschien ook omdat het karakter zo lijkt op zijn Alfie (ook uit ’66).
Ten tweede is daar de tijdreis. Zie bijvoorbeeld de mooie openingsbeelden van de Muur (die feitelijk onjuist zijn, er werden geen mijnen bij de Muur gelegd). Ten derde is daar het vaardig in beeld brengen van het verhaal door Guy Hamilton, die al wat spionage-ervaring had opgedaan via Goldfinger.
Het is alleen wat jammer van het plichtmatige plot, waarbij iedereen elkaar moet verraden, zodat je je geregeld op je achterhoofd krabt over de verwikkelingen. Maar wat verwachten we anders bij een pulpverhaal van Desmond Bagley, die ik geloof wel vijftig thrillers heeft geschreven?
Ondergrondse neonazigroep
Anders is het plot bij The Quiller memorandum (1966), daar is het beslist een hoogtepunt. Quiller werkt ook al voor MI5. Hij is een Amerikaan in Britse dienst die eveneens in Berlijn in 1966 de dood van twee Britse agenten gaat onderzoeken (kwam hij daarbij Harry Palmer nog tegen?). Die twee agenten zijn vermoedelijk gedood door een ondergrondse neonazigroep. Hij gaat op onderzoek uit en komt dichterbij de groep dan hij zou willen.
Waarom is The Quiller memorandum geen klassieker geworden? De film bevat talrijke mysterieuze scènes zoals Quiller die ondervraagd wordt door Max von Sydow, leider van de neonazi’s. Er zijn veel mooie details. Let eens op het ranzige geluid van knerpend leer elke keer als Von Sydow in beeld is. Er is ook geen noodsprong in het script, zoals een filmrolletje, een belangrijk document, een koffer met geld. Er is alleen maar geheimzinnigheid, spanning op zijn best.
De film heeft veel te danken aan het script van Harold Pinter. Dat script laat veel weg en biedt daardoor veel te raden voor de kijker. De acteurs hier weten er allemaal raad mee. George Segal is een overtuigend geheim agent, maar wederom is het Alec Guiness die de show steelt, ditmaal als cynische baas.
The Quiller memorandum prikkelt ook de verbeelding met boeiende locaties, zoals een leeg zwembad, een ruïne, een bovengronds metrostation in de vroege morgen (opgezocht: halte Schlesisches Tor). De stilte bij zulke locaties wordt effectief gebruikt. Michael Anderson, de regisseur, vertelde in een interview dat hij Berlijn zelf ook een rol wilde geven.
Mysterieus kun je ook het optreden noemen van Günther Meisner, in The Quiller memorandum als tips gevende zwembadmedewerkers, en in Funeral in Berlin als specialist in illegale Muur-transporten. Zou hij aldoor van de ene filmset naar de andere zijn gerend?
Het mooie is dat zo’n film nooit gemaakt zou zijn zonder producer Ian Foxwell, een producer van de oude stempel: liep elke dag op de set rond, had oog voor details, koos zijn acteurs en regisseurs op instinct. Ongetwijfeld heel wat anders dan hoe Universal Studio’s Spy Game heeft ‘afgehandeld’.
REEKS (2) - CAMERA OBSCURA
In deze reeks bespreekt Bob van der Sterre elke aflevering een aantal thematisch gelinkte films. Hoe aparter, ouder en obscuurder, hoe liever hij ze heeft.