Het gaat goed met de kranten! Het gaat slecht met de kranten! De ene vreugdekreet volgt de andere onheilstijding op. De teneur van de documentaire is eerder onheilspellend. Op het moment dat documentairemaker Andrew Rossi veertien maanden rondstruint op de redactie van The New York Times gaat na 150 jaar de Rocky Mountain News op de schop en verzeilen The Boston Globe en de San Francisco Chronicle in moeilijke papieren.
Moeilijkheden
Ook The Old Gray Lady heeft het moeilijk. De krantenverkoop daalt en de online informatie zit nu grotendeels verscholen achter een paywall. Eind 2009 verlieten honderd journalisten de meer dan duizend koppen tellende redactie. Rossi is erbij als enkelen onder hen hun boeltje bij elkaar pakken. Schrijnend is het stukje waarin journaliste Carla Baranauckas na 21 haar haar bureau leegmaakt, de lift instapt en tot tranen toe ontroerd in een steegje verdwijnt.
In Page One: Inside the New York Times krijgen we dus een krantenredactie te zien die in moeilijkheden verkeert. De oorzaken zijn makkelijker dan de oplossingen. In 2009 daalde de advertentiemarkt met dertig procent. Minder inkomsten betekent minder geld en minder geld betekent minder goede journalistiek.
Uiteraard zaagt ook het internet aan de poten van de traditionele media. Clay Shirky, professor nieuwe media aan de New York University, bevestigt het in deze documentaire: kranten hebben niet langer de alleenheerschappij. Burgerjournalistiek is in volle ontwikkeling. Zelfs online krantenredacties moeten het afleggen tegen de snelheid waarmee nieuws zich verspreidt op Twitter.
Dat weten de hoge omes bij The New York Times natuurlijk ook. De krantenredactie is geen smoezelig kamertje waar pijp rokende redacteurs hun stukken tikken, maar een moderne, open, glazen ruimte waar het gonst van de bedrijvigheid. Centraal op de redactie: een grote, rode trap die je van de ene ruimte naar de andere voert.
Newsjunkie
Andrew Rossi volgt vooral de nieuwe mediaredactie die in 2008 opgericht werd en zowel het hele mediabedrijf als The New York Times zelf kritisch tegen het ligt houdt. De jonge redacteur Brian Stelter is zo’n moderne newsjunkie die met drie computers, vier toetsenborden en zeven telefoons tegelijkertijd schrijft, blogt, tweet en facebookt.
The Times anno 2011 iets niet meer The Times anno 1851. Ook de papieren krant moderniseert: de oude achtkolommenstructuur is eindelijk verdwenen en er duiken nu ook kleurenfoto’s op in de krant. Voor het eerst in de lange geschiedenis schopte een vrouw het tot hoofdredacteur: sinds september 2011 heeft Jill Abramson de touwtjes in handen.
Nochtans is het een oude rot in het vak die zich opwerpt als de ster van de documentaire. We zien hoe David Carr thuis op zijn groezelige veranda artikels tikt op een oude ThinkPad computer. Carr is een icoon op de redactie van de New York Times en niet alleen door zijn vreemde stem, zijn rauwe looks en torenhoog charisma. In zijn autobiografie The Night of the Gun, beschreef hij nauwgezet zijn vroegere cocaïneverslaving. Zijn no nonsensaanpak maakt ‘m tot een gedegen onderzoeksjournalist voor wie inhoud belangrijker is dan vorm.
Carr is een fervent verdediger van de papieren krant als betrouwbare nieuwsbron. Hij is de man van check en dubbelcheck, van lastige vragen, van vechten om meer woorden in de krant. Twitter vindt hij een kakafonie aan berichten waar niemand wat aan heeft. Als hij een demonstratie krijgt van wat de mogelijkheden van een iPad zijn, orakelt hij dat de mogelijkheden van dat ding verbluffend zijn. De manier waarop je The New York Times erop kan lezen zijn bijna net zo goed als… de papieren krant.
Hoe interessant Carr als figuur ook is, hij weegt een beetje zwaar op de documentaire in zijn geheel, die nog altijd over de krant gaat en niet over Carr. Andere onderwerpen handelt Rossi een beetje slordig of snel af. Er zijn soundbites van onder meer Jeff Jervis (auteur van What Would Google Do?), maar veel nieuwe inzichten bieden die niet. De stukken over de Pentagon Papers en de invloed van Wikileaks blijven helaas een beetje onderbelicht.
Vertrouwde wateren
Wie destijds Super Size Me – een van de vorige wapenfeiten van documentairemaker Morgan Spurlock – zag weet dat de man (net als die andere “linkse” documentairemaker Michael Moore) weinig subtiliteit kan worden toegeschreven. Hoe anders moet je iemand omschrijven die zich vrijwillig een maand lang drie keer per dag blootstelde aan het eten van fastfood?
Dat zoiets vernietigende gevolgen voor het lichaam heeft, hoeft geen betoog en hoewel Super Size Me een ontegensprekelijk grappig visueel dagboek werd bleven wij ons toch bedenken dat Spurlocks gastronomische foltering helemaal niet nodig was geweest... en we hadden er vooral honger naar een hamburger door gekregen.
Na enkele omwegen op zoek naar Osama Bin Laden (in het nu hopeloos gedateerde Where In The World Is Osama Bin Laden?) en een documentaire over The Simpsons is Spurlock met The Greatest Movie Ever Sold terug in vertrouwde wateren. Opnieuw werkt hij vanuit een eenvoudig “Wat Als?”-idee. Dit keer richt hij zijn pijlen op de door haaien geteisterde wateren van de marketing en reclamecampagnes.
Product placement – de aanwezigheid van reclame in films en series – kennen we allemaal. De ergernis ervoor stijgt evenredig met de hoeveelheid ervan. Soms past het nog wel binnen de wereld van de film (toegegeven; zelfs persoonlijke favorieten als Back To The Future maken er zich schaamteloos schuldig aan) maar vaak zorgt het voor een smakeloze afleiding.
Spurlock wil dit uit zijn voegen barstende fenomeen aankaarten maar kiest gelukkig niet voor de klinische we-bombarderen-de-kijker-met-feitjes aanpak. Hij opteert voor de ontwapenende stoute jongen-aanpak die hem typeert en waarvan hij weet dat die hem succes oplevert. Hij besluit zijn documentaire te laten sponsoren door bedrijven en zo uit te dokteren hoe het systeem werkt en welke spelletjes er achter de schermen worden gespeeld. Het resultaat is zeker vermakelijk en vooral in de eerste helft, als Spurlock op zoek is naar sponsors, ook vaak erg grappig en entertainend.
Uiteindelijk raakt de vaart dan toch uit de film en wordt het geheel repetitief. Ja; we weten dat de reclamewereld niet voor doetjes is. Ja; het is natuurlijk leuk om te zien hoe Spurlock absurde ideeën voor een trailer voor zijn film toetst bij de directie van zijn hoofdsponsor (en om de intentie van de film eer aan te doen: het verfrissende drankje POM!) . Maar na een tijdje raakt de bron opgedroogd, de grappige vondsten doven uit.
The Greatest Movie Ever Sold is zo'n prent waarbij de kijker zijn eigen al dan niet aanwezige intelligentie bevestigd ziet; in het genre van “we zijn zo slim dat we dit grappig vinden” maar net als in Super Size Me biedt Spurlock geen oplossingen; geen antwoorden op de terecht gestelde vragen. Het is wat het is: leuk om eens te zien maar ook niet meer dan dat.