OFFSCREEN 2011

Rubber: keep on rolling

Rubber: het hobbelige parcours van een moordende autoband. (c) Magnet Films (c) Magnet Films (c) Magnet Films (c) Magnet Films

De beste omschrijving die we over Rubber lazen? Roger Corman in een regie van Samuel Beckett. Het vat perfect de slappe koord samen waar de nieuwe film van Quentin Dupieux op balanceert: een goedkope B-film met absurdistische trekjes.

Rubber was op het vierde Offscreen Filmfestival in Brussel te zien in een double bill met Dupieux’ vorige film Steak (2007), waarin twee losers er alles aan doen om deel uit te maken van de Chivers, een groep studenten met een hoogst eigenaardige lichaamscultus. Wist die film ons – ondanks enkele hilarische grappen – maar matig te bekoren, dan zet Dupieux (beter bekend onder zijn artiestennaam Mr. Oizo) met Rubber (2010) een stap in de goede richting.

Op zich gebeurt er in Rubber niet veel meer dan in Steak. Ingewikkelde plotlijnen, diepzinnige thema’s, verhalen die zich vertakken en weer samenkomen: het zal wellicht nooit Dupieux’ handtekening worden. Maar wat Steak ontbreekt en Rubber dan weer wel heeft, is een strakke focus, een consequente tongue-in-cheek sfeer. Misschien helpt het ook wel dat Rubber in een sneltreinvaart aan je voorbij trekt, met een speelduur van nog geen anderhalf uur.

Telekinetische autoband
Eenvoudig is dat niet, want de film valt wel degelijk uiteen in twee totaal verschillende genres. In eerste instantie is er de Roger Corman-verhaallijn, het goedkope (500.000 dollar) B-filmpje over een moorddadige autoband. Die komt, schijnbaar zonder reden, zomaar tot leven in de Amerikaanse woestijn. De autoband vernielt wat hem in de weg ligt of staat: een zwarte raaf, een lief konijn, een mensenhoofd. Misschien heeft de telekinetische autoband teveel Stephen King gelezen.

Maar Dupieux (die de film niet alleen regisseerde, maar ook schreef, fotografeerde, monteerde en van muziek voorzag) doet iets merkwaardigs met zijn film: hij vouwt ‘m open als een brief, zodat je ook de achterkant te zien krijgt. In dit geval betreft dat een soort van making off, een behind the scènes.

Het openingsshot toont een aantal mensen die in het midden van de woestijn aan het wachten zijn. Een accountant (Jack Plotnick) zet stoelen klaar, die vervolgens omvergereden worden door een auto. Uit de auto stapt een sheriff (Stephen Spinella), een glas water in de hand. Hij spreekt het publiek toe. Dat ze vooral niet moeten proberen logica te zoeken in de film die ze te zien gaan krijgen.

Wie spreekt de man eigenlijk toe? De mensen op het witte doek of het publiek dat in de zaal zit? Het is een klassiek voorbeeld van de vierde wand die doorbroken wordt. Door zich rechtstreeks tot het publiek te richten, sloopt Dupieux de fictionaliteit van het medium. Daar heeft hij zo zijn redenen voor, want het ergert hem dat er ook in andere films geen logica zit: Love Story, The Texas Chain Saw Massacre, E.T, JFK, The Pianist. Dingen gebeuren zonder reden.

Grieks koor
Het publiek blijft achter met verrekijkers en zal de rest van de film dienst doen als een klassiek Grieks koor. Dupieux onderbreekt dan de actie en laat zijn toeschouwers commentaar geven op wat ze gezien hebben. Dat de regisseur op die manier ook commentaar wil geven op Hollywood als filmbedrijf, wordt bevestigd in het laatste shot van de film, waarin de autoband lustig richting filmstad rolt, klaar om ook daar dood en verderf te zaaien.

Maar Dupieux is geen Michael Haneke. Zijn commentaar op mens en maatschappij is mild en ironisch. Hij hakt er niet op in, wil slechts terloops zijn punt duidelijk maken. Rubber is vrijblijvender dan pakweg Funny Games. Dat komt natuurlijk vooral omdat Dupieux zich met zijn metafysische reflecties en experimentele aanpak zelf onderuit haalt. Echt ernstig kan je het allemaal niet nemen.

En toch: het is wel duidelijk dat Dupieux – of beter de regisseur-in-de-film – zijn toeschouwers een voor een dood wil: ze zijn een te clichématige afspiegeling van het popcorn kauwende klapvee dat uit is op dood en verderf. Maar je zal zien: er overleeft toch altijd eentje, die vervolgens gaat klagen over het belabberde niveau van de dialogen, de inconsequentie van de verhaallijn of het van de pot gerukte einde.

Zo’n einde heeft ook Rubber, waarin de moorddadige autoband in een hilarische slotact in de val gelokt wordt met een dummy van de vrouwelijke muze (Roxane Mesquida ) die hij heel de film achtervolgd heeft, tot in een replica van het Bates Motel aan toe. Ze lokken ‘m wel, de band, maar de conclusie is dat hij ook na de ultieme confrontatie door blijft rollen. Ook dat is een mooie metafoor voor de wereld van de film.

 


De vierde editie van Offscreen vond plaats in Brussel van 9 februari tot 27 februari 2011, met vertoningen in Cinema Nova, Cinematek, Bozar en Rits. Dit jaar stonden in de schijnwerpers: veel klassieke en vooral offbeat sciencefiction, de bizarre Face/Off-module, een focus op de legendarische Shaw Brothers studio, het uitzinnige Animation Extravaganza, een avond rond eigenzinnig genie Phil Mulloy en levende legende Monte Hellman die naast ouder werk ook zijn nieuwste film persoonlijk kwam voorstellen.