OFFSCREEN 2011

Monte Hellman

Road to Nowhere: beoordeel Monte Hellman niet op z'n laatste film. (c) E1 Ent. (c) organisatie Offscreen The Shooting (c) Weton Wesgram Ride in the Whirlwind (c) Weton Wesgram Two-Lane Blacktop (c) Universal Cockfighter (c) Artists Ent. Road to Nowhere (c) E1 Ent.

Hollywood heeft zijn grote namen, zijn bekende koppen, verguisd door de ene, op handen gedragen door de andere en het heeft zijn kleine namen. Regisseurs die enkel bekend zijn bij zij die evenveel aandacht besteden aan de aftiteling als aan de film zelf. Zo’n naam is Monte Hellman.

Hellman was onlangs op bezoek in België in het kader van het Offscreen filmfestival dat hem in de brochure omschreef als “de beste regisseur van wie je nog nooit gehoord hebt”.  Nu kennen wij heel wat prutsers van wie we veel te veel horen dus verdiende Monte Hellman zeker een kans.

Hellman was in Brussel om zijn nieuwste film Road to nowhere te promoten met een verschijning in Bozar en een korte Q&A. Naar aanleiding van deze film in een film in een film kreeg hij op het jongste filmfestival van Venetië de ‘special lion for overall work’ waar juryvoorzitter Tarantino voor meer dan iets tussen zit. Hellman was de executive producer van zijn debuut Reservoir Dogs en een grote bewonderaar van zijn eerste films.

Poëtische regisseur
Hellman debuteerde als regisseur onder B-film producent Roger Corman en werkte er samen met onder meer Jack Nicholson met wie hij twee westerns draaide: Ride in de Whirlwind en The Shooting. Beide films waren te zien op het Offscreen festival.

Hierin toont Hellman zich als een erg poëtische regisseur die perfect weet om te gaan met de beperkingen van zijn budget. Hij gaat niet voor spektakel of flitsende shootouts  maar concentreert zich op de psychologie van zijn karakters. Op de cover van de DVD-release wordt The shooting niet voor niets omschreven als “The thinking man’s western”.

In Ride in the Whirlwind worden Nicholson en twee andere cowboys onterecht aanzien als leden van een bende als ze in de buurt overnachten. Vroeg in de morgen wordt het kamp overvallen door een lynch-party waardoor het trio – dat al snel herleid wordt tot een duo -verplicht is te voet de bergen in te vluchten. Tegen wil en dank moeten ze hun toevlucht nemen tot gijzeling en diefstal om te overleven.

Het verhaal van The Shooting is zo mogelijk nog grauwer. Warren Oates wordt meegesleept in een plan om wraak te nemen op een onbekende. Tijdens de hele tocht door een desolate woestijn zuigt de zon langzaam alle vreugde uit de personages. De sfeer die Hellman opwekt maakt duidelijk dat iedereen verdoemd is; ook de personages die de touwtjes in handen lijken te hebben.

Acid-westerns
Beide films werden back-to-back opgenomen op amper zes weken tijd en met een budget van 75000 dollar per film. Door het beperkte budget was de ploeg verplicht om alles in daglicht op te nemen. Oates en Nicholson, die ook producer was van beide films, zaten elkaar voortdurend in de haren.

Hellman zou nadien nooit meer met Nicholson werken terwijl Oates later nog grote rollen zou vertolken in zijn films. Hoewel de critici lovend waren over beide westerns flopten ze bij het grote publiek. Enkel in Frankrijk hebben ze het tot een bioscooprelease geschopt.

De toenemende cult-status van Hellman eind jaren 90 zorgde er wel voor dat de films op DVD verschenen. Beide films worden beschouwd als de grondleggers van het acid-western genre waarin de trek naar het westen niet als een weg naar vooruitgang wordt gezien maar eerder als een tocht naar sombere dood.

Illegale straatraces
Het beeld van Hellman als de beste onbekende regisseur, heeft hij vooral te danken aan de cultklassieker Two-Lane Blacktop. James Taylor (‘the driver’) en Dennins Wilson (‘the mechanic’) leven van het geld dat ze verdienen met illegale straatraces in hun omgebouwde Chevrolet 150.

Op hun tocht door verschillende staten pikken ze een liftster (Laurie Bird –‘the girl’) op. Ze kruisen verschillende keren de Pontiac GTO van Warren Oates (‘GTO’) die hen voorstelt een uithoudingsrace te houden van west naar oost door de VS. Er ontstaat een vreemde relatie tussen alle personages, kameraadschap en rivaliteit zowel over het winnen van de race als over het veroveren van het meisje.

