Argento was toen, naast zijn job als filmrecensent, al een aantal jaren actief als schrijver van een bont allegaartje scenario’s in diverse genres; gaande van komedie, misdaad en oorlog tot western. Het was in dat laatste genre dat hij het meeste aanzien verwierf met het scenario dat hij schreef met en voor Sergio Leone: C'era una volta il West (Once Upon a Time in the West). L'uccello dalle piume di cristallo kwam er omdat pa Salvatore, een Italiaanse filmproducent, voor het nodige geld zorgde en het Italiaanse misdaadgenre eind jaren zestig in de lift zat.
Het zijn de zogenaamde Giallo, de geeltjes, zo genoemd naar de gele cover van de Italiaanse misdaadverhalen waar ze vaak op geïnspireerd waren. Boek en film hadden gemeen dat ze goedkoop waren, gemaakt werden volgens strikte regels van het genre, maar anderzijds toch weer zoveel keer gekopieerd werden, dat diversiteit troef is.
Kroongetuige
Dario Argento’s L'uccello dalle piume di cristallo is duidelijk een vingeroefening in het genre. De film lijkt een schoolboek te zijn vol met scènes, situaties, verwikkelingen, camerastandpunten, montagetrucs en scenariowendingen die het komende decennium veelvuldig gebruikt zouden worden door Argento zelf, maar ook door Giallo-collega’s als Mario Bava, Lucio Fulci en Umberto Lenzi.
Zo is het geen toeval dat L'uccello dalle piume di cristallo opent met het beeld van zwarte handschoenen die messen netjes in een doek rollen. De zwarte handschoenen van de onbekende moordenaar zouden een leidmotief van het genre worden. Wie ze draagt, moet zo lang mogelijk geheim blijven. Zo ook in L'uccello dalle piume di cristallo, waar de ultieme twist trouwens door een nog andere twist gevolgd wordt.
Nog zo’n typisch giallo-kenmerk: kunstenaars doen het goed als hoofdrolspeler. Die in L'uccello dalle piume di cristallo is een Amerikaanse schrijver: Sam Dalmas (Tony Musante), die naar eigen zeggen de rust van Rome opzocht om er ongestoord te kunnen schrijven. Helaas: aan het begin van de film staat er nog geen letter op papier, zodat hij op het punt staat terug te keren naar New York.
Net op dat moment is hij getuige van een moordaanslag in een kunstgalerie. Door een dubbele glazen wand ziet hij hoe een figuur in het zwart een vrouw met een mes dreigt neer te steken. Dalmas wil hulp bieden, maar geraakt klem tussen de twee glazen wanden. Hij kan alleen hulpeloos toezien hoe de bloedende vrouw over de grond kronkelt, om hulp schreeuwt terwijl de moordenaar het op een lopen zet.
Het slachtoffer blijkt gelukkig niet dood te zijn. Het is Monica Ranieri (Eva Renzi), de vrouw van de galeriehouder Alberto (Umberto Raho), die even later toegesneld komt. Voor politie-inspecteur Morosini (Enrico Maria Salerno) is Dalmas een kroongetuige. Blijkt dat er in Rome een seriemoordenaar rondwaart die de laatste maand drie moorden pleegde. De politie heeft geen spoor, geen idee, geen motief.
Dalmas kan zijn plannetje om terug naar Amerika te keren opbergen. De giallo-held is er immers eentje tegen wil en dank. Na verloop van tijd komen de clous aanwaaien: de dader is blijkbaar linkshandig en liefhebber van dure Havannasigaren. Dalmas en zijn vriendin krijgen het zelf nog benauwd als blijkt dat de moordenaar hén nu op de hielen zit. In een spannende scène priemt hij een mes in de deur van Dalmas’ appartement terwijl zijn vriendin alleen thuis is.
Geel jasje
Maar wacht eens even: er gebeurt wel heel erg veel in L'uccello dalle piume di cristallo en wat gebeurt is niet altijd even logisch. Neem nu de lang uitgesponnen achtervolging tussen Dalmas en een man in een geel jasje en een blauwe pet op het hoofd. De achtervolging is best spannend en razendknap in beeld gebracht, maar slaat verhaaltechnisch nergens op. Wie is die man in het geel? Wat wil hij van Dalmas? Nog vreemder is dat Dalmas uiteindelijk in een hotel belandt, waar hij merkt dat op een feestje voor ex-boksers honderden identiek geklede mannen rondlopen.
