Dreiging is er van bij de start maar de impact van de onthulling overtreft alles. Het is niet eens wat Hermanus toont – het is 2011 intussen – maar zijn timing en de manier waarop hij de sleutelscène in beeld brengt: stijlloos en plat, expliciet en ranzig. Eigenschappen die we in eerste instantie niet associeerden met het hoofdpersonage.
Verhaaltechnische stunt
François is een kalende veertiger die zijn wereld kent, zaakvoerder van een houtzagerij, vader van mooie kinderen, echtgenoot van een elegante vrouw. Tijdens het chique huwelijksfeest van zijn dochter loopt hij Christian - de zoon van een jeugdvriend - tegen het lijf. De ontmoeting gooit zijn voor de buitenwereld rimpelloos ogende leven overhoop. De net afgestudeerde jurist herkent in de zakenman een prima schakel voor zijn professionele netwerk. De kiem van een persoonlijk drama is ontsproten want François wil meer.
Opbouwend naar het eerste – al vermelde – scharniermoment toont Oliver Hermanus het hoofdpersonage in zijn vertrouwde omgeving. Hij gaat uiterlijk onbewogen verder met zijn leven. Hoe hij met zijn gistende gevoelens voor Christian zal omgaan – en met uitbreiding met zijn verliefdheid voor een andere man – blijft een vraagteken.
Nadat alle twijfels daarover van tafel geveegd zijn - en de kijker zijn denkwerk helemaal mag herbeginnen - herhaalt Hermanus zijn verhaaltechnische stunt. François gaat achter Christian aan. Eerst naïef en onschuldig, misschien zelfs schattig. Later hardnekkiger. De liefdesqueeste is op ieder moment muti-interpreteerbaar maar achter iedere stap schuilt wel degelijk een ijzeren logica.
Na de tweede shockscène zijn de kaarten opnieuw herschikt. De band die de kijker opgebouwd heeft met François blijkt geen fluit waard. De voortekenen waren duidelijk – achteraf bekeken. Het verhaal kon onmogelijk anders evolueren – alweer achteraf bekeken. Het idee dat een man de laatste kans wil grijpen om de liefde van zijn leven te vinden en helemaal zichzelf te zijn, werkt verblindend. Dat idee is verleidelijker, warmer en sociaal zoveel meer aanvaardbaar dan wat er zich werkelijk afspeelt. Hermanus' confronterende boodschap is dat de kijker enkel ziet wat hij wil zien.
In de onthutsende slotscène zit François alleen aan een tafeltje in een restaurant, wachtend op Christian. Hij bestelt een steak, kijkt rustig rond. Einde film. Het open einde bevredigt het opborrelende rechtvaardigheidsgevoel van de kijker geenszins niet. Het scheve is niet rechtgetrokken. Dat knaagt, zeker omdat Hermanus de kijker eerder al op het verkeerde been heeft gezet.
De buitengewoon ingetogen vertolking van Deon Lotz vergroot de verwarring over de complexe persoonlijkheid van de blanke Zuid-Afrikaan die zich geperfectioneerd heeft in de onderdrukking van zijn emoties. François functioneert sociaal goed genoeg maar wie hij werkelijk is, weten zelfs zijn kinderen niet, laat staan de kijker.
Skoonheid is een bewust frustrerend, koud en verontrustend meesterwerkje gemaakt door een meesterlijke manipulator. Na Shirley Adams en Skoonheid is Oliver Hermanus klaar voor een film waarmee hij de wereld gaat veroveren.
Gefragmenteerde beeldenmassa
Gandu is veel beeld en nog meer montage maar heel weinig cinema. Sinds de vertoning op de Berlinale begin dit jaar reist Gandu – Bengaals slang voor eikel – de wereld rond. De Indische film houdt er een cultstatus aan over. De drie vertoningen in Gent waren de enige in ons land. Een commerciële release is uitgesloten. Daarvoor is de film te controversieel, onevenwichtig en ontoegankelijk. Wie er niet van hield voegt daar de begrippen zelfgenoegzaam en vermoeiend aan toe.
