Tijdens de drooglegging in de twintigerjaren van de vorige eeuw begon in Atlantic City de georganiseerde misdaad (zie HBO’s onvolprezen tv-serie Boardwalk Empire voor een gloedvolle geschiedenisles). Dichter/zanger Bruce Sprinsteen schreef een gangsterepos over Atlantic City: zijn verteller, zoals zoveel goktoeristen, komt om in schulden die geen eerlijk mens aan de heersende oostkustmaffia aflossen kan.
Lustopwekkende cocktail
In de moderne klassieker Atlantic City (1980) van de Franse regisseur Louis Malle stinkt wederom alles en iedereen een uur in de wind. Visbar serveerster Sally (Susan Sarandon) stinkt naar oesters en citroen, een lustopwekkende cocktail voor haar oude buurman Lou (Burt Lancaster).
In een memorabele openingsscène gluurt hij stiekem naar haar als zij zich voor haar open raam wast. Burt zelf stinkt naar het irritante hondje die hij langs de Atlantic City boardwalk (houten wandelpromenade) uitlaat voor zijn chagrijnige minnares, Grace (Kate Reid). Zij stinkt naar muffe ouderdom zoals alleen een stokoud mens die nooit haar bed uitkomt kan stinken.
Atlantic City is een film bevolkt door onfrisse losers, ouden van dagen en deerniswekkende kruimeldieven. Beslist geen standaard Hollywood kost. Malle’s visie gekleurd door het oog van de buitenlander levert scherpzinnige en realistische observaties op evenals een hele reeks films gemaakt door getalenteerde buitenlandse regisseurs. Ang Lee met The Ice Storm (1997) over rijke liberalen die de kluts kwijt zijn, Polanski’s klassieke film noir Chinatown (1974) en Milos Forman’s eerste Engelstalige film Taking Off (1971) met zijn hilarische auditiescènes (vele malen gekopieerd maar nooit geëvenaard).
Amerikaanse mainstream regisseurs komen minder realistisch uit de hoek. Zij gaan gebukt onder het juk van de Hollywood geldschieters, beschermheren van het Amerikaanse droomland, zuiver uit commerciële overwegingen wel te verstaan. Zelfs Woody Alleen zegt: ik maak films over een New York dat niet bestaat, het is mijn fantasie over hoe het zou moeten zijn, een sprookje eigenlijk. Amerikanen hebben weinig op met verval, ouderdom en losers.
Taboedoorbrekende filmer
Atlantic City was Malle z’n tweede Amerikaanse film. Zijn eerste was de spraakmakende Pretty Baby (1978) over een twaalfjarige hoer in een New Orleans bordeel (de doorbraak voor de jonge Brooke Shields als de twaalfjarige Violet). Susan Sarandon beviel de Fransman toen al als actrice, zozeer dat hij een verhouding met haar begon.
Malle was een taboedoorbrekende filmer in de Nouvelle Vague traditie, hij wilde vooral verontrusten. Zijn ultieme poging daartoe kwam veel later in 1992 in het beklemmende relatiedrama Damage met Juliette Binoche en Jeremy Irons die een van de meest verontrustende apotheosen uit de moderne cinema leverde. Maar Malle was ook bang om in herhaling te vallen en sprong van genre naar genre. Atlantic City is een zeer onderhoudend, maar luchtige tragikomedie, alsof hij wilde zeggen, kijk dit kan ik ook.
Mazzel en slimmigheid
De stad Atlantic City was ooit een geliefd resort, maar eind jaren zeventig, als de film begint, sterk in verval. Legaal gokken en de casino’s luiden een commerciële opleving in tot grote ergernis van de oude mislukte gangster Lou die nog in de gloriejaren vlak voor de tweede wereld oorlog leeft. Op zijn 67ste brengt Lou zijn tijd door als verzorger van zijn zeurende maîtresse, Grace. Zij kwam ooit naar Atlantic City om mee te doen aan een Betty Grable lookalike wedstrijd en viel voor een rijke gangster, de toenmalige baas van Lou.