Dario Argento is geen Agatha Christie, al ontpopt Dalmas zich wel tot een soort gewiekste Poirot die verbeten achter elk detail aangaat. Zo hoort hij op een dreigtelefoontje van de moordenaar op de achtergrond een vreemd klikkend geluid. Een vriend van ‘m, toevallig ornitholoog, ontdekt dat het geluid afkomstig is van een zeldzame vogel met lange zilveren veren die op kristal lijken: de zogenaamde hornitus nevalis. In héél Rome, zo weet de man, is maar één exemplaar te vinden – in de zoo – en zo krijgt Dalmas de schuilplaats van de moordenaar in de schoot geworpen.
Argento is een stilist die al veertig jaar beate bewondering oproept. Zijn fans blijven ‘m loyaal trouw, ook al bleek Argento zijn beste films het eerste decennium al gemaakt te hebben. In L'uccello dalle piume di cristallo zitten verschillende meesterlijke shots, waarbij vaak voorbij gegaan wordt aan de invloed van Argento’s cameraman Vittorio Storaro, die later nog onder meer Ultimo tango a Parigi (Last Tango in Paris), Apocalypse Now en The Last Emperor zou schieten en nu – op z’n zeventigste – nog altijd actief is. De cameravoering in L'uccello dalle piume di cristallo is strak en precies, veel minder barok dan Argento later te werk zou gaan.
Heel knap is bijvoorbeeld hoe Argento de moordpoging eigenlijk heel expliciet aan de toeschouwer laat zien. Maar meteen daarna beseft Dalmas dat hij een vreemd detail heeft gezien dat hij intussen vergeten is. Als toeschouwer ga je meteen ook in je geheugen graven: wat is er over het hoofd gezien? Argento laat het moment in een snelle montage zelfs nog een paar keer terugzien, maar toch merk je pas helemaal op het einde wat er aan de hand is.
Atonale score
Componist Ennio Morricone was natuurlijk wereldberoemd geworden met zijn score voor Leone’s C'era una volta il West, maar tapte voor L'uccello dalle piume di cristallo met zijn haast experimentele, atonale score uit een heel ander vaatje. Morricone zou later nog veelvuldig met Argento samenwerken, wat zijn brede muziekscoop alleen maar benadrukt. In L'uccello dalle piume di cristallo is de afwezigheid van muziek vaak even belangrijk als de aanwezigheid ervan. Zo laat Argento muziek grotendeels achterwege in de voyeuristische galeriescène.
L'uccello dalle piume di cristallo is geen raderwerkje dat perfect in elkaar past en voelt zeker gekunsteld aan. Had Argento met een opnameperiode van amper zes weken te weinig tijd? Wie weet. Anderzijds: een rechtlijnig, duidelijk verhaal zou nooit Argento’s forte worden. Hij compenseert echter veel met zijn gevoel voor sfeer, opbouw en spanning. In L'uccello dalle piume di cristallo heeft hij zichzelf dan nog eens uitstekend in de hand, iets wat in latere films wel eens ontbreekt.
REEKS (17) - DE EERSTE KEER
In de reeks “De eerste keer” (her)bekijken we regiedebuten van regisseurs die het achteraf gemaakt hebben.
GIALLO | Argento spiegelt zichzelf
De laatste film van Dario Argento is een vreemde paradox. Zoals de titel al laat vermoeden, moest het de ultieme ode worden aan het genre dat hij zelf mee groot heeft gemaakt. Helaas is de film niet meer dan een voetnoot in de lange, bloedige, intrigerende giallo-geschiedenis.
Dario Argento lijkt wat dat betreft goed op zijn leeftijdgenoot George A. Romero. Zeventig zijn ze intussen, maar in plaats van achter de geraniums te gaan zitten, blijven ze driftig doen waar ze ooit zo goed in waren: films maken. Romero blijft koppig de ondoden tot leven wekken, terwijl Argento twee jaar geleden met Giallo terugkeerde naar het genre dat hij met Profondo rosso (1975) naar een absoluut hoogtepunt stuwde. Zowel Romero als Argento vergeten één ding: die geweldige jaren zeventig komen nooit meer terug.
De vraag is: moet je bewondering hebben voor de doorzettingskracht van de oude knar of wordt het net meelijwekkend? Objectief bekeken moet de kwaliteit van een film op zich de maatstaf zijn. Hoeveel meesterwerken je dertig of veertig jaar geleden ook maakte, de laatste film moet afzonderlijk bekeken kunnen worden.