Op zich is het verhaal herkenbaar, een tikkeltje belegen zelfs. Titelpersonage Gandu is een gefrustreerde, zich hopeloos te pletter vervelende twintiger, die in zijn zelf geschreven rapmuziek de enige manier ziet om te ontsnappen aan zijn miserabele bestaan. De moeilijkheid/ellende van de film is dat het lichtgewichtverhaal onvindbaar verstopt zit achter een dikke stuiterende, gefragmenteerde beeldenmassa.
Het grootste deel is gefilmd in zwart-wit. Pas wanneer Gandu op het eind van de film één van zijn jongensdromen realiseert – harde, beukende seks met een hoer – schakelt regisseur Q over op een extreem intens kleurenpalet. In zwart-wit of in kleur, de beeldvoering is in beide gevallen even exuberant en overweldigend. Iedere seconde is iedere vierkante centimeter van het scherm gevuld met krachtige, visuele trouvailles.
De stroom aan geniale vondsten en nieuwe knallende hoogtepunten is oneindig. Het beeldenbombardement gaat hand in hand met een loeiharde soundtrack samengesteld uit Gandu's rapnummers. Terwijl de would-be-held rapt, verschijnen zijn lyrics in metersgrote letters op het scherm. Die blinken niet uit in fijnzinnigheid maar zijn wel vaak grappig en scherp.
Gandu is een brute aanval op ogen en oren, een unieke zintuiglijke ervaring die geen filmliefhebber onverschillig laat. Uniek is geen synoniem voor fantastisch, 'niet onverschillig' betekent dat één derde van de zaal in het midden van de film gedegouteerd wegloopt, één derde blijft zitten omdat het zonde is van het geld en dat het laatste derde er eventueel van genoten heeft.
Genieten kan wel degelijk. Van Gandu die op handen en voeten door zijn moeders slaapkamer sluipt om geld te stelen uit de portefeuille van haar rijke minnaar. Ook wel van de eerste ontmoeting van de rapper met een Bruce Lee-aanbiddende riksjabestuurder. Of van de opzwepende beats en de druggerelateerde visioenen. Daar houdt het wel mee op.
Choquerend? Niet echt. Meeslepend? Nog minder. Gandu is sowieso geen personage waar men zich vlot mee identificeert. Daarvoor is hij te tam en te gek op zichzelf. De montage maakt de identificatie helemaal onmogelijk. Onbedoeld doet de film denken aan het misbaksel dat Thierry Guetta in Exit Through the Giftshop toont aan Banksy. Het flitst en knalt. Het is modern, hip en snel... maar totaal onbekijkbaar.
Als visueel kunstenaar heeft Q niets meer te leren. Als filmmaker alles. Naast een duidelijke structuur mist de film een ziel, menselijke warmte en de noodzakelijke rustpunten. De videoclipstijl is zo afmattend dat je na twintig minuten al snakt naar het einde.
Q had ook geen traditionele film in gedachten, eerder een fors anti-Bollywood statement of een nouvelle vague pamflet. Opdracht geslaagd. In India zien ze zelden dergelijke rauwe films. Erecties op groot scherm nog veel minder. Het leverde de film een openbaar vertoningsverbod op van de censuurcommissie. Om dat verbod en de daarbij horende heisa lijkt het de makers wel te doen. Het geeft de film een gevaarlijk, interessant tintje. De wereldwijde aandacht voor het verbod is bovendien tien dure marketingcampagnes waard. Lekker handig is dat.
Als de film geselecteerd wordt voor Europese en Amerikaanse filmfestivals is dat eerder te zien als morele steunbetuiging aan de producers dan omdat Gandu een essentiële brok Aziatische cinema is. Op Europeanen maakt de Indische beeldstorm nauwelijks indruk. De ironie is dat de film uiteindelijk even ongenietbaar en onbekijkbaar blijkt als de slijmerige Bollywoodmusicals waar hij zich tegen afzet.