Lou wordt bevriend met zijn jonge buurvrouw Sally (Susan Sarandon). Zij wil croupier worden en droomt van een baan in het Mekka van alle goksteden Monte Carlo. Deze droom koestert zij sinds haar kinderjaren op de winderige vlaktes van Saskatjewan in Canada.
Haar ex, de drugsdealer Dave, duikt plotseling op met een lading drugs die hij zeer onverstandig van de maffia heeft gestolen. Dave haalt Lou over om de drugs aan de man te brengen, maar wordt uit de weg geruimd voordat Lou het geld aan hem kan overhandigen. De maffia opent daarna de jacht op Lou. Maar door een combinatie van mazzel en slimmigheid overleeft Lou. Hij wordt tot zijn vreugde op gevorderde leeftijd de bonafide gangster die hij altijd had wilde zijn.
Burt Lancaster als Lou, Susan Sarendon als Sally en Kate Reid als het stokoude gangstermeisje Grace zijn stuk voor stuk fenomenaal. Er is een minder geslaagde onevenwichtige rol voor Malle’s landgenoot, de Franse icoon Michel Piccoli. Maar Sally’s ex Dave gespeeld door de Canadees Robert Joy is zo hopeloos miscast dat hij enigszins de geloofwaardigheid van de plot aantast. Gelukkig wordt hij tamelijk vlot afgevoerd.
Charisma op versleten knieën
Malle had het goed gezien toen hij in 1979 de bijna bejaarde Burt Lancaster (1913) vroeg om Lou te spelen. Tien jaar eerder kreeg Lancaster bijna de rol van The Godfather van Coppola. In Atlantic City is hij de extreme tegenpool van Brando’s creatie als Don Corleone, maar Burt is nog altijd charisma op versleten knieën. Hij is even hypnotiserend als in grote rollen zoals The Professionals (1966) en Elmer Gantry (1960).
Met zijn onweerstaanbare glimlach en licht staccato voordracht ben je geneigd om alles wat hij beweert gewichtig te vinden, zelfs als het om een recept voor een bal gehakt gaat. Hij werd terecht genomineerd voor een Oscar voor Atlantic City, maar won niet. Hij won wel twintig jaar eerder met Elmer Gantry.
Zijn hele carrière stond in het teken van het zoeken naar professionele erkenning want hij was erg onzeker over zijn acteerprestaties. Hij voelde zich de mindere van tijdgenoten als Montgomery Clift en de grote Brando. In zijn latere carrière, nog altijd hunkerend naar artistieke herkenning, werkte hij graag met belangrijke regisseurs als Visconti en Bertolucci.
Atlantic City won een Gouden Leeuw in Venetië in 1980. In 2003 werd de film opgenomen in de American National Film Registry met de notering dat hij van grote culturele betekenis was. Te laat helaas voor Louis Malle die graag films van betekenis maakte: hij stierf in 1995, slechts drieënzestig jaar oud.
Lou, Sally en Grace zijn een trio fonkelende diamanten in de berg stront die Atlantic City heet. In de laatste scène, op de historische boardwalk, is Grace eindelijk uit bed en opgetut. Zij steunt op een breed glimlachende Lou. Dan denk je direct aan de laatste regel uit Springsteen’s epos: een vermaning om alle ellende achter je te laten en de bruisende stad in te trekken: “Put your make-up on, fix your hair up pretty and meet me tonight in Atlantic City.”
Louis Malle’s boeiende stadskroniek doet ons weer in het aloude cliché geloven: dat deze stad, die ooit de Koningin van de Jersey Shore genoemd werd, zo foeilelijk is dat zij mooi wordt.
REEKS (118) - KLASSIEKER
In deze rubriek snuffelen we elke editie langs grote, kleine en vergeten filmklassiekers.