THEMA - CINEMA CHILI

De eerste keer van Pablo Larraín

Pablo Larraín maakte naam met zijn opmerkelijke Pinochet-trilogie Tony Manero – Post Mortem  – No. Debuteren als regisseur deed hij in 2006 met Fuga, een film die vooral opvalt omdat hij zo verrassend onopvallend en braaf is. Hij is zonder twijfel degelijk gemaakt maar mist de urgentie, originaliteit en intensiteit van Larraíns latere werk.

Fuga (Pablo Larraín)

Fuga vertelt het verhaal van twee bevlogen klassieke muzikanten. De eerste is Eliseo Montalbán, een componist die een meesterwerk schrijft dat zo complex en veeleisend is dat zijn hele orkest er stapelgek van wordt. Nog meer dan de musici draait de componist zelf helemaal door. Zijn avant-gardistische stuk zal maar één keer – en dan nog gedeeltelijk – opgevoerd worden. Voor hij van de aardbol verdwijnt, verbrandt Montalbán de partituren.

Jaren later komt de middelmatige Argentijnse muzikant Ricardo Coppa het mysterieuze stuk op het spoor. Hij wil de compositie reconstrueren en opnieuw opvoeren om het alsnog de roem en het applaus te bezorgen die het jaren geleden al had verdiend. Terwijl Montalbán in flashbacks maniakaal aan zijn compositie sleutelt, botst Coppa in het heden tot zijn grote frustratie op dezelfde grenzen van het grillige, ongrijpbare werk. Dan blijkt ook dat zijn interesse in het verdwenen gewaande stuk niet honderd procent geïnspireerd is door melomanie.

Genialiteit en krankzinnigheid
Thema's en verhaallijnen zijn er genoeg in deze film. De opkomst en neergang van een genie tegenover de veel minder getalenteerde die wil profiteren van het verloren gegane talent. De flinterdunne grens tussen genialiteit en krankzinnigheid. De eenzaamheid, de overgevoeligheid en het egocentrisme van de artiest die een normaal sociaal leven onmogelijk maken. De obsessieve creatieve dadendrang om een jeugdtrauma te verwerken. De manier waarop een grijzemuizensamenleving omgaat met mensen die anders zijn. Het langzaam maar onstopbaar afglijden in waanzin.

Het is niets nieuws onder de zon. Het zijn elementen die terugkomen in iedere film over kunstenaars, naast excentriciteit, hovaardigheid en een zekere – bewuste of onbewuste – drang tot zelfvernietiging. Ze zijn met dit subgenre verbonden als kogels met een gangsterfilm. De dreiging van het cliché is dan ook gigantisch. Je moet al van goede huize zijn en in een geïnspireerde bui verkeren om toch frisse cinema te maken. Pablo Larraín slaagt er maar gedeeltelijk in. Dat betekent ook dat hij voor een stuk mislukt.

Aan inzet of gebrek aan ambitie ligt het niet. Veel aandacht is gegaan naar de fotografie en de decors die Fuga visueel erg aantrekkelijk maken. De Chileen tovert een paar geniale shots op het scherm. Vooral in de fantasierijke droomscènes die de waanzin van de componist illustreren, leeft hij zich helemaal uit. Dat hij zich net iets te duidelijk liet inspireren door Stanley Kubrick is hem vergeven. Een goede kopie is nog altijd beter dan een slecht origineel.

Rauw randje
Inhoudelijk heeft hij het moeilijker. De debutant doet hard zijn best om zijn film een duister, rauw randje te geven. Het idee om de compositie te hullen in raadsels en er een verdoemd, onheilspellend cachet aan te geven is goed. Op de achtergrond brengt hij interessante, prikkelende  toetsen aan. Zo blijkt Montalbáns vader een minister van het Pinochet-regime en houdt de sfeer in de psychiatrische instelling het midden tussen broeierig en ranzig.

Het zijn beloftevolle elementen maar de pogingen om het verhaal te veredelen en er doorleefde auteurscinema van te maken werken averechts. Ze vestigen alleen maar extra de aandacht op het eerder zwakke basismateriaal.

De twee verhaallijnen komen nooit echt tot leven. Ze zijn veel te voorspelbaar en vlak uitgewerkt om te boeien en ook de hoofdrolspelers hebben moeite om de juiste toon te vinden. Benjamín Vicuña (Montalbán) en Gastón Pauls (Coppa) maken een fletse indruk. Ze doen wat ze moeten doen maar missen de uitstraling en de flair om hun personages de karikatuur te doen overstijgen.

Onaangepaste personages
Met twee dode vogeltjes als centrale personages is het kalf al half verdronken. Leuk wordt het dan ook pas bij de introductie van Claudio, Montalbáns enige vriend in het gekkenhuis. Ook Claudio is één wandelend cliché maar – en het is een belangrijke maar – de übernicht met de grote bek wordt gespeeld door de unieke Alfredo Castro, de man die de hoofdrollen speelt in de Pinochet-trilogie. Ook hun eerste samenwerking is een schot in de roos. Castro zoekt en buigt de grenzen zonder aan geloofwaardigheid in te boeten. De kerel is geboren voor het witte doek. Hij speelt achteloos met de camera, heeft een begenadigd gevoel voor humor en heeft  het expressieve gegroefde gezicht van een vent die echt geleefd heeft.

Op zijn eentje redt Castro de film van de onbenulligheid. In iedere scène speelt hij zijn collega's genadeloos van het doek. In Tony Manero en Post Mortem is hij nog beter, maar wat hij in Fuga presteert is al heel straf.

In de lijn van Larraíns latere films draait Fuga om geobsedeerde, maniakale en sociaal onaangepaste personages. Mannen met een dwingende missie die er te veel voor over hebben om hun doel te bereiken. In tegenstelling tot de Pinochet-trilogie pakt de mayonaise deze keer niet. Het verhaal is te vrijblijvend en onpersoonlijk. Er zijn flitsen van zijn klasse maar ze zijn te zeldzaam om het flauwe karakter van zijn eerste film te compenseren.

Larraín lijkt te filmen met de handrem op en blijft ergens steken tussen een klassieke formulefilm en een arthouse film. Dat is knap frustrerend omdat het enorme potentieel van Fuga onbenut blijft. Een koe stoot zich gelukkig geen twee keer aan dezelfde steen. De Chileen heeft in zijn Pinochet-trilogie wel radicale inhoudelijk keuzes gemaakt en haalde Alfredo Castro naar de voorgrond. Het succes en de internationale erkenning volgden prompt. Drie heel goede tegenover een driekwart misser blijft een uitstekende score. Fuga is hem vergeven.

▶ Bekijk op YouTube


THEMA - CINEMA CHILI
In de maanden mei en juni richt Planeet Cinema thematisch zijn blik richting cinema Chili.