CINEMA DADA

The Blob - Lang leve de slijmbal!

Lang leve de slijmbal! Volgend jaar blaast The Blob 25 kaarsjes uit. Dan hebben we het uiteraard niet over het origineel uit 1958, maar over Chuck Russels remake uit 1988. De film deed het destijds niet zo goed bij de critici en het grote publiek, maar is voor een aanzienlijke schare fans een echte guilty pleasure: eerder vermakelijk dan goed.

Zeggen dat The Blob in 1988 een kassasucces was, is de waarheid geweld aandoen. In de Amerikaanse box-office van dat jaar moest de film precies honderd andere films laten voorgaan. De film kostte 19 miljoen dollar en bracht 8 miljoen op, ongeveer evenveel als de productie aan de vaak uitzinnige special effects had besteed. Ter vergelijking: 1988 was ook het jaar waarin Who Framed Roger Rabbit furore maakte. Die film torste een loodzwaar budget (70 miljoen), maar liet de kassa’s rinkelen (154 miljoen). Wat erger is: zelfs mindere goden deden beter. A Nightmare on Elm Street 4: 49 miljoen, Child’s Play: 33 miljoen, Friday the 13th Part VII: 19 miljoen. Het lijstje is lang, erg lang.

Small-town eighties
Waarom was The Blob geen succes? Misschien kwam de film nét iets te laat, bleek het toen al een beetje een film die enkele jaren eerder nog baanbrekend maar eind jaren tachtig al bijna ouderwets was. The Blob dankt zijn reputatie eerder aan het videocircuit dan aan zijn bioscooproulatie. Het werd een typische laatavondfilm die elk jaar wel eens op de BBC langskomt. En dan blijf je hangen, eerder uit sympathie dan uit overtuiging; eerder uit nostalgie dan uit nieuwsgierigheid.

Zo is het bijvoorbeeld aardig om kennis te maken met de jonge actrice Shawnee Smith, tegenwoordig vooral bekend voor haar rol als Amanda Young in de Saw-franchise, maar toen nog piepjong als het cheerleader-meisje Meg. Haar door middel van haarlak gebetonneerd kapsel bewijst dat de ozonproblematiek eind jaren tachtig nog niet zo belangrijk was. Met haar snookerbril, wollen trui en parelsnoer is ze hét exponent van de small-town eighties. Een wonder dat footballspeler Paul (Donovan Leitch) als een blok valt voor deze tot leven gekomen Damart-catalogus.

The Blob lijkt zich aanvankelijk als een high school drama te ontvouwen. Nogal wat scènes spelen zich in en rond de school van Arborville af, vooral dan op de sportvelden. De op het eerste gezicht norse punker (Kevin Dillon, broer van) kan niet ontbreken. Brian is het langharige tuig van dienst, een opgefokte brommer onder de gescheurde jeans en het leren jasje. Iedereen weet: de ruwe bolster verbergt een blanke pit. Op het einde van de film, na de grande finale, vallen de macho en het meisje elkaar in de armen.

De clichés in Arborville kunnen niet groter zijn. De plaatselijke sheriff Herb (Jeffrey DeMunn) is er eentje die dagelijks aanschuift in de sjofele snackbar voor een taartpunt. Uiteraard heeft hij een oogje op de goedhartige serveerster (Fran Hewitt). De film geraakt zelfs een beetje ondergesneeuwd door de vele draderige verhaallijntjes die door regisseur Chuck Russel en scenarist Frank Darabont worden uitgerold. Zo is er in het begin ook nog een zwerver die rondstruint en wiens enige functie is om The Blob te ontdekken. Geen nood: één voor één worden de soms overbodige nevenfiguren uit de weg geruimd.

Slijmerige substantie
Het kleverige ding uit de titel komt aan het begin van de film uit de hemel vallen. Is The Blob in Irvin S. Yeaworth’s origineel met Steve McQueen nog een buitenaardse entiteit, dan blijkt The Blob anno 1988 een mislukt wetenschappelijk experiment van de overheid die zich voorbereidde op biologische oorlogsvoering tegen de toenmalige Sovjetunie. Een en ander wordt Brian en Meg duidelijk wanneer in de tweede helft van de film de legermannetjes hun tenten in Arborville opslaan. De arrogantie van legeraanvoerder Dr. Meddows (Joe Seneca) zegt genoeg. Hier is iets niet kies.

De grootste guilty pleasure haal je natuurlijk uit de manier waarop de slijmerige substantie zijn slachtoffers te grazen neemt. Eén scène werd iconisch omdat die zo over the top is dat het lachwekkend wordt. In de keuken van de eettent lijkt de afvoer verstopt. De kijker weet dat The Blob zich via de riolering voortbeweegt. De kok graait met zijn vingers in de gootsteen om te kijken of er geen etensresten zijn die voor de verstopping zorgen, en wordt vervolgens door The Blob verslonden.

The Blob zit vol met zo’n onvergetelijke blood and guts extravaganza. Nog zo’n topper is de bioscoopzaalscène waarin het nietsvermoedende publiek naar de horrorfilm The Garden Tool Massacre kijkt, terwijl The Blob zich via de projectiekamer de bioscoopzaal binnen glibbert. De koddige effecten zijn natuurlijk onvolmaakt, maar dat verhoogt alleen maar de charme van de film. De authenticiteit van het handgemaakte effect haalt het van de perfectie van het computer gegenereerde shot.

Voor wie het vergeten was: elke buitenaardse entiteit of elk genetisch of biologisch gemuteerd wezen heeft een achilleshiel. In The Blob blijkt de inmiddels uit de kluiten gewassen slijmbal niet bestand tegen koude en dus biedt vloeibare stikstof soelaas in de lang uitgesponnen finale waarin The Blob na een dolle ondergrondse achtervolging via een rioolput naar boven blubbert.

Het betekent meteen het einde van ’s werelds indrukwekkendste portie snot. Want hoewel een snoodaard in de film een klein stukje van The Blob bewaard heeft, volgde er geen sequel en geen remake. Dat is misschien maar goed ook. We moeten er niet aan denken hoe The Blob er vandaag zou uitzien, uitgespuwd door gladde computereffecten. Nee, lang leve de oude slijmbal!

▶ Bekijk op YouTube


REEKS (1) – CINEMA DADA
Cinema Dada heeft een voorliefde voor cultfilms uit de vorige eeuw. Slechte smaak is geen bezwaar.