De Olympische spelen liggen al weer een tijdje achter ons, maar buiten de glorieuze beelden van winnende, en verliezende landgenoten blijft er maar één beeld in ons geheugen hangen: het beklijvend beeld van Muhammad Ali die, zwaar getekend door de ziekte van Parkinson, met heel veel moeite de Olympische vlam weet aan te steken. Een monument van een sportman, die zelfs doorheen zijn ziekte zijn waardigheid weet te behouden, en nog steeds beschouwd wordt als één van de allergrootste boksers aller tijden (zeg maar allerbeste), en een voorbeeld is voor alle sportlui.
Zelf zijn we helemaal geen boksliefhebber, maar wanneer When We Were Kings zo langzaam aan ons voorbijtrekt moeten we toch bewondering opbrengen voor een man die atletische superioriteit, (heel veel) humor, en een uitermate snelle tong weet aan te wenden om zijn tegenstander en zijn publiek te bespelen. Niet alleen om de andere ook te overtroeven, maar ook om zijn bijdrage te leveren tot een betere wereld, want buiten zijn snoeverige (maar wel grappige opmerkingen) weet hij ook plaats te maken voor raadgevingen naar de jeugd toe: van druggebruik, tot tandverzorging...
When Were Were Kings werd oorspronkelijk opgevat als een documentaire van een festival dat plaats had in 1974 in Zaire. Muhammad Ali zou er boksen tegen George Foreman, en dat alles zou omkaderd worden door een drie dagen durend muziekfestival met o.a. James Brown, B.B. King en Miriam Makeba. De muziek zou de drijfveer worden van de film, maar toen Foreman tijdens een training gekwetst geraakte, en zo de kamp vijf weken werd uitgesteld, trok regisseur Leon Gast op met Ali. En meteen werd de film totaal anders. Het werd een portret van Ali die niet verlegen zat om een scherpe, gevatte of grappige uitspraak, en zo het publiek wist te bespelen. De kreet 'Ali, boma yé' (Ali, dood hem) werd gelanceerd, en Ali werd de lievelingsheld van het Zaireese volk..
Wegens allerlei omstandigheden bleef de film gedurende al die jaren onafgewerkt, maar reef sinds de première in 1996 op het Sundance Filmfestival al meteen alle mogelijke prijzen voor beste documentaire in de wacht. En terecht, want de beelden mogen dan al oud zijn, en in niet al te beste staat, het is een beklijvend portret. We zien Ali op het toppunt van zijn kunnen, en we kunnen niet anders dan een enorme sympathie opbrengen voor deze sportman. Het is een heroïsch portret geworden, zonder daarbij in afgoderij te vervallen. De kamp zelf is eigenlijk op het tweede plan geschoven. Muhammad Ali staat op het voorplan. Terecht.