Red nooit een zwerver die zelfmoord wil plegen. Dat is de wijze en politiek-incorrecte les van Boudu Sauvé des Eaux (1932). Meneer Lestingois doet het toch. Hij duikt de Seine in en vist clochard Boudu eruit.
Lestingois is een welvarend man, niet steenrijk, maar wel met aanzien. Als zijn huishoudster, met wie hij vanzelfsprekend een affaire heeft, vraagt waarom ze eigenlijk een piano hebben als ze er nooit op spelen, reageert hij verontwaardigd: ‘We hebben een piano omdat we gewaardeerde mensen zijn.’ En zo is het natuurlijk vanzelfsprekend dat hij Boudu ook opneemt in zijn huishouden. En dat ie zijn kleren laat dragen. En zijn sigaren laat roken. En zijn wijn laat drinken.
Het kan vreemd gaan in een fatsoenlijk huishouden want Boudu laat alles in het honderd lopen. De relatie met de huishoudster stokt omdat Boudu in de gang slaapt en in de weg ligt. En de dame des huizes raakt gecharmeerd van Boudu.
Het is ook een lastige combinatie. Een gezin dat verbaast uitroept: ‘Je gaat toch niet zo naar buiten? Je schoenen glimmen nog niet.’ Versus een man die op de vraag: ‘Heb je al eens gekust?’ reageert met: ‘Ja, ik had een hond.’
De satire is niet kipsimpel; dat zou te belerend zijn geweest voor een regisseur als Jean Renoir – bekend van een het prachtige Grand Illusion. De komst van Boudu is een middel om lichtvoetig en spottend de burgerlijke zwakten van het gezin te tonen, die eigenlijk erger zijn dan de ruwheid van de vagebond, die het ook niet kan helpen dat hij gered is. Maar een moraal à la Frank Capra ontbreekt, want eigenlijk loopt alles met een sisser af.
De film is best lief voor zijn personages. En daarmee ook voor zijn kijkers, want je kunt er aldoor om grinniken. In 1932 waren Franse films al een stuk geestiger dan alle Nederlandse films tachtig jaar later.
Decadentie
Ook in My Man Godfrey (1936) wordt een zwerver ergens vandaan gevist, in dit geval een vuilnisbelt. Bepaalde rare spelletjes van welgestelden in de jaren dertig vereisen ‘een vergeten man’. Godfrey wordt door een dame meegenomen en komt zo terecht in het feestgedruis van de allerrijksten. Hij laat zich observeren als een beest in de dierentuin. ‘Is die stoppelbaard echt?’ ‘Niemand anders heeft hem nog geclaimd.’
Godfrey is geen simpele zwerver, hij is een charmante en intelligente man. De dame die hem vond, vindt hem zo aardig dat hij bij de familie in dienst wordt genomen als bediende. Maar hij laat weinig los over zijn achtergrond.
Ook Godfreys komst gooit alles in het honderd. Hij is namelijk niet iemand om rijke mensen naar de mond te praten. Zo is Godfreys weigering om Irene’s minnaar te worden, reden genoeg voor haar om een willekeurige sul te verloven. Maar ook zus Cornelia raakt geïnteresseerd in hem als hij haar eens, bij hoge uitzondering, haar de waarheid heeft gezegd.
Deze rijken worden niet bespot om hun slechtheid maar om hun decadentie. Zoals ze na een avondje stappen zeggen: 'Hoe is dat paard nou in de bibliotheek gekomen?' Moeder raakt in paniek als er ‘five bucks’ moet worden betaald. ‘Bucks, bucks, waar heeft hij het over?’ Ontbijt serveren is lastig want er staat niemand op vóór het middaguur. De dag begint vaak met een agent voor de deur. Vader: ‘Welke dochter was het deze keer?’ Agent: ‘Cornelia. Ze brak ramen op Fifth avenue.‘ Zuchtend ontvangt vader de boete.
In het portret van die decadentie zit iets vriendelijks – niets wraakzuchtigs zoals je vaak ziet in films over rijke families. Een verhaallijn om van te smullen is de getergde vader, die niet kan wachten tot hij Carlo eruit kan smijten. Carlo is een gevoelige, briljante geest volgens moeder, die niet geremd mag worden in zijn creativiteit. Elke keer als Carlo het woord 'geld' hoort, gaat hij huilend aan het kozijn hangen.
Godfrey op zijn beurt is ook beslist geen held. Hij drinkt nogal eens meer dan goed voor hem is. Hij stuurt de dames met een kluitje in het riet. En dan blijkt hij ook nog een gewiekste zakenman.
My Man Godfrey vermaakt als een tierelier met zijn sappige dialogen en met niets aan clichés. Dat is vooral te danken aan losjes acteerspel. William Powell (bekend van The Thin Man-serie), de moeder, de dochters, de vader, en humorist Mischa Auer als Carlo.
Gekke zoon
In The Ruling Class (1972) is er wederom één man die een burgerlijke huishouden overhoop haalt. In deze film sterft een gewaardeerd lid van het Hogerhuis. Zijn zoon erft de hele mikmak, kasteel, personeel, poen. Enige probleem: hij denkt dat hij Jezus Christus is.
De Gurneys denken dat het niet zo moeilijk moet zijn om de gekke zoon te laten opnemen en hem van zijn geld te beroven. Dan moet er wel nageslacht worden gemaakt. Zodoende wordt hij gekoppeld aan Grace Shelley, de minnares van zijn oom. Oom: ‘Ze werkt hard.’ Tante: ‘Op haar rug.’
Om niet te worden opgenomen als zot, moet deze geesteszieke (in de steek gelaten op zijn elfde) zich nu als Jack Arnold Alexander Tancred Gurney, de veertiende hertog van Gurney, mengen met burgerlijk Engeland. De familie, de paardenclub, het Lagerhuis, overal. Dat heeft wel naargeestige gevolgen.
De spot in deze film is nog net een tandje genadelozer dan in Boudu en My Man Godfrey. De visieloze upperclass wordt als honing aangetrokken op de man die een soort Messias is voor hen. De vader van het gezin vindt het leuk om in militair outfit en balletrokje op een trapje te staan, zijn hoofd in een strop, orerend over belangwekkende zaken, alles gedienstig voorbereid door zijn butler.
Er komt bijna niets dichterbij een lachspiegel van de aristocratie dan deze film. De boodschap is duidelijk: wie is er gekker, de aristocratie, of de zot zelf? Als Jack gevraagd wordt waarom hij gaat jagen, antwoordt hij: ‘In onze kringen is het een teken van geestelijke gezondheid om te schieten op alles wat beweegt.’
Een satirische komedie is een moeilijke onderneming; vaak te flauw of te weinig gedurfd. De acteurs houden zich in of zijn juist te overdadig komisch. Daarom zie je er ook weinig.
Niets daarvan in The Ruling Class want het materiaal is heel goed. De dialogen zijn prima, het spel is op de juiste momenten serieus en dan weer theatraal, en zelfs de musicalnummers vervelen niet. Peter ‘O Toole speelt met angstaanjagend plezier – en soms met plezier angstaanjagend. Als je hem ziet, besef je weer hoe zonde het is dat acteurs ouder worden en hun scherpte verliezen.
De regie van Peter Medak was vol en extravagant. Hij liet ons diverse gedenkwaardige cinematografische momenten na. Schandalig dat de film dan zo onbekend is. Te sprankelend?
REEKS (10) - CAMERA OBSCURA
In deze reeks bespreekt Bob van der Sterre elke aflevering een aantal thematisch gelinkte films. Hoe aparter, ouder en obscuurder, hoe liever hij ze heeft.