Je hoort geregeld gemopper dat het festival te grootschalig is geworden. Er zijn bijna tweehonderd films (exclusief de vele korte) en rond de 350.000 bezoekers. Dat zorgt ervoor dat soms zelfs de meest bizarre films zijn uitverkocht, zoals films van het Red Western-programma, die in het filmmuseum amper een levende ziel zouden trekken. Maar dat is alleen maar goed natuurlijk.
Waarom trekken festivalfilms dan zoveel meer publiek dan reguliere voorstellingen? Bepalend is, denk ik, de sfeer, het zoveel aanbod hebben, de gezelligheid eromheen, de regisseurs die wat over hun films komen vertellen. Film op een prettig presenteerblaadje.
De beste films kwamen wat mij betreft uit Oost-Europa. Dat waren de films die het meeste weg hebben van een auteursfilm, zoals A stoker van Balabanov, Surviving life van Svankmajer en Cirkus Colombia van Tanovic.
Grootste pluspunt van het festival vond ik zelf dat het erop lijkt alsof de Russische arthousecinema eindelijk volwassen wordt. Gromozeka, A stoker, My joy, Silent souls; prima films, diep geworteld in de Russische traditie van originele verhalenvertellers.
Het IFFR vertoont eigenlijk alleen maar films in een genre: de arthousecinema. Arthouse is een breed en vaag begrip maar wordt toch nagenoeg door iedereen beschouwd als de meest vernieuwende vorm van cinema.
Er zitten zeker vernieuwers tussen, maar arthousecinema heeft ook zo zijn beperkingen. Zo lijkt de manier van filmen bij een arthousefilm geregeld net zo inwisselbaar als bij een genrefilm. Nog sterker: arthouse is voor mij vaak een eufemisme voor een stijlarme film. Er lijkt ook sprake te zijn van een grote angst om te vermaken. Dat lijkt me een overreactie op genrefilms, die dat weer te veel willen doen.
Het interessante van een filmfestival als dat van Rotterdam is dat je een heel aardig inkijkje krijgt in wat de meest gebruikte clichés zijn van de hedendaagse arthousecinema. Hieronder een overzicht.
- Weinig subtiele seksscènes. Het moet dierlijk en bot overkomen, enorm realistisch en minutenlang in beeld. Zie A stoker, Todos tus muertos, Post mortem.
- De namaakdocumentaire. Het genre groeit als kool en het programma stond bol van documentaire-achtige speelfilms, de een meer documentaire dan film, de ander andersom. In Fleurs du mal werden echte Youtube-beelden gebruikt. Het went ook snel. Le grand tour is ook bedoeld als een namaakdocumentaire en je denkt meteen: gaan we weer. Hoe oud is C’est arrivé près de chez vous intussen?
- Absurde eindes. Een paar sloegen werkelijk kant noch wal. Het einde van Unter dir die stadt werd door het publiek luidkeels ontvangen met ‘Huh?’ My joy kan er ook wat van. Een verhaal prettig afronden heb ik eigenlijk alleen gezien in Cirkus Colombia.
- Rauw realisme. Al heel wat jaren beoefend, met name door iemand als Mike Leigh, nu mainstream geworden in arthouse. Dat betekent: schokkerige hand-held camera opnamen van charmeloze karakters, een optelsom van hun sombere levensgeschiedenissen, ontmoetingen met vreemde bijfiguren, en minutenlange observaties van mensen die niets doen (het eufemisme hiervoor: ‘karakterstudie’).
- Minimalisme in beelden. De meeste arthousefilms willen zo graag veelzeggend zijn in beelden dat gesprekken tot een minimum worden beperkt, met als extreemste voorbeeld Essential killing, waarin geen dialoog voorkomt. Dat een mooi lopende dialoog voor heel wat sjeu in een film kan zorgen, lijkt niet veel filmmakers meer te interesseren (wederom met een uitzondering als Tanovic, wiens Cirkus colombia veel leuke teksten had).
- Bepaalde thema’s: een hond die een trap krijgt of sterft (Small time murder songs, Song of love and hate), een ziekte (liefst kanker) (Je suis un no man’s land, Painting sellers, Gromozeka), een aparte vriendschap (Painting sellers, Outbound), een reis (My joy, Outbound).
- Bepaalde beelden: achterhoofd van persoon, al lopend door een gang, straat of trapportaal; karakters die rennen en camera holt er chaotisch achteraan; chaotische aanrijdingen; iemand die een hele tijd voor een huis staat te wachten; karakters die roken en betekenisvol peinzen.