Uiteindelijk blijkt dat ieders obsessie, de racers met hun auto’s en GTO met zichzelf, een normale relatie in de weg te staan. Vandaag is de film nog behoorlijk onderhoudend; vooral door de gebruikte humor, maar Hellman had duidelijk moeite om de schaar te zetten in zijn beelden. Hierdoor komt de film traag en bij momenten saai over en is het nodig om hem in de context van 1971 te zien.

Man zonder stem
Over zijn verdere films zegt Hellman zelf dat het in feite telkens om hetzelfde verhaal gaat: het conflict tussen de obsessie en de relatie. Dit komt het best tot uiting in Cockfighter, waarin de hoofdrol weer is weggelegd voor Warren Oates.

Het is op meerdere punten een betere film dan Two-Lane Blacktop. In de eerste plaats omdat er meer gebeurt in de film maar vooral omdat Oates een personage neerzet waarvoor je gemakkelijk sympathie kunt opvatten. Hij speelt een man zonder stem die vechthanen kweekt en traint.

Een flashback maakt duidelijk dat hij met zijn grote mond ooit de kans om hanenvechter van het jaar te worden verspeeld heeft, waarop hij zwoer niet meer te spreken tot hij die medaille in zijn bezit heeft. Het verhaal begint met een gevecht waarin hij zijn auto, trailer (met zijn liefje erin!) verwedt tegen een schamele 900 dollar.

Hij verliest en keert berooid terug naar het dorpje waar hij is opgegroeid en zijn ware liefde nog steeds op hem wacht. Vanaf dat moment loopt de strijd tussen zijn gevoelens en het hanenvechten hoog op en net zoals in Two-Lane Blacktop is het de obsessie die wint.

Digitale fotocamera
Hellmans laatste langspeler die het tot in de zalen schopte dateert van 1988. Je kan je terecht de vraag stellen of iemand na een periode van  bijna 25 jaar het filmmaken nog voldoende in vingers heeft om een interessant stuk af te leveren.

Technisch staat Road to Nowhere in ieder geval een stapje voor op de concurrentie. Het is de eerste bioscoopfilm die volledig werd opgenomen met digitale fotocamera’s (Canon 5D Mark II). Op niveau van productie heeft dit weinig voordelen, aldus de regisseur die in de Q&A verwees naar moeilijkheden met de belichting en het verwerken van de videobestanden. We hebben het niet nagevraagd, maar vermoeden dat de film met 60 frames per seconde werd geschoten. In ieder geval straalt die een enorme video-look uit. Het lijkt erop dat een gewone camera een betere keuze zou geweest zijn.

Maar Road to nowhere stelt niet alleen op technisch vlak teleur. Waar er in zijn vroegere films nog sprake was van ‘traag maar mooi’ of ‘er gebeurt wat weinig maar bekijk het in de tijdsgeest’ is het nu vooral ‘statisch, uiterst langzaam, verwarrend en ronduit saai’.

Oud mannetje
De plot draait om een regisseur die een film maakt over een waar gebeurt verhaal. Al snel begint hij een relatie met zijn hoofdactrice die op een of andere manier betrokken is bij de echte feiten. Als een van de crew-leden onraad ruikt, loopt alles uit de hand.

Regelmatig is het onduidelijk of wat je te zien krijgt zich voor of achter de camera afspeelt. Dat kan op zich een erg interessant uitgangspunt zijn voor een film, denk aan de films van David Lynch maar in tegenstelling tot de films van Lynch loopt het op de meeste vlakken mis. De beeldvoering is bijzonder statisch en verschillende shots duren minutenlang. Als kijker hoop je nog dat je op het einde van de twee uur lange prent eindelijk te weten zal komen hoe de vork juist aan de steel zit maar ook daar blijf je op je honger zitten.

Monte Hellman kwam het festival binnen als een schriel oud mannetje met een stevige verkoudheid en helaas voor hem is dat ook een afspiegeling van zijn laatste film. Is hij de beste regisseur die je nog niet kent? Waarschijnlijk niet maar beoordeel hem niet op zijn laatste film. Hij heeft heel wat op zijn CV dat de moeite waard is al wordt het stilaan tijd om aan zijn pensioen te denken.

 


De vierde editie van Offscreen vond plaats in Brussel van 9 februari tot 27 februari 2011, met vertoningen in Cinema Nova, Cinematek, Bozar en Rits. Dit jaar stonden in de schijnwerpers: veel klassieke en vooral offbeat sciencefiction, de bizarre Face/Off-module, een focus op de legendarische Shaw Brothers studio, het uitzinnige Animation Extravaganza, een avond rond eigenzinnig genie Phil Mulloy en levende legende Monte Hellman die naast ouder werk ook zijn nieuwste film persoonlijk kwam voorstellen.