Genreoefening
Nu valt dat in het geval van Giallo nogal mee, al kreeg de film het bij zijn release erg hard te verduren. Giallo is niet het ultieme genre-eerbetoon dat erin zat. Maar als genreoefening valt de film niet helemaal door de mand. Argento opent al meteen met een knipoog: in een concertgebouw, tijdens een opera. Qua setting en sfeer kan dat meteen tellen. Met ook nog eens een uitbundige fuif en een grillige modeshow als volgende haltes, lijkt Argento alle registers van het genre open te trekken.
De moordenaar van dienst beweegt zich in Giallo door de drukke straten van Turijn. Zijn modus operandi is elke keer hetzelfde: hij pikt jonge, mooie en vooral buitenlandse vrouwen op, sluit de deuren van de taxi en tuft naar een verlaten plek, waar hij hen verdooft. Het lot dat hen te wachten staat is niet fraai. In zijn vieze, smerige werkplek gaat hij hen te lijf met hamer en zaag. Schoonheid is voor de man ondraaglijk.
Veel heeft er wellicht mee te maken dat de moordenaar zelf niet moeders mooiste is. Een leverziekte heeft zijn huid geel gekleurd, een mooie verwijzing naar het giallo-genre, dat zijn naam ontleent aan de Italiaanse, geelgekleurde politieromannetjes. Over looks en identiteit van de bad guy doet Argento dus niet echt flauw: die worden al vrij vroeg in de film vrij gegeven, wat dan weer in strijd is met de heersende giallo-regels.
Dubbelrol
De rol van Giallo was in eerste instantie weggelegd voor Vincent Gallo, maar die zag het niet zitten om samen te spelen met zijn ex-liefje Asia Argento. Er kwam een stoelendans op gang in de cast: Ray Liotta zou oorspronkelijk politie-inspecteur Enzo Avolfi spelen, maar werd vervangen door Adrien Brody, die vreemd genoeg ook zijn nemesis Giallo zou vertolken. Asia Argento werd zwanger en werd vervangen door Emmanuelle Seigner.
Het is dus nauwelijks overdreven te stellen dat Giallo gedragen wordt door Brody in een dubbelrol. Als Giallo is hij onherkenbaar verminkt. Hij gromt en bromt al een beer. Avolfi heeft meer body. Brody speelt ‘m als een Italiaanse macho, het ringbaardje netjes getrimd, de lange haren overvloedig in de wax. Omdat deze Einzelgänger met niemand kan of wil samenwerken, betrekt hij de kelderverdieping van het politiebureau. Hij werkt, eet en slaapt er.
Als regisseur kon Dario Argento in het verleden vooral bogen op een uitgekiende cinematografie met fabelachtige shots en visuele vondsten die hun tijd ver vooruit waren. Die zitten minder in Giallo. Vooral in het middenstuk komt de nadruk teveel te liggen op de folterpraktijken die Giallo met de weerloze vrouwen uithaalt. Smerig, bloederig, expliciet: dat is dan weer wel vintage Argento.
Trauma
In de derde act schuiven de puzzelstukken maar moeizaam in elkaar, maar blijkt vooral hoe cliché Giallo geworden is. De anders zo onverdroten moordmachine twijfelt met zijn ultieme slachtoffer zo lang dat Avolfi hem wel op het spoort moét komen. Avolfi zelf, zo leren we uit flashbacks, sleept het obligate trauma uit zijn verleden met zich mee. Het glimmende mes dat in zijn kindertijd stevig op hem inhakte, ligt nog altijd in de lade van zijn bureau.
Helemaal op het einde doet Argento nog een verdienstelijke poging om moordenaar en politieman tegen elkaar af te spiegelen. De psychopaat krijgt menselijke trekjes en de mens ontdekt de psychopaat in zichzelf. Koppig, gedreven, eenzaam en egocentrisch zijn ze beiden. Het is het verhaal van de stroper en de boswachter, van goed en kwaad en die eeuwige grijze zone.
Ook Giallo bewandelt voortdurend een grijze zone, al wordt die dan gevormd door een mengeling van mislukte en geslaagde hommage. De grootmeester eert zichzelf, maar doet zichzelf ook te kort.
[KADERTEKST END]